| Arbeidsrechter.nl |
WERKLOOSHEIDSWET
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
§ 1. Algemeen
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 2a vervallen
§ 2. De werknemer
Artikel 3
Artikel 3a
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 6a vervallen
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 8a
§ 3. De werkgever
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
§ 4. Het loon
Artikel 14
HOOFDSTUK II. DE UITKERING BIJ WERKLOOSHEID
§ 1. De voorwaarden voor het recht op uitkering
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 16a
Artikel 17
Artikel 17a
Artikel 17b
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 19avervallen
Artikel 20
Artikel 21
§ 2. Het geldend maken van het recht op uitkering
Artikel 22
Artikel 22a
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 27a
Artikel 27b
Artikel 27c
Artikel 27d
Artikel 27e
Artikel 27f
Artikel 27g
Artikel 27h
Artikel 28
Artikel 29
§ 3. De betaling van de uitkering
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 33
Artikel 34
Artikel 34a
Artikel 35
Artikel 35a
Artikel 35aa
Artikel 35b
Artikel 35c vervallen
Artikel 36
Artikel 36a
Artikel 36b
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 39
Artikel 39a vervallen
Artikel 40
Artikel 41
Artikel 41a vervallen
§ 4. De duur van de uitkering
Artikel 42
Artikel 42a
Artikel 42b
Artikel 43
§ 5. De hoogte van de uitkering
Artikel 44
Artikel 45
Artikel 46
Artikel 47
Artikel 48 vervallen
Artikel 49 vervallen
Artikel 50 vervallen
Artikel 51 vervallen
Artikel 52 vervallen
HOOFDSTUK III. DE VRIJWILLIGE VERZEKERING VAN UITKERING BIJ WERKLOOSHEID
Artikel 53
Artikel 54
Artikel 55
Artikel 56
Artikel 56a
Artikel 57
Artikel 58
Artikel 59
Artikel 60
HOOFDSTUK IV. OVERNEMING VAN UIT DE DIENSTBETREKKING VOORTVLOEIENDE VERPLICHTINGEN BIJ ONMACHT VAN DE WERKGEVER TE BETALEN
Artikel 61
Artikel 62
Artikel 63
Artikel 64
Artikel 65
Artikel 66
Artikel 67
Artikel 68
HOOFDSTUK V. vervallen
Artikel 69 vervallen
Artikel 70 vervallen
Artikel 71 vervallen
HOOFDSTUK VI. REÏNTEGRATIEMAATREGELEN
Artikel 72
Artikel 72a
Artikel 73
Artikel 74 vervallen
Artikel 75
Artikel 76
Artikel 76a
Artikel 77
Artikel 77a
Artikel 78
HOOFDSTUK VII. VERHAAL
Artikel 79
Artikel 80
Artikel 81
HOOFDSTUK VIII. DE UITVOERINGSORGANISATIE
Artikel 98
Artikel 99
Artikel 100 vervallen
Artikel 101
Artikel 102 vervallen
Artikel 103 vervallen
Artikel 104 vervallen
Artikel 105
Artikel 106 vervallen
Artikel 107 vervallen
Artikel 108 vervallen
Artikel 109 vervallen
Artikel 110 vervallen
HOOFDSTUK IX. BEPALINGEN VAN PROCEDURELE AARD
Artikel 111
Artikel 112 vervallen
Artikel 113 vervallen
Artikel 114 vervallen
Artikel 114a vervallen
Artikel 115 vervallen
Artikel 116
Artikel 117 vervallen
Artikel 118 vervallen
Artikel 119 vervallen
Artikel 120 vervallen
Artikel 121 vervallen
Artikel 122 vervallen
Artikel 123 vervallen
Artikel 124 vervallen
Artikel 125 vervallen
HOOFDSTUK X. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN BEROEP IN CASSATIE
Artikel 126
Artikel 127
Artikel 127a
Artikel 127b vervallen
Artikel 128
Artikel 129
Artikel 129a
Artikel 129b
Artikel 129c
Artikel 129d
HOOFDSTUK XA. EXPERIMENTEN
Artikel 130
Artikel 130a vervallen
Artikel 130b vervallen
Artikel 130c vervallen
Artikel 130d vervallen
Artikel 130e vervallen
Artikel 130f vervallen
HOOFDSTUK XB. OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 130g
Artikel 130h
Artikel 130i
Artikel 130j
Artikel 130k
Artikel 130l
Artikel 130m
Artikel 130n
Artikel 130o
Artikel 130q
HOOFDSTUK XI. STRAF- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 131
Artikel 132
Artikel 133 vervallen
Artikel 134 vervallen
Artikel 135
Artikel 135a
Artikel 135b
Artikel 136
Artikel 137
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
§ 1. Algemeen
Artikel 1 (WW)
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. sectorfonds: een sectorfonds als bedoeld in artikel 94 van de Wet financiering
sociale verzekeringen;
d. Algemeen Werkloosheidsfonds: het Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 93
van de Wet financiering sociale verzekeringen;
e. lichamen: rechtspersonen, maat en vennootschappen,
samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen
maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen
van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
f. sector: een sector als bedoeld in artikel 95 van de Wet financiering
sociale verzekeringen;
g. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een
gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin
de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
h. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.
I. overheidswerkgever:
1°. het orgaan van een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, van de WPA, dan wel een privaatrechtelijk lichaam
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b tot en met e, van die wet,
zoals die bepalingen luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen, dat de overheidswerknemer
rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont;
2°. een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel f, van de WPA of artikel 2, derde lid, van die wet, zoals die
bepalingen luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang
van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, dat zowel op die dag als op dat tijdstip op
grond van een van die bepalingen is aangewezen als lichaam waarvan de
werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP, en dat de
overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of
beloont;
3°. Onze Minister van Defensie in relatie tot de in artikel 2, tweede lid,
onderdeel f, van de WPA uitgezonderde personen, zoals die bepaling
luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2,
bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen;
j. overheidswerknemer;
1°. de overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de WPA zoals die
bepaling luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van
fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, jonger dan 65 jaar;
2°. de beroepsmilitair in de zin van de Algemene militaire pensioenwet,
jonger dan 65 jaar;
3°. degene die door de Koning in dienst is genomen om bij de
Koninklijke Hofhouding werkzaam te zijn en die uit dien hoofde onder de
Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van
het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau
valt, jonger dan 65 jaar;
k. Uitvoeringsfonds voor de overheid: het Uitvoeringsfonds voor de overheid,
genoemd in artikel 106 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
l. reïntegratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van
personen in de arbeid bevordert.
m. CWI: de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
Artikel 2 (WW)
1. Waar een natuurlijk persoon woont en waar een lichaam gevestigd
is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen,
die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel
van Nederland.
Artikel 2a (WW) Vervallen
§ 2. De werknemer
Artikel 3 (WW)
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in
privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als
werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever
eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep
of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger
heeft; of
b. in Nederland een of meer personen in dienst heeft en hij door of
vanwege Onze Minister als werkgever is aangewezen, wordt hij voor de
toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland
wonende of gevestigde werkgever.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt niet als werknemer
beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf
houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l,
van de Vreemdelingenwet 2000.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald, dat:
a. personen, die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden
beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen;
b. personen, die in Nederland wonen, ook als werknemer worden
beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste,
tweede en derde lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen, op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering
tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid van de Nederlandse Antillen,
van Aruba, van een andere mogendheid, of van een volkenrechtelijke
organisatie; en
c. personen, die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in
Nederland werkzaam zijn.
6. Bij een maatregel, als bedoeld in het vijfde lid, kan worden
afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan
wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de
zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000,
rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g
of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 3a (WW)
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als werknemer beschouwd de persoon van wie de verzekering
op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van
een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als werknemer beschouwd de persoon op wie op grond
van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de
wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Artikel 4 (WW)
1. Als dienstbetrekking wordt mede beschouwd de arbeidsverhouding
van de persoon die:
a. anders dan als zelfstandige en anders dan als thuiswerker, op grond van een
overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. de in onderdeel a bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
c. krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling
verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te
bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend
voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem
bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans door niet meer dan
twee andere personen laat bijstaan;
d. krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling
verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te
bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde
bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het van die bemiddeling niet
een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans door
niet meer dan twee andere personen laat bijstaan;
e. (vervallen)
f. als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op
een aandeel in de besomming, tenzij hij:
1°. als zodanig tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid is
verzekerd bij het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij; of
2°. exploitant of mede-exploitant van het vaartuig is;
g. zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst
vervult;
h. degene, die als bestuurder werkzaam is ten behoeve van een
coöperatie die met haar leden uitsluitend arbeidsovereenkomsten als
bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
sluit, indien hij lid is van de coöperatie en deze blijkens haar statuten en
met inachtneming van de vereisten gesteld in het derde lid en krachtens
het vierde lid kan worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
2. Het eerste lid, onderdeel a en b, blijft buiten toepassing, indien de in
onderdeel a bedoelde overeenkomst rechtstreeks is aangegaan met een
natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
3. Een coöperatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, dient te
voldoen aan de vereisten, dat:
a. doorgaans ten minste twee derde deel van het aantal personen met
wie de coöperatie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van
de coöperatie is;
b. het lidmaatschap van de coöperatie door ieder van de in onderdeel a
bedoelde personen onder dezelfde voorwaarden kan worden verkregen
en voorwaarden van geldelijke aard geen wezenlijke belemmering
vormen voor de verkrijging van het lidmaatschap;
c. de leden van de coöperatie ieder één stem hebben;
d. de arbeidsvoorwaarden van de leden van de coöperatie niet
wezenlijk verschillen van hetgeen gebruikelijk is bij gelijksoortige
ondernemingen in de desbetreffende sector;
e. een lid van de coöperatie behoudens in geval van liquidatie van de
coöperatie, bij beëindiging van zijn lidmaatschap ten hoogste aanspraak
kan maken op het door hem uit hoofde van een geldelijke voorwaarde als
bedoeld in onderdeel b, hetzij uit anderen hoofden aan de coöperatie
betaalde bedrag, herrekend naar geldontwaarding.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
waarbij de in het derde lid genoemde vereisten
a. nader worden bepaald;
b. worden aangevuld met andere vereisten op grond waarvan de
coöperatie kan worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder zelfstandige
verstaan de persoon die:
a. in Nederland woont en die belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld
in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming
niet voor eigen rekening feitelijk drijft; of
b. niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming
geniet als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij
hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
c. directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onderdeel d, en het werk tot stand brengt uitsluitend voor rekening en risico
van de onderneming van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
Artikel 5 (WW)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld, op grond waarvan eveneens als dienstbetrekking wordt
beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die:
a. als thuiswerker arbeid verricht;
b. de in onderdeel a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de
arbeid bijstaat;
c. als musicus of anderszins als artiest optreedt of als beroep een tak
van sport beoefent; en
d. tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding
niet reeds op grond van dit artikel en de artikelen 3 en 4 als
dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermee maatschappelijk gelijk
kan worden gesteld.
