Tweet


2.2.5.1. WIA-uitkering?

Inhoudsopgave 2.2.

De overgang van de WAO naar de WIA dient werkgevers en werknemers te stimuleren er alles aan te doen om gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan het werk te houden of te helpen. De nadruk ligt daarbij op wat mensen kunnen in plaats van wat hun beperkingen zijn.

Wat blijft is dat de WIA-uitkering pas na twee jaar aangevraagd kan worden en geldt voor medewerkers die na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden.

Eerste twee ziektejaren

Gedurende een periode van 104 weken gelden er maximale re-integratie-inspanningen op grond van de wet verbetering Poortwachter (2.2.2.). De werkgever is gehouden gedurende deze periode 70% van het loon te betalen, in het eerste jaar mag 100% wat in veel (collectieve) arbeidsovereenkomsten staat (2.2.2.3.). Is de arbeidsongeschiktheid het gevolg van een eerdere ziekteperiode dan kan een verkorte wachttijd aangevraagd worden.

Na twee ziektejaren

Na 2 jaar arbeidsongeschiktheid stelt het UWV vast of er in de eerste twee jaren voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Vervolgens wordt er beoordeeld of de werknemer recht heeft op een WIA-uitkering, waartoe degene een uitkering aanvraagt, uiterlijk 3 maanden voor ingang van deze uitkering (art 64 WIA).

Vaststellen mate van arbeidsongeschiktheid

Na het aanvragen van een WIA-uitkering volgt er een uitnodiging van het UWV voor een onderzoek. Dit onderzoek bestaat uit twee delen.

  • Een medisch onderzoek
  • Een gesprek met een arbeidsdeskundige

Het medisch onderzoek wordt verricht door een verzekeringsarts van het UWV. De arts bespreekt welke lichamelijke en psychische klachten er zijn en houd een lichamelijk onderzoek. De arts kan eveneens medische gegevens van de huisarts en/of specialist raadplegen. Uit de conclusie van de arts blijkt of degene nog deels kan werken en welke handelingen de betrokkene nog kan verrichten.

Na het medisch onderzoek volgt een gesprek met de arbeidsdeskundige. Deze bekijkt wat de mogelijkheden en beperkingen van betrokkene zijn. Daaruit volgt de selectie van 3 werkzaamheden waarvoor de betrokkene nog geschikt is en waarmee het meeste mee valt te verdienen. Het bij de werkzaamheden behorende uurloon wordt met elkaar vergeleken en het middelste (qua hoogte) loon is bepalend voor de mate van ongeschiktheid. Dit uurloon wordt vergeleken met het loon dat verdiend werd voor de ziekte en het verschil in percentage is de mate van arbeidsongeschiktheid.

Aanspraak op een WIA-uitkering?

Afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid, kan de werknemer voor een WIA-uitkering in aanmerking komen. De WIA bestaat uit twee regelingen:

  • De regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA), voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn (> 35 %) en medewerkers die tijdelijk (niet duurzaam) volledig arbeidsongeschikt zijn.
  • De regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA), voor medewerkers die duurzaam arbeidsongeschikt zijn, zonder uitzicht op verbetering.

Aanspraak op een WIA-uitkering afhankelijk van arbeidsongeschiktheid:

A. Arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. Er is geen recht op een WIA-uitkering.

B. Gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%. Er is recht op de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

C. Volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt (minder dan 20%). Er is recht op de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

D. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (minder dan 20%) Er is recht op de regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).

Arbeidsongeschikten voor 1 januari 2004 houden het recht op de oude WAO-regeling (2.2.5.2.).

Cursus Arbeidsrecht

 

A. Arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%

Voor de WIA is iemand pas vanaf 35% gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Beneden de 35% kan er geen aanspraak gemaakt worden op een WIA-regelingen. Werknemers die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn blijven zoveel mogelijk bij de werkgever in dienst. Er zal voor deze werknemers passende arbeid gezocht of gecreëerd dienen te worden. Is er geen passende arbeid in het eigen bedrijf aanwezig, dan kan de werkgever na de twee jaar arbeidsongeschiktheid een ontslagvergunning bij het UWV Werkbedrijf aanvragen. Wel dient er duidelijk aangetoond te worden dat gedurende de twee jaren van arbeidsongeschiktheid alles aan re-integratie is gedaan en er geen passende arbeid in het eigen bedrijf aanwezig is.

Na het ontslag hebben werknemers recht op een WW-uitkering (3.7.1.). Zij krijgen dan 70% van het dagloon uitgekeerd. De duur van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden. Is er gedurende de WW geen werk gevonden dan komen personen jonger dan 50 jaar in aanmerking voor de Wet werk en bijstand. Personen boven de 50 jaar hebben recht op de Inkomensvoorziening Oudere Arbeidsongeschikte Werknemers (IOAW).

B. Gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%.

Bij een arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80% spreekt de WIA van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Een gedeeltelijk arbeidsongeschikte heeft recht op de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) (art 54 WIA).

De WGA biedt een loongerelateerde uitkering. Bij niet werken bedraagt deze 70% van het laatstverdiende loon (dagloon). Aan dit laatstverdiende loon is wel een maximum verbonden van € 50.064,- per jaar, € 191,82 per dag (januari 2012). Wordt er wel of gedeeltelijk gewerkt, dan wordt dit loon dat de werknemer verdiend, van het oude loon afgetrokken. De Loongerelateerde uitkering bedraagt dan 70% van het verschil tussen het oude en nieuwe loon.