Artikel 6 (WW)
1. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding
van de persoon:
a. die minister, staatssecretaris, Nationale ombudsman, substituut-ombudsman,
lid van gedeputeerde staten of wethouder, waaronder begrepen een lid van het
dagelijks bestuur van een deelgemeente, is;
b. die als vrijwilliger werkzaamheden verricht als politiebeambte,
alsmede van degene die als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden
verricht bij de gemeentelijke brandweer;
c. die ten behoeve van de natuurlijke persoon, tot wie hij in dienstbetrekking
staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten
in diens huishouding verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie
dagen per week verricht;
d. die directeur-grootaandeelhouder is;
e. indien degene met wie hij de arbeidsverhouding heeft, met betrekking tot
die arbeidsverhouding op grond van artikel 6a van de Wet op de loonbelasting
1964 niet als inhoudingsplichtige wordt beschouwd;
f. die als vrijwilliger als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op
de loonbelasting 1964, uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen als bedoeld
in dat lid ontvangt met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per
maand en € 1 500 per kalenderjaar.
2. Het eerste lid is alleen van toepassing op de aldaar bedoelde
arbeidsverhoudingen.
3. Door Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt verstaan.
Artikel 6a (WW) Vervallen
Artikel 7 (WW)
1. Tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op
voordracht van Onze Minister tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip
wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
2. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor groepen van
overheidswerknemers verschillend worden vastgesteld.
3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid, kunnen nadere en, zo nodig, van deze wet afwijkende regels
worden gesteld.
Artikel 8 (WW)
1. Een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de
hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden
verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer
wordt beschouwd.
2. Een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het
verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep, herkrijgt bij beëindiging van die
werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer,indien de werkzaamheden worden
beëindigd binnen een periode die gelijk is aan de uitkeringsduur, danwel
binnen anderhalf jaar, indien de uitkeringsduur korter is dan anderhalf jaar.
3. Een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten
van werkzaamheden als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal,
van een vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk
lichaam, dat bij rechtstreekse verkiezing wordt samengesteld, of van een
algemeen bestuur van een waterschap, herkrijgt bij beëindiging van die
werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, voor zover die
beëindiging plaatsvindt binnen het tijdvak van de bij de aanvang van die
werkzaamheden voor die persoon nog geldende uitkeringsduur krachtens
deze wet.
4. Onverminderd het tweede en derde lid herkrijgt de persoon na afloop
van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden de hoedanigheid van
werknemer, indien deze niet langer hebben geduurd dan zes maanden.
Artikel 8a (WW)
Degene die op grond van de verplichte verzekering op grond van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
een uitkering ontvangt verliest de hoedanigheid van werknemer indien hij niet in
Nederland woont.
§ 3. De werkgever
Artikel 9 (WW)
Werkgever is de overheidswerkgever onderscheidenlijk de natuurlijke persoon tot wie
of het lichaam tot welk eenof meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.
Artikel 10 (WW)
Als werkgever wordt beschouwd:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene, met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
f: de exploitant of mede-exploitant van het vaartuig;
g: Onze Minister van Defensie of Onze Minister;
h: de coöperatie;
b. in de gevallen, bedoeld in artikel 5, onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene, met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene, die bij de in artikel 5 bedoelde algemene maatregel van
bestuur als werkgever wordt aangewezen.
Artikel 11 (WW)
1. Het UWV wordt als werkgever beschouwd in de gevallen waarin:
a. ziekengeld wordt betaald op grond van de verplichte verzekering krachtens de Ziektewet;
b. uitkering wordt betaald op grond van de verplichte verzekering of hoofdstuk IV van deze wet;
c. uitkering wordt betaald op grond van de verplichte verzekering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1,
van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde,
bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet;
e. geen ziekengeld wordt betaald op grond van artikel 29, eerste lid, maar wel een
toeslag op grond van de Toeslagenwet.
2. Ingeval het UWV de uitkering of toeslag, bedoeld in het eerste lid, vermeerderd met de
daarover door de werkgever verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46
van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 9, 10 of 12,
teneinde deze uitkering door
diens tussenkomst te doen uitbetalen, treedt voor de toepassing van het eerste lid,
deze in de plaats van het UWV, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
3.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de door de werkgever verschuldigde
premies, bedoeld in het tweede lid, nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.
Artikel 12 (WW)
Onze Minister is bevoegd, in afwijking van de artikelen 9 en 10, andere
dan de aldaar bedoelde personen of lichamen aan te wijzen als werkgever
ten aanzien van de persoon die:
a. krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen
daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die
ander;
b. een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een
tak van sport beoefent.
Artikel 13 (WW)
De werkgever is verplicht de werknemer de gelegenheid te geven tot
het uitoefenen van de hem op grond van deze wet of de daarop berustende
bepalingen toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de
hem op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen
opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden
en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd
kan geschieden.
§ 4. Het loon
Artikel 14 (WW)
1. Loon is het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
2. Minimumloon is het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft,
het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid,
en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag,
bedoeld in artikel 15 van die wet, en vervolgens gedeeld door 21,75.
3. Loon, door verschillende personen te zamen onverdeeld ontvangen,
wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder
van hen voor een gelijk deel te zijn ontvangen.
HOOFDSTUK II. DE UITKERING BIJ WERKLOOSHEID
§ 1. De voorwaarden voor het recht op uitkering
Artikel 15 (WW)
Met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop
berustende bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op
loongerelateerde uitkering.
Artikel 16 (WW)
1. Werkloos is de werknemer die:
a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren,
de artikelen 94 tot en met 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling van overeenkomstige toepassing. alsmede het recht op onverminderde
doorbetaling van zijn loon over die uren; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek
wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken
onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van
arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.
Indien de werknemer minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft
verloren, wordt bij de bepaling van het aantal arbeidsuren, bedoeld in de
eerste volzin, mede in aanmerking genomen het aantal uren waarin de
werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week werkzaamheden
heeft verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt
beschouwd. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalenderweken,
bedoeld in de eerste en tweede zin, worden weken, tot een maximum van
78 weken, waarin de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, niet in
aanmerking genomen, tenzij dit leidt tot een lager aantal uren dan
wanneer die weken wel in aanmerking zouden worden genomen.
3. Met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in
het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht
heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag
aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door
opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd.
Onder inkomsten als bedoeld in de eerste zin wordt niet verstaan een door de
rechter toegewezen vergoeding van proceskosten. Onder de rechtens geldende termijn,
bedoeld in de eerste zin, wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer
op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot
en met 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling
van een soortgelijke regeling ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen.
In geval de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden wordt onder de
rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin, verstaan de termijn die de werkgever
op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en
met 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van
een soortgelijke regeling bij opzegging in acht behoort te nemen. Het in de eerste zin
bedoelde bedrag wordt:
a. indien de dienstbetrekking door opzegging is geëindigd, toegerekend
aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de dienstbetrekking
is opgezegd;
b. indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend
aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding;
c. indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden,
toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging
schriftelijk is overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke beëindigingsovereenkomst,
aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd.
Indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever,
is artikel 672 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en met 97
van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke
regeling van overeenkomstige toepassing.
4. Het derde lid vindt geen toepassing indien de werkgever na het einde
van de dienstbetrekking verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61,
eerste lid, en voorzover de werknemer als gevolg van die toestand de in
het derde lid bedoelde inkomsten niet ontvangt.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
eerste en het tweede lid regels worden gesteld:
a. omtrent de berekening van het verlies van arbeidsuren bij een
opeenvolgend verlies van arbeidsuren, waarbij andere perioden voor de
berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren in aanmerking kunnen
worden genomen;
b. waarbij voor bepaalde groepen werknemers een kortere of langere
periode voor de berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren geldt.
6. Het UWV is bevoegd ten aanzien van groepen van werknemers die in de regel meer dan 50 uren
per kalenderweek werken, bij verlies van arbeidsuren uit een dienstbetrekking,
waarin over de laatste 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het
verlies van arbeidsuren gemiddeld meer dan 50 uren is gewerkt, voor de toepassing van het
tweede lid te bepalen welk aantal uren ten hoogste in aanmerking wordt genomen.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het tweede lid. Deze
regels hebben betrekking op:
a. de gelijkstelling van uren waarin geen arbeid is verricht met
arbeidsuren en het buiten beschouwing laten van uren waarin arbeid is
verricht;
b. de berekening van het verlies van arbeidsuren met betrekking tot
wisselende arbeidspatronen.
8. In afwijking van het eerste lid is tevens werkloos de werknemer die voldoet
aan het eerste lid, onderdeel a, doch niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel b,
wegens het enkele feit dat hij voorafgaand aan of aansluitend op het arbeidsurenverlies
deelneemt of gaat deelnemen aan een naar het oordeel van het UWV noodzakelijke opleiding
of scholing, als bedoeld in artikel 76. Voor de toepassing van artikel 16a, tweede lid,
wordt een werknemer op wie de eerste volzin van toepassing is beschouwd als een werknemer
die voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid.
9. In afwijking van het eerste lid is tevens werkloos de werknemer die voldoet aan het
eerste lid, onderdeel b, doch niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel a, uitsluitend
vanwege het feit dat hij recht heeft op onverminderde doorbetaling van loon en de werkgever
dit loon niet voldoet omdat hij verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61.
De eerste zin vindt slechts toepassing gedurende de periode dat de voor de werknemer
rechtens geldende opzegtermijn langer duurt dan de opzegtermijn, bedoeld in artikel 64,
eerste lid, onderdeel b, en voorzover de werknemer direct voorafgaande aan deze periode
recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk IV over de opzegtermijn bedoeld in artikel 64,
eerste lid, onderdeel b.
10. Indien bij een beoordeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen is vastgesteld dat de werknemer voor een
geringer aantal uren belastbaar is dan gezonde personen met soortgelijke opleiding
en ervaring als bedoeld in artikel 1 van die wet, doch minder dan 35% arbeidsongeschikt is,
wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan: het aantal
uren dat die werknemer belastbaar is, tenzij dit leidt tot een hoger aantal uren.
11. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen is de maandag de eerste dag van de kalenderweek.
Artikel 16a (WW)
1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de
eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer uren,
alsmede een verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over
die uren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld
in artikel 16, eerste of achtste lid.
2. Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16,
eerste lid, niet wordt voldaan aan een van de overige in dat lid bedoelde voorwaarden,
of de werknemer geen recht op uitkering heeft op grond van artikel 19, wordt,
in afwijking van het eerste lid, voor de toepassing van deze wet en de daarop
berustende bepalingen als eerste werkloosheidsdag aangemerkt, de dag van de kalenderweek
waarop aan de overige voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan en artikel 19
niet meer aan het recht op uitkering in de weg staat.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is de eerste dag van werkloosheid
voor de werknemer, bedoeld in artikel 16, negende lid, de dag na het einde van de termijn,
bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 17 (WW)
Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 weken onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer
arbeid heeft verricht.
Artikel 17a (WW)
1. Voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 36 weken
worden niet in aanmerking genomen weken gedurende welke de werknemer:
a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten;
b. werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 en hij op grond van
dat artikel de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen;
c. wegens het genieten van onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht,
tot een maximum van 78 weken; of
d. geen arbeid heeft verricht maar wel recht op uitkering heeft op grond
van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg.
2. Voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 weken wordt
de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen, voor zover deze
betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden
en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de
plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder heeft geleid tot het ontstaan
van een recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk of op grond van hoofdstuk 7 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor bepaalde groepen werknemers
het in artikel 17 bedoelde aantal van 36 weken hoger worden vastgesteld en het
in dat onderdeel bedoelde aantal van 26 weken lager worden vastgesteld.
4. Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig in afwijking van het tweede lid,
regels worden gesteld omtrent de berekening van het in artikel 17 bedoelde aantal
van 26 weken. Deze regels hebben betrekking op:
a. de gelijkstelling van weken waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking
waaruit de werknemer werkloos is geworden met weken als bedoeld in artikel 17;
b. het meer keren in aanmerking nemen van weken waarin arbeid is verricht.
Artikel 17b (WW)
1. Indien in de kalenderweek na het ontstaan van een recht op uitkering ter zake
van gedeeltelijke werkloosheid uit een dienstbetrekking, een nieuw recht op uitkering
ontstaat ter zake van toegenomen werkloosheid uit dezelfde dienstbetrekking, of een
dienstbetrekking die voor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen,
worden beide rechten samengevoegd tot een recht.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing met betrekking tot een recht dat reeds
door samenvoeging van rechten is ontstaan.
Artikel 18 (WW)
1. De werknemer, die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval,
hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden heeft recht op uitkering
voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheden.
2. De artikelen 17 en 42, tweede lid, zijn niet van toepassing op de in het
eerste lid bedoelde werknemer.
Artikel 19 (WW)
1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:
a. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar
aard en strekking daarmee overeenkomt;
b. een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel een loongerelateerde uitkering
van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten ontvangt op grond van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
c. een uitkering ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een uitkering ontvangt
die naar aard en strekking met die uitkering overeenkomt;
d. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond
van dat hoofdstuk, die, al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, 70% of
meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
e. vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor bij of krachtens
collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feestdagen en verplichte snipperdagen,
heeft verkregen, over die dagen, tenzij deze vakantiebonnen of daarmee overeenkomende
aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit hoofdstuk,
dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering
is ontleend aan artikel 7 van die wet;
f. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie;
g. niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000;
h. rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
i. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt;
j. op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing
wegens gemoedsbezwaren heeft of wiens werkloosheid binnen 3 maanden na de datum van
intrekking van een zodanige ontheffing is aangevangen;
k. vakantie geniet;
l. werkloos is ten gevolge van werkstaking of uitsluiting, tenzij voor de werknemer
een ontheffing is verleend op grond van artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945;
m. een uitkering ontvangt op grond van de Wet arbeid en zorg.
2. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b, c of d niet
wordt betaald wegens voor de werknemer geldende wachtdagen of wegens enig handelen
of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt het niet betalen daarvan
voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
3. Geen recht op uitkering heeft de werknemer over een dag waarop zijn arbeid
wordt onderbroken uitsluitend doordat:
a. deze dag voor hem als rustdag geldt;
b. deze dag een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag is,
dan wel een kerkelijke feestdag, die ter plaatse waar de werknemer pleegt te werken,
algemeen als zodanig wordt gevierd.
4. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de werknemer die uitsluitend
uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit hij werkloos
is geworden in een omstandigheid verkeert als bedoeld in het eerste lid.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld:
a. met betrekking tot het begrip vakantie genieten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k;
b. met betrekking tot de vaststelling van de periode gedurende welke de werknemer,
in afwijking van het eerste lid, onderdeel k, met behoud van zijn recht op
uitkering vakantie kan genieten;
c. met betrekking tot het buiten aanmerking laten van vakantiebonnen en daarmee
overeenkomende aanspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
6. Onze Minister is bevoegd voor gevallen waarin toepassing van het eerste lid,
onderdeel a tot en met h, tot onbillijkheden zou kunnen leiden, regels te stellen op
grond waarvan kan worden afgeweken van het bepaalde in die onderdelen.
7. Het eerste lid, onderdeel h, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf
of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting,
een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
9. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op:
a. de werknemer, bedoeld in artikel 18, eerste lid;
b. de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend het gevolg is van verkorting van
de werktijd waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend, en
c. de werknemer wiens werkloosheid is ontstaan na het ontstaan van het recht op de
loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten
op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
10. In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, blijft het recht op uitkering bestaan
ten aanzien van de werknemer die buiten Nederland verblijf houdt anders dan wegens vakantie,
indien hij gedurende dat verblijf meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn
inschakeling in de arbeid als bedoeld in de hoofdstukken VI en XA, mits:
a. die activiteiten niet langer duren dan zes maanden;
b. die activiteiten blijkens een intentieverklaring een reëel uitzicht bieden op een
aansluitende dienstbetrekking voor ten minste zes maanden;
c. die activiteiten plaatsvinden in een lidstaat van de Europese Unie, in een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
of in Zwitserland; en
d. het bedrag dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is verschuldigd
terzake van die activiteiten niet hoger is dan het op grond van artikel 4.2, derde lid,
van het Besluit SUWI vastgestelde bedrag.
11. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder intentieverklaring verstaan:
een ondertekende verklaring waarin de ondertekenaar aangeeft dat hij het voornemen heeft
om een werknemer die meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling
in de arbeid als bedoeld in de hoofdstukken VI en XA, na afloop van die activiteiten in dienst te nemen.
Artikel 19a
(Vervallen)
Artikel 20 (WW)
1. Het recht op uitkering eindigt:
a. voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest;
b. voor zover de werknemer niet langer werkloos is;
c. indien ter zake van na het ontstaan van het recht verrichte arbeid een
nieuw recht op uitkering is ontstaan, voor zover het aantal arbeidsuren waarnaar
beide rechten samen zijn berekend, vermeerderd met het resterend aantal arbeidsuren per
kalenderweek, groter is dan het aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, voorafgaande aan
het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar het eerstgenoemde recht is berekend;
d. zodra de werknemer geen recht op uitkering heeft op grond van artikel 19;
e. zodra de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken.
2. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is eindigt het
recht op uitkering terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde
waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.
3. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is,
eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als
werknemer verricht dan wel ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar
is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren.
4. Zo nodig in afwijking van het derde lid eindigt het recht op uitkering geheel indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als werknemer verricht
dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft
van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16; of
b. beschikbaar is voor arbeid voor minder dan vijf en minder dan de helft van zijn
arbeidsuren, bedoeld in artikel 16.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het derde en vierde lid,
ter zake waarvan het recht op uitkering eindigt. Deze regels hebben betrekking op:
1°. het buiten beschouwing laten van uren waarin arbeid wordt verricht en de gelijkstelling
van uren waarin geen arbeid is verricht met uren waarin arbeid wordt verricht;
2°. de berekening van het aantal arbeidsuren met betrekking tot wisselende arbeidspatronen;
b. het geheel of gedeeltelijk eindigen van een recht op uitkering bij samenloop
van uitkeringen op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 21 (WW)
1. Indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid,
onderdeel a, b, c ofd, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de
omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan,
herleeft het recht op uitkering met inachtneming van het tweede lid,
de in artikel 8 en het derde lid genoemde termijnen en de op grond van het vierde lid gestelde regels,
voor zover geen nieuw recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk bestaat.
2. In afwijking van het eerste lid herleeft een recht dat geheel geëindigd is niet, indien:
a. het recht op uitkering dat zou herleven een omvang zou hebben van minder
dan één arbeidsuur per kalenderweek;
b. een nieuw recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk is ontstaan uit een
volledige dienstbetrekking en het verschil tussen het geëindigde recht en het
nieuwe recht minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek bedraagt;
c. na de dag waarop het recht dat zou herleven geheel geëindigd is, een jaar
is verstreken en het recht dat zou herleven een omvang zou hebben van minder
dan vijf arbeidsuren per kalenderweek;
d. artikel 59, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toepassing heeft gevonden.
3. Een recht op uitkering dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd:
a. wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, h of k; of
b. op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel b, als gevolg van het niet kunnen
voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, wegens andere
omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid of het volgen van scholing of opleiding,
terzake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
onderdelen a, b, c of d; of
c. wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden, kan, ook indien deze
omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de periode tussen de
eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier
bedoeld niet langer is dan zes maanden.
4. Bij ministeriële regeling kan worden geregeld dat het derde lid buiten toepassing
blijft voor categorieën van werknemers.
§ 2. Het geldend maken van het recht op uitkering
Artikel 22 (WW)
1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op uitkering bestaat.
2. Een aanvraag is gericht tot het UWV en wordt overeenkomstig artikel 28 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij de CWI.
Na de overdracht van de aanvraag door de CWI aan het UWV ingevolge artikel 28, derde lid,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder behandeld door het UWV.
3. Op de toekenning en de beëindiging van een uitkering als bedoeld in artikel 18 of van
een uitkering die verband houdt met een verleende ontheffing op grond van artikel 8, derde lid,
van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 zijn de artikelen 3:40 en 3:45
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing, indien redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat aan de bekendmaking van de beschikking geen behoefte bestaat.
4. Verzoekt de belanghebbende binnen een redelijke termijn echter om bekendmaking van de in
het derde lid bedoelde beschikking, dan wordt deze zo spoedig mogelijk verstrekt.
5. Indien het een aanvraag betreft tot toekenning van een uitkering op grond van artikel 18
of artikel 61 dan wel van uitkering die verband houdt met een verleende ontheffing op grond
van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, wordt,
in afwijking van het tweede lid, de aanvraag ingediend bij het UWV.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat categorieën
van aanvragen om uitkering, in afwijking van het tweede lid en artikel 26, eerste lid,
onderdeel b, bij het UWV in plaats van de CWI worden ingediend.
Artikel 22a (WW)
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking
van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering,
herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van
artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25
ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 23 (WW)
1. De intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het door
de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt niet eerder plaats dan de dag
volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan.
De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het
bezwaar of beroep omdat het UWV geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het
bezwaar of beroep van de werkgever.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van
de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 24 (WW)
1. De werknemer voorkomt dat hij:
a. verwijtbaar werkloos wordt;
b. werkloos is of blijft, doordat hij:
1°. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
2°. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen
toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
3°. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of
4°. in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden
of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:
a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van
artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake
een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat
aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
3. Als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid
die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om
redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.
Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip
passende arbeid, bedoeld in het eerste en derde lid.
5. De werknemer is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten
het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid
niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet
begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25.
6. Het niet voeren van verweer door de werknemer tegen of het instemmen van de werknemer
met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet
tot overtreding van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onderdeel a, of het vijfde lid.
7. Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
het eerste lid, onderdeel b, onder 3°.
8. Onze Minister is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde groepen werknemers
worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid,
onderdeel b, onder 1°, 2° en 4°, opgelegd.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan aan werknemers in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend
van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° of 4°, opgelegd.