WGA-loongerelateerde uitkering

Nadere voorwaarde om voor de WGA-uitkering in aanmerking te komen is dat er van de 36 weken voor de dag van de arbeidsongeschiktheid, minimaal 26 weken gewerkt zijn (art 58 WIA). De duur van de loongerelateerde uitkering is net als de werkloosheidswet afhankelijk van het arbeidsverleden (art 59 WIA).

Na het aflopen van de loongerelateerde uitkering bestaat er recht op een WGA-loonaanvulling of een WGA-vervolguitkering.

WGA- loonaanvulling (> 50 % werken)

Na afloop van de WGA-loongerelateerde uitkering, geniet het de voorkeur dat de medewerker meer dan 50 % van de resterende mogelijkheden benut. Dat betekent derhalve dat degene van het deel waarvoor men geacht wordt nog te kunnen werken, minimaal 50% benut. In dat geval bestaat er recht op de WGA-loonaanvulling. Boven op het salaris dat degene verdient, krijgt degene een aanvulling. Deze aanvulling is 70 % van het verschil tussen het nieuwe loon en het het oude loon (voor de arbeidsongeschiktheid. Ligt het oude loon boven het maximum dagloon (€ 191,82 per dag), dan wordt het meerdere niet meegerekend (art 61 WIA).

Wordt deze norm van 50% waarvoor men geacht wordt nog te kunnen werken niet meer gehaald dan vervalt het recht op de WGA–loonaanvulling. Dan geldt een WGA-vervolguitkering. Deze is beduidend lager.

WGA-vervolguitkering (< 50 % werken)

Bij het niet (meer) behalen van de minimale 50% resterende verdiencapaciteit, rest er een lagere uitkering die is gebaseerd op een percentage van het minimumloon (art 62 WIA). Deze WGA-vervolguitkering is ingedeeld in vier arbeidsongeschiktheidsklassen met daarbij behorende uitkeringspercentages:

Mate van arbeidsongeschiktheid Uitkeringspercentage van minimumloon

35 – 45 % 28 %

45 – 55 % 35 %

55 – 65 % 42 %

65 – 80 % 50,75 %

In de WGA-vervolguitkering wordt er niet meer gekeken naar het oude loon (dagloon). Bij geen of niet voldoende inkomen (minder dan de 50%-norm), is er recht op een aanvulling naar mate van arbeidsongeschiktheid. Dit levert een lage uitkering op. Deze wordt niet aangevuld met een WW-uitkering.

Jaarlijks wordt het recht op de uitkering bekeken. Zowel de WGA-loonaanvulling als ook de WGA-vervolguitkering kunnen duren totdat de 65-jarige leeftijd bereikt wordt. In situaties waar men onder het sociaal minimum terechtkomt is er recht op toeslagen volgens de Toeslagenwet.

C. Volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt (meer dan 80 %)

Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als het arbeidsongeschiktheidspercentage 80% of hoger is. Deze arbeidsongeschikt is niet duurzaam als er nog wel een mogelijkheid is om te werken. Arbeidsongeschiktheid is evenmin duurzaam als verwacht wordt dat er binnen 5 jaar wel weer een redelijke kans is op werkmogelijkheden.

Bij niet duurzame volledige arbeidsongeschiktheid bestaat er recht op de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA), zie hierboven. Na de WGA-loongerelateerde uitkering, is er steeds recht op de WGA-loonaanvulling. Er vindt geen inkomenstoetsing plaats en het is niet van belang of betrokkene wel voldoende werkt. Betrokkene krijgt 70% van het laatstverdiende loon, evenwel niet meer dan 70 % van de loongrens van € 50.064,- (vanaf 1 januari 2012) per jaar.

Neemt de arbeidsgeschiktheid af en degene wordt duurzaam volledig arbeidsongeschikt, dan komt de betrokkene alsnog in de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).

D. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (meer dan 80%)

Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake bij een arbeidsongeschiktheid van minimaal 80%. Is er geen wezenlijke kans op herstel en is er ook geen enkele mogelijkheid tot werken, dan komt betrokkene in aanmerking voor de regeling Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA). De IVA kent een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon tot 65-jarige leeftijd. Het laatstverdiende loon is gemaximeerd op de loongrens van € 50.064,- per jaar. Is er nog wel een mogelijkheid om te werken, maar de 20% van het laatstverdiende loon wordt of kan niet worden gehaald, dan is er geen recht op een IVA-uitkering, maar op de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

Herleven WGA-uitkering

De WGA-uitkering kan eindigen, in het bijzonder als een medewerker door herstel minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Wordt degene later weer meer dan 35 % arbeidsongeschikt door dezelfde oorzaak, dan komt degene voor herleving van de WGA-uitkering in aanmerking.

Verder zoeken

Deze pagina is onderdeel van hoofdstuk 2 over veranderingen die zich in een dienstverband kunnen voordoen. U vindt hierin informatie over:

2.1. Verandering functie, vestigingsplaats, arbeidsduur, etc.

2.2. Ziekte en arbeidsongeschiktheid van de werknemer

2.3. Misdragingen, disciplinaire maatregelen (o.a. schorsing, waarschuwing)

2.4. Verlof (o.a. zwangerschap, zorgverlof, ouderschapsverlof).

2.5. Non-actief stellen van werknemers door de werkgever

2.6. (on)gelijke behandeling / discriminatie

2.7. Aansprakelijkheid voor schade van de werknemer of werkgever

2.8. Overgang van de onderneming en gevolgen voor het arbeidscontract

2.9. Overnemen van arbeidsovereenkomsten

2.10. Staking en andere collectieve acties

2.11. Conflicten tussen medewerkers onderling

Zoekt u een ander onderwerp, zie dan onze trefwoorden of inhoudsopgave.