Artikel 25 (WW)
De werknemer is verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging
alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het
recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering
dat aan de werknemer wordt betaald. Deze verplichting geldt niet, voor zover een recht op
uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een blijvend gehele weigering.
Artikel 26 (WW)
1. De werknemer is verplicht:
a. uiterlijk de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid bij de CWI
aangifte te doen van zijn werkloosheid;
b. binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij de CWI
een aanvraag om een uitkering in te dienen;
c. de voorschriften op te volgen die het UWV ten behoeve van een doelmatige controle stelt;
d. zich als werkzoekende bij de CWI te laten registreren en die registratie tijdig te doen
verlengen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, derde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid,
bedoeld in de hoofdstukken VI en XA;
f. mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor zijn
inschakeling in de arbeid, beschikbaar te zijn voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand en mee te werken aan het
verkrijgen van die voorzieningen;
g. mee te werken aan een voor hem gewenst onderzoek naar zijn arbeidsgeschiktheid door
een arts, een psycholoog of een beroepskeuze-adviseur;
h. te voldoen aan de andere voorwaarden die het UWV op grond van artikel 101, tweede lid, stelt;
i. de hem op grond van hoofdstuk VI opgelegde verplichtingen na te komen; en
j. de voorschriften op te volgen die het UWV stelt in verband met het genieten van vakantie
tijdens de duur van de uitkering;
k. mee te werken aan het opstellen van de reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a,
eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en het reïntegratieplan,
bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet;
l. te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie,
bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
en het reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet;
m. indien de belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn reïntegratieverplichtingen
niet naleeft, de reden daarvan niet onmiddellijk aan het reïntegratiebedrijf heeft medegedeeld.
2. Het UWV is bevoegd regels te stellen met betrekking tot het tijdstip van registratie,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
3. Onze Minister is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde groepen werknemers worden
vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdelen d, f of g, opgelegd.
4. Indien het een aangifte van werkloosheid betreft als bedoeld in artikel 18 of artikel 61 dan
wel aangifte van werkloosheid die verband houdt met een verleende ontheffing op grond
van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, wordt,
in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de aangifte gedaan bij het UWV.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat categorieën van
aangiften van werkloosheid, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a,
bij het UWV in plaats van de CWI worden gedaan.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan aan werknemers in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend
van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdelen d, f of g, opgelegd.
Artikel 27 (WW)
1. Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid,
onderdeel a, of onderdeel b, onder 3° opgelegd, niet is nagekomen, weigert het UWV de uitkering
blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate
kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage
te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.
2. Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b,
onder 2°, opgelegd, niet is nagekomen, weigert het UWV de uitkering blijvend over het aantal uren
waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan indien de werknemer de
betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.
3. Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van de artikelen 24, eerste lid,
onderdeel b, onder 1° of 4°, of vijfde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen,
dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 25 of de artikelen 28, tweede lid, en 29,
eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet binnen de
door het UWV, onderscheidenlijk de CWI daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, weigert
het UWV, de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.
4. Een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging
en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een
maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
5. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, of de
artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen
van uitkering, of indien de werknemer zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 26,
eerste lid, onderdelen a, b of d, kan het UWV afzien van het opleggen van een maatregel als
bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing
ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de
voorschriften, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden
aan de voorschriften, plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de
datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten van het opleggen
van een maatregel af te zien.
7. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging
een boete als bedoeld in artikel 27a wordt opgelegd.
8. Het UWV stelt nadere regels met betrekking tot het derde en vierde lid.
Artikel 27a (WW)
1. Indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 25 van deze wet
of artikel 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het UWV hem een boete op van
ten hoogste € 2 269.
2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden
waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien,
indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld
in artikel 25 van deze wet of artikel 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet heeft geleid tot het
ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, kan het UWV afzien
van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven
van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een
zodanige waarschuwing is gegeven.
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten van het opleggen
van een boete af te zien.
5. Degene aan wie een boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen
te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
6. Voorzover de boete nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan
wie zij is opgelegd.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking
tot het eerste en het tweede lid.
Artikel 27b (WW)
1. Indien het UWV jegens de werknemer een handeling verricht waaraan deze
in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde
gedraging een boete zal worden opgelegd, is de werknemer niet langer verplicht
terzake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft
de boeteoplegging. De werknemer wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem
mondeling om informatie wordt gevraagd.
2. Indien het UWV voornemens is om aan de werknemer een boete op te leggen,
wordt hiervan kennis gegeven aan de werknemer onder vermelding van de gronden
waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld
in het eerste lid.
3. Op verzoek van de werknemer die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving
wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt het UWV er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde
gronden aan de werknemer worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het
UWV de werknemer in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn
zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
5. Indien de werknemer zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het
UWV er op verzoek van de werknemer die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de werknemer kan bijstaan, tenzij
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Artikel 27c (WW)
1. Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd vermeldt de termijn of de
termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het
besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 27g zal
worden tenuitvoergelegd.
2. Op verzoek van de werknemer die het in het eerste lid bedoelde besluit
wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt het UWV er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde
informatie aan de werknemer wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid.
Artikel 27d (WW)
1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht
door het openbaar ministerie.
2. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter
zake van de gedraging tegen de werknemer een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen,
dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van
het Wetboek van Strafrecht.
3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in
het eerste en het tweede lid mededeling aan het UWV.
Artikel 27e (WW)
1. Een boete wordt opgelegd binnen een jaar nadat het UWV de werknemer
overeenkomstig het bepaalde in artikel 27b, vierde lid, in de gelegenheid heeft
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien terzake aangifte is
gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden vangt de termijn van een
jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan het UWV heeft
medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren
nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Artikel 27f (WW)
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld
ook ten nadele van de werknemer wijzigen.
Artikel 27g (WW)
1. Het besluit waarbij een boete is opgelegd levert een executoriale titel
op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet,
de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairenof de Wet arbeid en zorg of een toeslag op
grond van de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd
tenuitvoergelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
of de Wet werk en inkomen kunstenaars, betaalt de Sociale verzekeringsbank, onderscheidenlijk
de betrokken gemeente het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig
is van hem, op zijn verzoek aan het UWV.
4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede
of derde lid ontvangt, of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing
van het tweede of derde lid niet mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd
bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en tenuitvoergelegd.
5. De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd vindt plaats
met toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van het
tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
6. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
7. Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door het UWV op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, welke derden verschuldigd zijn of
worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g,
behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan de raad
voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het UWV.
8. De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig
dat de werknemer blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld
in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
9. Het achtste lid geldt niet, zolang de werknemer zijn verplichting bedoeld in
artikel 27a, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
Artikel 27h (WW)
Indien het UWV de werknemer de uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blijvend,
geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een boete heeft opgelegd, stelt
het UWV het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden
gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op
inschakeling in arbeid verricht, van dat besluit in kennis voorzover dat noodzakelijk
is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.
Artikel 28 (WW)
Indien het UWV een maatregel als bedoeld in artikel 27 heeft opgelegd,
zet het in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in
artikel 21 een weigering van de uitkering voort.
Artikel 29 (WW))
Bij een besluit tot herziening van de uitkering wordt mededeling gedaan van
de herziening en, in een bijlage, van de op die herziening betrekking hebbende
gewijzigde rechten en plichten van de werknemer.
§ 3. De betaling van de uitkering
Artikel 30 (WW)
1. Het UWV betaalt de uitkering zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
een maand nadat het het recht op die uitkering heeft vastgesteld.
2. Het UWV schort de betaling van de uitkering op of schorst de betaling,
indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft, dat:
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering bestaat; of
c. de werknemer een verplichting, hem op grond van de artikelen 24, 25 of 26
van deze wet of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen opgelegd, niet is nagekomen.
3. Indien een reïntegratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden
bestaat dat een persoon aan wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend onvoldoende
medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf,
neemt het UWV een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de
betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
4. Het UWV stelt het reïntegratiebedrijf in kennis van een besluit tot opschorting of
schorsing als bedoeld in het derde lid.
5. De uitkering wordt uitbetaald over 5 dagen per week.
Artikel 31 (WW)
1. Het UWV kan een uitkering over een door hem te bepalen tijdvak als voorschot betaalbaar
stellen, indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering of de
hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Een verleend voorschot wordt verrekend met
het definitief vastgestelde bedrag aan uitkering dat over het desbetreffende tijdvak
wordt betaald.
2. In afwijking van het eerste lid betaalt het UWV geen voorschot over tijdvakken
waarin het loon niet wordt doorbetaald in verband met een geschil tussen de werknemer
en zijn werkgever over het bestaan van ziekte van de werknemer.
3. Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot
als bedoeld in het eerste lid beschouwd als een uitkering op grond van deze wet.
Artikel 32 (WW)
De uitkering die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden
na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het UWV is bevoegd in
bijzondere gevallen ten gunste van de werknemer af te wijken van de in de eerste
volzin genoemde drie maanden.
Artikel 33 (WW)
1. Het UWV betaalt de uitkering in de regel per vier kalenderweken of
per maand achteraf.
2. In afwijking van het eerste lid is het UWV bevoegd, op verzoek van de
werknemer of uit eigen beweging, de uitkering over een kortere periode te
betalen, indien de werknemer over die kortere periode loon ontving.
3. In afwijking van het eerste lid betaalt het UWV aan de werknemer die
werkloos is ten gevolge van de eindiging van zijn dienstbetrekking en in
wiens dagloon vakantiebijslag is berekend, een gedeelte van de uitkering
als vakantiebijslag jaarlijks in de maand mei over de aan die maand
voorafgaande 12 maanden, of, indien het recht op uitkering eerder dan in
de maand mei geheel eindigt, in de desbetreffende maand. De vakantiebijslag
bedraagt 8/108 van de uitkering.
4. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd,
treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van de teller en het getal boven
het honderd in plaats van de noemer van de in het derde lid genoemde breuk.
Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop
recht bestaat vanaf de dag waarop de wijziging ingaat.
5. Op de toekenning van vakantiebijslag zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 34 (WW)
1. Op de uitkering worden geheel in mindering gebracht:
a. inkomsten wegens loonderving;
b. inkomsten wegens ouderdomspensioen;
c. inkomsten wegens uitkering op grond van het bepaalde bij of krachtens dan
wel op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
2. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, dienen betrekking te hebben op de
periode waarover de werknemer recht heeft op uitkering op grond van deze wet.
3. Indien de werknemer wegens eindiging van een dienstbetrekking ouderdomspensioen
ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid, de uitkering per
dag niet hoger gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals die is of zou
zijn vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het pensioen
per dag dat op die dag is ontvangen.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt het dagloon zoals dat is of zou zijn
vastgesteld op de eerste dag waarop ouderdomspensioen wordt ontvangen, voor zoveel
nodig herzien overeenkomstig artikel 46.
5. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel a van dat lid bedoelde
inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:
a. verband houden met de eindiging van een dienstbetrekking;
b. ter zake van werkloosheid ten gevolge van een niet geëindigde
dienstbetrekking worden ontvangen;
c. bestaan uit een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten dan wel een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
d. uit hoofde van een tijdens het recht op uitkering vervulde dienstbetrekking worden ontvangen.
6. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel a en c van dat lid bedoelde
inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:
a. door de werknemer reeds voor het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast
de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;
b. door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij
betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de
werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid
naast elkaar werden vervuld.
7. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel b van dat lid bedoelde
inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij door de werknemer
na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een
andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan
en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
8. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b wordt onder ouderdomspensioen verstaan
een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke
uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Onze Minister is bevoegd uitkeringen gelijk
te stellen met ouderdomspensioen.
Artikel 34a (WW)
1. De uitkering wordt niet betaald over dagen, waarop de werknemer vakantie geniet en over
bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feest- en verplichte snipperdagen,
en de werknemer vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor die
vakantie-, feest- of snipperdagen heeft verkregen, mits deze vakantiebonnen of daarmee
overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit
hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering
is ontleend aan artikel 7 van die wet, of naast een uitkering op grond van hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, indien de werknemer gelijkgestelde was
als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, van die wet op grond van een ziekengeldverzekering
die is ontleend aan artikel 7 van de Ziektewet.
2. Artikel 19, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid. .
Artikel 35 (WW)
De uitkering wordt niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag
waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen
af te wijken van de eerste zin.
Artikel 35a (WW)
Indien de werknemer deelneemt aan een voor hem naar het oordeel van het UWV noodzakelijke
opleiding of scholing en het recht op uitkering op grond van artikel 76 blijft bestaan,
worden op de uitkering geheel in mindering gebracht de inkomsten uit of in verband met de
opleiding of scholing voor zover zij meer bedragen dan een nader door Onze Minister vast
te stellen bedrag.
Artikel 35aa (WW)
1. Indien de werknemer toestemming heeft verkregen van het UWV om werkzaamheden als bedoeld
in artikel 77a, eerste lid, te verrichten en het recht op uitkering op grond van het tweede lid
van dat artikel blijft bestaan, wordt de uitkering verminderd met 70% van de inkomsten uit of in
verband met die werkzaamheden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, de berekening daarvan en de periode waaraan deze
worden toegerekend.
Artikel 35b (WW)
1. Indien de werknemer meer dan één recht op uitkering heeft, wordt,
indien tenminste één van die rechten ontstaan is uit hoofde van een
dienstbetrekking als overheidswerknemer, voor de toepassing van de
artikelen 34, 35a en 35aa een volgorde in aanmerking genomen bij de
vermindering van de uitkering.
2. Bij de toepassing van het eerste lid worden de inkomsten bij
voorrang in mindering gebracht op de uitkering waarmee zij de meeste
samenhang hebben.
3. Een samenhang als bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld aan
de hand van:
a. de dienstbetrekkingen uit hoofde waarvan de werknemer recht op
uitkering op grond van deze wet heeft en die waaruit of in verband
waarmee de inkomsten worden ontvangen;
b. de bedrijfstak of bedrijfstakken waarin de werknemer werkzaam was
en die waaruit of in verband waarmee de inkomsten worden ontvangen.
4. Indien geen samenhang kan worden vastgesteld, worden de
inkomsten gelijkelijk in mindering gebracht op de verschillende uitkeringen.
Indien bij de toepassing van de eerste zin een uitkering lager is
dan het daarop in mindering te brengen bedrag, wordt hetgeen aldus niet
in mindering kan worden gebracht in gelijke mate in mindering gebracht
op de andere uitkeringen.
5. Het UWV kan nadere regels stellen
met betrekking tot het derde lid.
Artikel 35c (WW)
(Vervallen)
Artikel 36 (WW)
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27
onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald,
wordt door het UWV teruggevorderd.
2. In afwijking van het eerste lid kan het UWV besluiten van terugvordering of
van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan,
maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze
op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
3. De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven
is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 25.
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk
van terugvordering af te zien.
5. Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of
termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige
betaling zal worden tenuitvoergelegd op de wijze als omschreven in artikel 36a.
6. Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te
verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
7. In afwijking van het eerste lid kan het UWV, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen,
besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister
vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 36a (WW)
1. Het besluit tot terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2. Artikel 27g is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c
en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het UWV de
aflossingsbedragen lager vaststelt.
Artikel 36b (WW)
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 36 en 36a.
Artikel 37 (WW)
Ingeval het UWV een aan een overheidswerknemer toegekende uitkering op grond van deze wet,
de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, dan wel een toeslag op grond van de Toeslagenwet
betaalt aan een overheidswerkgever met het oogmerk die uitkering of toeslag door diens
tussenkomst te doen uitbetalen:
a. wordt de bedoelde uitkering of toeslag niet vermeerderd met de daarover door de werkgever
verschuldigde premie op grond van artikel 24, tweede lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen en wordt die uitkering of toeslag verminderd met het door de overheidswerknemer
of gewezen overheidswerknemer verschuldigde deel van de premie op grond van dat lid;
b. treedt, in afwijking van artikel 11, tweede lid, artikel 10, derde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, en artikel 11, derde lid, van de Ziektewet,
voorzover die artikelleden betrekking hebben op de premie bedoeld in artikel 24, tweede lid,
van de Wet financiering sociale verzekeringen, de overheidswerkgever niet in de plaats van het UWV;
c. wordt voor de inhouding, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet financiering
sociale verzekeringen onder loon niet verstaan de bedoelde uitkering of toeslag.
Artikel 38 (WW)
1. Voor het in ontvangst nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering,
wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijk gesteld.
2. Indien de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij het
UWV verzet tegen betaling aan de minderjarige wordt de uitkering aan de wettelijke
vertegenwoordiger betaald.
Artikel 39 (WW)
1. Indien degene aan wie een uitkering is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of
vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van
die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het UWV bevoegd de uitkering tot het
bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder
diens machtiging uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58,
eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
2. Indien degene, aan wie een uitkering is toegekend, in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het UWV, van de desbetreffende inrichting
of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt,
het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is
het UWV bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
3. Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de uitkering, dat niet aan het College voor zorgverzekeringen
wordt uitbetaald.
4. Op de herziening van een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een
wijziging van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 39a(WW)
(Vervallen)
Artikel 40 (WW)
1. De uitkering is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
2. Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of benaming
ook verleend, is steeds herroepelijk.
3. Elk beding, strijdig met het eerste of tweede lid, is nietig.
Artikel 41 (WW)
De uitkering wordt niet betaald indien deze per week doorgaans minder bedraagt dan een
achtste deel van het minimumloon.
Artikel 41a (WW)
(Vervallen)
§ 4. De duur van de uitkering
Artikel 42 (WW)
1. De uitkeringsduur is drie maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.
2. Indien de werknemer:
a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar
waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per
kalenderjaar loon te hebben ontvangen; of
b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op een uitkering
op grond van een wet als genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, c, of d;
wordt de uitkeringsduur verlengd met een maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de
duur van drie kalenderjaren overstijgt, met dien verstande dat de totale uitkeringsduur
maximaal 38 maanden bedraagt.
3. Bij het vaststellen van de uitkeringsduur op grond van het eerste en tweede lid blijven
perioden waarin recht op uitkering bestaat op grond van artikel 18, eerste lid, buiten beschouwing.
4. Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend door samentelling van:
a. het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 1998 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk
voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, waarover de werknemer
over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen; en
b. het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het kalenderjaar waarin de werknemer zijn
18e verjaardag bereikte tot 1998.
5. Een kalenderjaar wordt in aanmerking genomen bij de berekening, bedoeld in het vierde lid,
onderdeel a, indien volgens een beschikking als bedoeld in artikel 83i van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de werknemer in dat kalenderjaar over 52 of meer dagen
loon heeft ontvangen.
6. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, wordt, indien over een kalenderjaar
een beschikking als bedoeld in artikel 83i van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen niet is afgegeven, dat kalenderjaar in aanmerking genomen indien de werknemer
aantoont daarin over 52 of meer dagen loon te hebben ontvangen. Artikel 42a is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 42a (WW)
1. Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, worden met dagen waarover
loon is ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt
met een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of met een uitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzover de uitkering wordt toegekend
naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% respectievelijk wordt toegekend over periodes
waarin de persoon slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen,
bedoeld in artikel 1 van eerstgenoemde wet;
b. dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd
met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.
2. Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, worden niet reeds in aanmerking
genomen kalenderjaren waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7 van
de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel h, van verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van
14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149)
voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de
leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren
waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt
aangemerkt als verzorgend persoon.
3. Het tweede lid vindt geen toepassing indien de verzorgende persoon in een kalenderjaar
voor een periode langer dan een half jaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling
inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
5. Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, worden dagen, tot een maximum van
achttien maanden, waarover de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld met dagen,
waarover loon is ontvangen.
6. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 42, tweede lid, onderdeel a,
wordt niet als loon beschouwd een uitkering:
a. op grond van deze wet, met uitzondering van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van deze wet;
b. op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met uitzondering
van een uitkering aan de persoon die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen
van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van die wet;
c. op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%; of
d. die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a, b of c.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld:
a. ter vaststelling van het aantal dagen waarover loon is ontvangen, bedoeld in
artikel 42, tweede lid, onderdeel a;
b. op grond waarvan voor het bepalen van het aantal van 52 dagen, bedoeld in artikel 42,
tweede lid, onderdeel a, dagen waarover, anders dan bedoeld in het vijfde lid,
geen loon is ontvangen, worden gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen.
Artikel 42b (WW)
1. Indien het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens een nieuw recht
op uitkering is ontstaan, zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, wordt voldaan,
wordt met inachtneming van het tweede lid, de duur van dat nieuwe recht verlengd met de duur van
de verlengde uitkering, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van het eerdere recht voorzover de
werknemer hierover geen uitkering heeft ontvangen als gevolg van de eindiging van dat eerdere recht.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing voorzover het eerdere recht geheel of gedeeltelijk was
geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, en op grond van artikel 21
niet voor herleving in aanmerking zou zijn gekomen wegens het overschrijden van de in
laatstgenoemd artikel bedoelde termijnen.
Artikel 43 (WW)
1. Telkens nadat het recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op
grond van artikel 21, eindigt de uitkering met inachtneming van het tweede en derde lid,
zoveel later dan de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde periode als de periode
tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd.
2. Voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht
op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte,
de eerste drie maanden waarin de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19,
eerste lid, onderdeel a, buiten beschouwing gelaten.
3. Voor de bepaling van de periode van drie maanden bedoeld in het tweede lid,
worden perioden waarover de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde uitkeringen
worden ontvangen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
4. Artikel 19, tweede lid, is van toepassing op het tweede en derde lid.
§ 5. De hoogte van de uitkering
Artikel 44 (WW)
De uitkering op grond van dit hoofdstuk wordt berekend naar het
dagloon.
Artikel 45 (WW)
1. Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van dit hoofdstuk recht bestaat
wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van
één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het
aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden,
verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling
van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig
afwijkende regels gesteld.
Artikel 46 (WW)
1. De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het
bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag wordt herzien.
2. Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk
percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.
3. Op een beschikking als gevolg van een herziening van het dagloon ingevolge het bepaalde
in dit artikel zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 47 (WW)
1. De uitkering bedraagt gedurende de eerste twee maanden per dag 75% van het dagloon.
Vanaf de derde maand bedraagt de uitkering per dag 70% van het dagloon.
2. Voor de werknemer die bij het ontstaan van zijn recht op uitkering zijn arbeidsuren,
bedoeld in artikel 16, niet volledig heeft verloren of wiens verlies van arbeidsuren tijdens
de duur van de uitkering wijziging ondergaat, bedraagt de uitkering het op grond van het eerste lid
vastgestelde percentage van het dagloon, vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid per
kalenderweek, gedeeld door het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies
van arbeidsuren waarnaar zijn recht is berekend. Het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het
intreden van het verlies van arbeidsuren wordt bepaald met toepassing van artikel 16.
3. Het tweede lid vindt geen toepassing voorzover bij de vaststelling of een herziening
van het dagloon met de omstandigheden, bedoeld in dat lid, rekening is gehouden.
Artikel 48 (WW)
(Vervallen)
Artikel 49 (WW)
(Vervallen)
Artikel 50 (WW)
(Vervallen)
Artikel 51 (WW)
(Vervallen)
Artikel 52 (WW)
(Vervallen)
HOOFDSTUK III. DE VRIJWILLIGE VERZEKERING VAN UITKERING BIJ WERKLOOSHEID
Artikel 53 (WW)
1. Het UWV laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering toe de persoon,
jonger dan 65 jaar, die op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 3, tweede, vierde
en vijfde lid, niet als werknemer wordt beschouwd, en
a. wiens werknemerschap is geëindigd en die buiten Nederland woont, aldaar direct aansluitend
op de beëindiging van zijn werknemerschap een dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal
vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is;
b. die Nederlander is en die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
aan te wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking te verrichten;
c. die Nederlander is en die is uitgezonden om, in of buiten Nederland, werkzaamheden te
verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie, waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de
werkzaamheden door Nederland worden ondersteund;
d. die in Nederland woont, en buiten Nederland een dienstbetrekking vervult; of
e. die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door
het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke
taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te
stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
2. Het UWV laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering toe de persoon,
jonger dan 65 jaar, wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6, onderdeel c, niet als
dienstbetrekking wordt beschouwd.
3. Voorafgaand aan het vervullen van een dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, dient de persoon gedurende een aaneengesloten periode van tenminste één jaar
de hoedanigheid van werknemer te bezitten.
4. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en e, wordt gelijkgesteld
de persoon, die onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of onderdaan
is van een Staat, waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten,
mits hij voor hij werd uitgezonden in Nederland woonde.
Artikel 54 (WW)
1. Het verzoek om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering wordt
ingediend bij het UWV.
2. Het verzoek om toelating als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend:
a. door de in artikel 53, eerste lid, onderdeel a, bedoelde persoon: binnen vier weken
na de dag, waarop zijn werknemerschap is geëindigd;
b. door de in artikel 53, eerste lid, onderdeel b, c en e bedoelde persoon:
binnen vier weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel,
indien de in artikel 53, eerste lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden
verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die werkzaamheden een
aanvang hebben genomen;
c. door de in artikel 53, eerste lid, onderdeel d, bedoelde persoon: binnen vier
weken na de dag, waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.
3. Het UWV is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering, ingediend na de ingevolge het tweede lid geldende termijn,
tijdig is ingekomen, indien de persoon die het verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs niet
geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
4. De vrijwillige werkloosheidsverzekering vangt aan:
a. voor de in artikel 53, eerste lid, onderdeel a, bedoelde persoon: op de dag na die,
waarop zijn werknemerschap is geëindigd;
b. voor de in artikel 53, eerste lid, onderdeel b, c en e bedoelde persoon: op de dag van
zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 53, eerste lid, onderdeel c,
bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden
een aanvang hebben genomen;.
c. voor de in artikel 53, eerste lid, onder d, bedoelde persoon: op de dag waarop zijn
werkzaamheden een aanvang hebben genomen;
d. voor de in artikel 53, tweede lid, bedoelde persoon: op de dag van ontvangst van
zijn verzoek om toelating.
Artikel 55 (WW)
Toelating van een persoon tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering vindt slechts plaats,
indien hij zich tegelijkertijd vrijwillig verzekert op
grond van de Ziektewet. De in de eerste zin opgenomen verplichting is niet van toepassing
indien betrokkene bij ziekte, zwangerschap of
bevalling, recht heeft op loon dan wel bezoldiging.
Artikel 56 (WW)
De persoon die is toegelaten tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering wordt voor de
toepassing van deze wet voor de duur van die verzekering als werknemer beschouwd.
Artikel 56a (WW)
Het UWV beëindigt de vrijwillige werkloosheidsverzekering:
a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;
b. met ingang van de dag, waarop de termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 53,
eerste lid, onderdeel a, is verstreken;
c. met ingang van de dag, waarop de werkzaamheden bedoeld in artikel 53,
eerste en tweede lid worden beëindigd;
d. met ingang van de dag waarop de vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd
wordt ingevolge deze wet;
e. indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet,
niet volledig of niet-tijdig is betaald; of
f. indien niet langer wordt voldaan aan andere vereisten voor toelating tot de
vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 53, eerste lid.
Artikel 57 (WW)
De persoon, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel a, b en c, die
werkloos is, heeft eerst recht op uitkering na terugkeer in Nederland.
Artikel 58 (WW)
1. De persoon, die om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering verzoekt,
bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige werkloosheidsverzekering de hoogte van het
dagloon, met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag eventueel verhoogd of
verlaagd krachtens artikel 18 van die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij in geval van werkloosheid naar het oordeel
van het UWV derft.
2. Voor de vaststelling van de hoogte van het recht op uitkering op grond van
de vrijwillige werkloosheidsverzekering wordt, zonodig in afwijking van artikel 45
en de daarop berustende bepalingen, onder dagloon verstaan het in het
eerste lid bedoelde dagloon.
Artikel 59 (WW)
Het UWV stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering.
Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering;
b. het einde van de vrijwillige werkloosheidsverzekering;
c. het dagloon, bedoeld in artikel 58, eerste lid.
Artikel 60 (WW)
Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald,
zijn de overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen,
voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing op het recht op uitkering,
het geldend maken van het recht op uitkering, de betaling van de uitkering,
de hoogte en de duur van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK IV. OVERNEMING VAN UIT DE DIENSTBETREKKING VOORTVLOEIENDE VERPLICHTINGEN
BIJ ONMACHT VAN DE WERKGEVER TE BETALEN
Artikel 61 (WW)
Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk,
indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard,
aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand
dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen
heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die
hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is,
niet heeft betaald.
Artikel 62 (WW)
1. Geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft de werknemer,
wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam
te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, tenzij:
a. een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de
dienstbetrekking leidden en de omstandigheden, die tot die toestand hebben geleid; of
b. de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of
andere bedragen als bedoeld in artikel 61, dat geen verband houdt met een toestand als
bedoeld in artikel 61 en dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand.
2. Geen recht op uitkering over de in artikel 64, eerste lid, onderdeel b,
bedoelde termijn van opzegging, heeft de werknemer die niet beschikbaar is om arbeid
te aanvaarden, tenzij de werknemer:
a. wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot
het verrichten van arbeid;
b. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg; of
c. arbeid als werknemer of werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als
werknemer wordt beschouwd.
3. De werknemer heeft geen recht op uitkering indien de aanvraag om een uitkering
is ingediend nadat 26 weken zijn verstreken na de dag waarop de werkgever is komen
te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61. Het UWV is bevoegd in bijzondere
gevallen af te wijken van de eerste zin.
4. Indien de werkgever, bedoeld in artikel 61, een vaste inrichting heeft op het
grondgebied van ten minste één lidstaat van de Europese Unie of een in ten minste
één andere lidstaat van de Europese Unie wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger,
bestaat slechts recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk indien de werknemer
zijn arbeid voor deze werkgever gewoonlijk verricht of verrichtte voor een vaste
inrichting van de werkgever in Nederland of een in Nederland wonende of gevestigd
vaste vertegenwoordiger van de werkgever.
Artikel 63 (WW)
1. De werknemer, wiens werkgever verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61,
is verplicht:
a. indien geen tijdige betaling van loon, vakantiegeld of vakantiebijslag heeft
plaatsgevonden, binnen een week na de dag waarop hij deze betaling normaal zou hebben
ontvangen daarvan aangifte te doen bij het UWV; en
b. binnen een week na de dag waarop het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest
dat zijn werkgever de bedragen, bedoeld in artikel 61, niet heeft betaald, daarvan
aangifte te doen bij het UWV.
2. Indien de werknemer een verplichting hem op grond van het eerste lid opgelegd,
niet of niet behoorlijk is nagekomen, weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de uitkering op grond van dit hoofdstuk tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.
3. Indien het de werknemer voor de totstandkoming van de dienstbetrekking of voor een
wijziging in de arbeidsvoorwaarden tijdens de dienstbetrekking redelijkerwijs duidelijk
moet zijn geweest dat in verband met een toestand als bedoeld in artikel 61, geen of
slechts ten dele betaling zou plaatsvinden van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of
aan derden verschuldigde bedragen in verband met de dienstbetrekking van de werknemer,
is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 64 (WW)
1. Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk omvat:
a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:
1°. de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;
2°. de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;
3°. de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of
4°. de dag van opzegging van de dienstbetrekking;
b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging
of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen
op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat
de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn,
zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; en
c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met
de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de
in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.
2. Ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, geldt dat het recht op uitkering op
grond van dit hoofdstuk het loon omvat over ten hoogste dertien weken onmiddellijk
voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het UWV redelijkerwijs
had moeten worden beëindigd of opgezegd, indien de dienstbetrekking niet of op een later
dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is beëindigd of opgezegd.
3. De hoogte van de uitkering van het vakantiegeld, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
wordt berekend op grond van de aanspraak op vakantiedagen die de werknemer bij het einde
van de dienstbetrekking heeft, met dien verstande dat de uitkering niet meer bedraagt dan
het vakantiegeld over het aantal vakantiedagen dat hij kan verwerven in een jaar waarin hij
een dienstbetrekking met de werkgever, bedoeld in artikel 61, heeft en waarin hij gedurende
de volledig overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft.
Artikel 65 (WW)
1. Op de uitkering, bedoeld in artikel 64, worden geheel in mindering gebracht:
a. de inkomsten uit arbeid als werknemer en uit werkzaamheden uit hoofde waarvan hij niet
als werknemer wordt beschouwd, verricht tijdens de periode, bedoeld in artikel 64,
eerste lid, onderdelen a en b;
b. de vakantiedagen en vakantiebijslag verworven uit arbeid als werknemer en
uit werkzaamheden uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd, verricht
tijdens de periode, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdelen a en b;
c. de door een werkgever niet zijnde de werkgever, bedoeld in artikel 61, verrichte
betalingen van bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer
aan derden verschuldigd is; en
d. de inkomsten wegens loonderving over de periodes, bedoeld in artikel 64, eerste lid,
onderdelen a en b.
De eerste zin is niet van toepassing indien de werknemer deze inkomsten, vakantiedagen,
vakantiebijslag of betalingen reeds ontving naast respectievelijk de inkomsten, vakantiedagen,
vakantiebijslag of betalingen uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij recht op uitkering
op grond van dit hoofdstuk heeft.
2. Door de werkgever, bedoeld in artikel 61, verrichte betalingen van verplichtingen
als bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdelen a, b en c, worden voor ieder van die
verplichtingen afzonderlijk toegerekend aan de periode voorafgaand aan een periode als
bedoeld in die onderdelen, indien de werknemer een vordering tot betaling van die verplichtingen
heeft op de werkgever die op die beide periodes betrekking heeft.
Artikel 66 (WW)
1. De vorderingen van de werknemer en derden op de werkgever, bedoeld in artikel 64,
eerste lid, gaan over op het UWV, voorzover deze vorderingen door het UWV worden voldaan.
2. Het UWV verhaalt de door werkgevers verschuldigde premies op grond van Wet financiering
sociale verzekeringen over de uitkering, bedoeld in dit hoofdstuk, op de werkgever.
3. De vorderingen van het UWV, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn bevoorrecht op
alle goederen van de werkgever en gaan boven alle andere voorrechten met uitzondering van
die van de artikelen 287 en 288 onder a, alsmede die van artikel 284 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 67 (WW)
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt:
a. onder loon verstaan: al hetgeen de werkgever in verband met de dienstbetrekking aan
de werknemer rechtens verschuldigd is met uitzondering van vakantiegeld en vakantiebijslag;
b. onder vakantiegeld en vakantiebijslag ook verstaan: vakantiebonnen, vakantiezegels en
andere dergelijke waardepapieren; en
c. onder werknemer ook verstaan: de persoon die uitsluitend omdat hij 65 jaar of ouder
is niet als werknemer wordt beschouwd.
Artikel 68 (WW)
1. De artikelen 17 tot en met 21, 28, 35, 41, 42, 42a en 47 zijn niet van toepassing
op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling
van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.
2. Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald zijn de overige
artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zoveel nodig,
van overeenkomstige toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van
het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK V. VERVALLEN
Artikel 69 (WW)
(Vervallen)
Artikel 70 (WW)
(Vervallen)
Artikel 71 (WW)
(Vervallen)
HOOFDSTUK VI. REÏNTEGRATIEMAATREGELEN
Artikel 72(WW)
1. Het UWV heeft tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van:
a. werknemers, niet zijnde overheidswerknemers, die recht op uitkering hebben op
grond van hoofdstuk II,
b. werknemers, niet zijnde overheidswerknemers, die kunnen aantonen dat de dienstbetrekking
binnen vier maanden zal eindigen en van wie naar het oordeel van de CWI redelijkerwijs valt
aan te nemen dat zij recht zullen hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk II.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op werknemers als bedoeld in het eerste lid,
indien het UWV met burgemeester en wethouders van een gemeente overeenkomen dat op die
werknemers artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet werk en bijstand
van toepassing is.
3. Het UWV laat de werkzaamheden waarmee de in het eerste lid bedoelde taak wordt
uitgevoerd, verrichten door een reïntegratiebedrijf.
4. Het UWV verstrekt aan het reïntegratiebedrijf gegevens voorzover deze noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van de in het derde lid bedoelde werkzaamheden, alsmede het
sociaal-fiscaalnummer van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door dat
reïntegratiebedrijf wordt bevorderd. Dit reïntegratiebedrijf verwerkt de in dit lid
bedoelde gegevens slechts voorzover dat noodzakelijk is voor de werkzaamheden, bedoeld
in het derde lid, en gebruikt slechts met dat doel het sociaal-fiscaalnummer bij die verwerking.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de uitvoering van dit artikel, waarbij in ieder geval regels kunnen worden
gesteld voor de inhoud van de overeenkomst met het reïntegratiebedrijf, het verstrekken
en verwerken van gegevens en de soort werkzaamheden.
6. De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 72a (WW)
1. De overheidswerkgever heeft tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van:
a. een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer met die
overheidswerkgever recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk II;
b. een overheidswerknemer die kan aantonen dat de dienstbetrekking binnen vier maanden zal
eindigen en van wie naar het oordeel van de CWI redelijkerwijs valt aan te nemen dat hij
recht zullen hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk II.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het ten behoeve van een persoon als bedoeld in het eerste lid sluiten
van een individuele reïntegratieovereenkomst met een reïntegratiebedrijf.
Artikel 73 (WW)
De werknemer die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet heeft recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het UWV of de overheidswerkgever
noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
Artikel 74 (WW)
(Vervallen)
Artikel 75 (WW)
Onze Minister is bevoegd regels te stellen op grond waarvan, in bij die regels
aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen beperkingen,
de werknemer bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.
Artikel 76 (WW)
1. Indien de werknemer die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk II,
deelneemt of gaat deelnemen aan een voor hem, naar het oordeel van het UWV, noodzakelijke
opleiding of scholing, blijft volgens door Onze Minister te stellen regels het recht op
uitkering op grond van dat hoofdstuk bestaan.
2. In de door Onze Minister te stellen regels, die voor verschillende groepen werknemers
verschillend kunnen luiden, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met
betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de opleiding of scholing als bedoeld in
het eerste en derde lid.
3. In afwijking van het eerste lid, blijft het recht op uitkering op grond van
hoofdstuk II van de herbeoordeelde bestaan totdat de, naar het oordeel van het UWV
noodzakelijke opleiding of scholing is beëindigd, indien de opleiding of scholing deel
uit maakt van een plan als bedoeld in artikel 29, tweede lid, dat binnen drie maanden
na de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
opgesteld en met de opleiding of scholing is aangevangen voor de duur van de
uitkering verstrijkt.
4. Onder herbeoordeelde als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: de werknemer
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken als gevolg van de
toepassing van artikel 34, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
artikel 28, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten,
of de persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken.
Artikel 76a (WW)
1. Het UWV kan toestemming verlenen aan de werknemer, die recht heeft op een uitkering
op grond van hoofdstuk II, om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal
drie maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten.
2. Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht op uitkering op
grond van hoofdstuk II bestaan, onverminderd artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel e,
gedurende de periode waarover toestemming is verleend tot het verrichten van die werkzaamheden.
3. De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats zijn:
a. werkzaamheden, waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden, waarbij de werkgever, bij wie de proefplaatsing geschiedt, een
aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de werknemer heeft afgesloten;
c. werkzaamheden, die de werknemer niet reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij
die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht; en
d. werkzaamheden, waarbij er, naar het oordeel van het UWV, een reëel uitzicht is op
een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere
omvang voor ten minste 6 maanden.
4. De werknemer die werkzaamheden verricht als bedoeld in het eerste lid,
doet daarvan onverwijld mededeling aan het UWV.
5. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken,
wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de toepassing van
dat lid buiten beschouwing gelaten.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering
van het eerste tot en met het vijfde lid.
Artikel 77 (WW)
(Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip)
Artikel 77a (WW)
1. Het UWV kan een werknemer toestemming verlenen om gedurende maximaal zes maanden
werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van
een beroep te verrichten, indien:
a. aannemelijk is dat de werknemer in de toekomst met die werkzaamheden structureel
in zijn bestaan kan voorzien;
b. de werkzaamheden nog geen aanvang hebben genomen;
c. de werknemer recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk II,
anders dan op grond van artikel 18;
d. de werkloosheid van de werknemer niet uitsluitend een gevolg is van verkorting
van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend; en
e. deze toestemming tijdens de uitkeringsduur niet eerder aan de werknemer is verleend.
2. Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, blijft, onverminderd artikel 20,
eerste lid, aanhef en onderdeel e, het recht op uitkering op grond van hoofdstuk II bestaan.
3. De werknemer aan wie toestemming is verleend als bedoeld in het eerste lid wordt
geacht werknemer te zijn en te blijven zolang die toepassing duurt.
Artikel 78 (WW)
De werknemer, ten aanzien van wie artikel 75, 76, 76a, 77 of 77a wordt toegepast,
wordt geacht werkloos te zijn en te blijven zolang die toepassing duurt.
HOOFDSTUK VII. VERHAAL
Artikel 79 (WW)
1. Het UWV verhaalt op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking bestond uit
hoofde waarvan de overheidswerknemer de in onderdeel a bedoelde uitkering ontvangt:
a. de op grond van hoofdstuk II te betalen uitkering aan die overheidswerknemer, met
uitzondering van de premie verschuldigd over een uitkering, als bedoeld in artikel 24, tweede lid,
van de Wet financiering sociale verzekeringen;
b. de op grond van enige wet over de uitkering, bedoeld in onderdeel a, door het UWV
verschuldigde premies of vergoedingen als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet
die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, met uitzondering van de premie
verschuldigd over een uitkering, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet financiering
sociale verzekeringen;
c. de vergoeding, bedoeld in artikel 110 van de Wet financiering sociale verzekeringen,
die betrekking heeft op de persoon die de in onderdeel a bedoelde uitkering ontving.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder uitkering niet verstaan de uitkering aan een persoon:
a. voor wie een beschikking geldt als bedoeld in artikel 4a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen waarin hij met betrekking tot de, in de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking,
verrichte soort van werkzaamheden wordt aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 4 van die wet;
b. waarvan het de overheidswerkgever niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze tot hem in een
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking stond.
3. Op het totaal van de bedragen die op de overheidswerkgever op grond van het eerste lid
over enig tijdvak wordt verhaald, wordt in mindering gebracht hetgeen het UWV in dat tijdvak
ontvangt door de toepassing van artikel 36, onder aftrek van de daarop betrekking hebbende
uitvoeringskosten, voorzover die toepassing betrekking heeft op uitkeringen en premies die
eerder op grond van dat lid op de overheidswerkgever zijn verhaald.
4. Indien hetgeen op grond van het tweede lid in mindering wordt gebracht het totaal van de
bedragen die op de overheidswerkgever over het betrokken tijdvak wordt verhaald overtreft,
wordt dat meerdere door het UWV betaald aan de overheidswerkgever.
5. Indien de overheidswerkgever, bedoeld in het eerste lid, niet meer bestaat, wordt voor
de toepassing van het eerste tot en met derde lid onder overheidswerkgever verstaan de
rechtsopvolger van die overheidswerkgever. De eerste zin is niet van toepassing met betrekking
tot de rechtsopvolger na faillissement.
6. Het besluit waarbij de in het eerste lid bedoelde uitkering, premies of vergoeding
worden verhaald, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moeten worden betaald,
alsmede de wijze waarop het besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig het
zevende tot en met negende lid zal worden ten uitvoer gelegd.
7. Het besluit waarbij de in het eerste lid bedoelde uitkering, premies of vergoeding
worden verhaald, levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten,
bedoeld in het negende lid.
8. Het besluit waarbij de in het eerste lid bedoelde uitkering, premies of vergoeding
worden verhaald, wordt bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering op kosten van de overheidswerkgever of diens rechtsopvolger
betekend en ten uitvoer gelegd.
9. Bij gebreke van tijdige betaling wordt het te verhalen bedrag verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
10. Het UWV kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met
derde lid en het vijfde lid.
Artikel 80 (WW)
1. Een beschikking tot verhaal van uitkering, premies of vergoeding als bedoeld in
artikel 79, eerste lid, wordt niet meer gegeven indien meer dan vijf jaren sedert het
einde van het kalenderjaar zijn verstreken, waarin zij zijn betaald of afgedragen.
2. Uitkering, premies of vergoeding, die niet zijn ingevorderd binnen tien jaren na het
geven van de beschikking tot verhaal, worden niet meer ingevorderd.
3. De rechtsvordering tot terugbetaling van een onverschuldigd betaald bedrag in verband
met verhaal van uitkering, premies of vergoeding verjaart door verloop van vijf jaren
sedert het einde van het kalenderjaar waarin de beschikking tot verhaal is gegeven.
Artikel 81 (WW)
De vordering van het UWV wegens verhaal als bedoeld in artikel 79, eerste lid,
is bevoorrecht op alle goederen van de werkgever en gaat boven alle andere voorrechten
met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288 onder a, alsmede dat van
artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
HOOFDSTUK VIII. DE UITVOERINGSORGANISATIE
Artikel 98 (WW)
In de uitvoering van deze wet wordt voorzien door het UWV.
Artikel 99 (WW)
De werknemer is verzekerd bij het UWV.
Artikel 100 (WW)
(Vervallen)
Artikel 101 (WW)
1. Het UWV stelt een uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen vast.
2. Onverminderd het elders in deze wet dienaangaande bepaalde, bevat het
uitkeringsreglement bepalingen omtrent:
a. voorschriften ten behoeve van een doelmatige controle, die ten aanzien
van de werknemers moeten worden genomen;
b. voorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur
van de uitkering;
c. voorschriften in verband met de betaling van de uitkering door tussenkomst
van de werkgever, indien tijdens werkloosheid de dienstbetrekking voortduurt;
d. andere voorwaarden, die aan het ontvangen van uitkering zijn verbonden;
e. het betalen van een deel van de uitkering in de vorm van bijdragen aan
sociale fondsen, waaronder begrepen bonnen, zegels en certificaten, die door
het desbetreffende fonds worden uitgegeven of voorgeschreven; en
f. samenloop van uitkering en inkomsten uit of in verband met arbeid.
3. Het uitkeringsreglement mag geen bepalingen bevatten, welke strijdig zijn
met deze wet en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 102 (WW)
(Vervallen)
Artikel 103 (WW)
(Vervallen)
Artikel 104 (WW)
(Vervallen)
Artikel 105 (WW)
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, zo dikwijls het zulks
nodig oordeelt, degene met betrekking tot wie premiekorting als bedoeld in artikel 82,
tweede, derde of vierde lid, 82a of 97c, zesde, zevende of achtste lid, wordt toegekend
of wordt overwogen te worden toegekend, oproepen of doen oproepen en op een door of
vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats
ondervragen of doen ondervragen.
Artikel 106 (WW)
(Vervallen)
Artikel 107 (WW)
(Vervallen)
Artikel 108 (WW)
(Vervallen)
Artikel 109 (WW)
(Vervallen)
Artikel 110 (WW)
(Vervallen)
HOOFDSTUK IX. BEPALINGEN VAN PROCEDURELE AARD
Artikel 111 (WW)
Tussen Onze Minister en Onze Minister van Financiën dient overeenstemming te
bestaan omtrent te stellen regels als bedoeld in artikel 12.
Artikel 112 (WW)
(Vervallen)
Artikel 113 (WW)
(Vervallen)
Artikel 114 (WW)
(Vervallen)
Artikel 114a (WW)
(Vervallen)
Artikel 115 (WW)
(Vervallen)
Artikel 116 (WW)
1. De door het UWV op grond van de artikelen 16, zesde lid, 26, tweede lid, 35b,
vijfde lid, 59 en 79, tiende lid, gestelde regels behoeven de goedkeuring
van Onze Minister.
2. Een door het UWV vastgesteld uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen,
bedoeld in artikel 101, eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 117 (WW)
(Vervallen)
Artikel 118 (WW)
(Vervallen)
Artikel 119 (WW)
(Vervallen)
Artikel 120 (WW)
(Vervallen)
Artikel 121 (WW)
(Vervallen)
Artikel 122 (WW)
(Vervallen)
Artikel 123 (WW)
(Vervallen)
Artikel 124 (WW)
(Vervallen)
Artikel 125 (WW)
(Vervallen)
HOOFDSTUK X. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN BEROEP IN CASSATIE
Artikel 126 (WW)
In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de werkgever
geen belanghebbende bij een besluit van het UWV over het verzekerd zijn op grond
van deze wet als bedoeld in artikel 127a, eerste lid.
Artikel 127 (WW)
1. Onverminderd artikel 127a, worden beschikkingen op grond van deze wet en de
daarop berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken
na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als
bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.
3. Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven,
wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan
schriftelijk in kennis gesteld.
4. Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid
informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden
de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk
in kennis gesteld.
Artikel 127a (WW)
1. Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verzekerd zijn op grond
van deze wet kan door de werknemer uitsluitend bij het UWV worden ingediend. Het UWV
geeft de beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
2. Een beschikking over de betaling van een voorschot op grond van artikel 31 wordt
gegeven binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.
3. Een beschikking op grond van hoofdstuk IV en de daarop berustende bepalingen
wordt gegeven binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
4. Indien een beschikking als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid niet binnen
de toepasselijke termijn kan worden gegeven, wordt dit schriftelijk aan de aanvrager
medegedeeld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
5. Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste,
tweede of derde lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten
Nederland en om die reden de beschikking niet binnen de toepasselijke termijn
gegeven kan worden, wordt deze termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en
wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 127b (WW)
(Vervallen)
Artikel 128 (WW)
In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het
horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet
binnen een door het UWV gestelde redelijke termijn, verklaart dat hij gebruik
wil maken van het recht te worden gehoord.
Artikel 129 (WW)
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
beslist het UWV binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Artikel 129a (WW)
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien
van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten, waaraan een medische
of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Artikel 129b (WW)
Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen het verhaal, bedoeld in artikel 79,
eerste lid, kan niet zijn gegrond op de grief dat de uitkering ten onrechte of
tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 129c (WW)
Ten aanzien van besluiten waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt
zijn de artikelen 103 tot en met 110 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 129d (WW)
1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep
in cassatie instellen terzake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 2
tot en met 12 en 14, eerste lid, en de daarop berustende bepalingen.
2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen
de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
HOOFDSTUK XA. EXPERIMENTEN
Artikel 130 (WW)
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het
onderzoeken van mogelijkheden om deze wet met betrekking tot de inschakeling in de
arbeid van werknemers die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk II, doeltreffender
uit te voeren, worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 24, 26 en 72
tot en met 78 van deze wet. Bij toepassing van de eerste zin wordt bij algemene maatregel van
bestuur geregeld op welke wijze van welke artikelen wordt afgeweken.
2. Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste vier jaar. Indien, voor
een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om
het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan het experiment worden
verlengd tot het tijdstip waarop het voorstel van wet in werking treedt. Het eerste lid,
tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van een experiment en voorzieningen worden getroffen voor zich gedurende
een experiment voordoende onvoorziene gevallen.
4. Onze Minister meldt aan de Staten-Generaal hoe het experiment in de praktijk is verlopen,
alsmede zijn standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment.
5. De voordracht voor krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregelen van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 130a (WW)
(Vervallen)
Artikel 130b (WW)
(Vervallen)
Artikel 130c (WW)
(Vervallen)
Artikel 130d (WW)
(Vervallen)
Artikel 130e (WW)
(Vervallen)
Artikel 130f (WW)
(Vervallen)
HOOFDSTUK XB. OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 130g(WW)
1. De artikelen 82, tweede lid, 82a, eerste lid, en 97c, zesde lid, zoals deze
artikelen luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding
van de desbetreffende bepalingen van de Invoeringswet Wet financiering sociale
verzekeringen, zijn niet van toepassing indien de dienstbetrekking is aangegaan
voor 1 januari 2002.
2. De artikelen 82, derde lid, 82a, tweede lid, en 97c, zevende lid, zoals
deze artikelen luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding
van de desbetreffende bepalingen van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen,
zijn niet van toepassing indien de werknemer voor 1 januari 2002 zijn eigen arbeid of
een andere functie bij dezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk heeft hervat dan wel
indien diens arbeidsplaats voor die datum is aangepast tot behoud, herstel of ter
bevordering van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van die werknemer.
3. Zo nodig in afwijking van de artikelen 82, tweede, derde en vierde lid, 82a, eerste,
tweede en derde lid, of 97c, zesde, zevende en achtste lid, zoals deze artikelen
luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van de
desbetreffende bepalingen van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen,
kan het bedrag dat in mindering wordt gebracht op de door de werkgever verschuldigde
premie en de premiekorting met betrekking tot het jaar 2002, in 2003 worden vastgesteld.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 130h(WW)
1. Hoofdstuk IIA, Afdeling III, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van
de wet van 19 december 2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met
afschaffing van de vervolguitkering (Stb. 546), blijft van toepassing op een recht op uitkering:
a. waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 11 augustus 2003;
b. ontstaan als gevolg van eindiging van de dienstbetrekking door opzegging, indien de
aanzegging van de opzegging heeft plaatsgevonden voor de in onderdeel a genoemde datum;
c. ontstaan als gevolg van ontbinding door de rechter van de dienstbetrekking, indien de datum
waarop de ontbinding is uitgesproken is gelegen voor de in onderdeel a genoemde datum.
2. De artikelen 48, 51 en 52, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van de in
het eerste lid genoemde wet, blijven van toepassing op de persoon:
a. die voor 11 augustus 2003 recht op uitkering op grond van deze wet had, welk recht
eindigt of is geëindigd op grond van het verrichten van werkzaamheden als werknemer,
en die terzake van de verrichte werkzaamheden op of na 11 augustus 2003 een nieuw recht
op uitkering krijgt, tot aan het moment waarop dat eerste recht zonder toepassing van de
artikelen 43 en 50 zou hebben geduurd;
b. op wie het eerste lid, onderdeel b of c van toepassing is, en wiens recht als bedoeld
in dat lid eindigt of is geëindigd op grond van het verrichten van werkzaamheden
als werknemer, en die terzake van de verrichte werkzaamheden op of na 11 augustus 2003
een nieuw recht op uitkering krijgt, tot aan het moment waarop dat eerste recht zonder
toepassing van de artikelen 43 en 50 zou hebben geduurd.
3.De artikelen 15, 35c, 52b, derde lid, en 52d, derde tot en met vijfde lid, zoals die
luidden op de dag voor inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet, blijven
van toepassing op de in het eerste en tweede lid bedoelde rechten respectievelijk personen.
4.Met opzegging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt gelijkgesteld, ontslag
als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een
overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling.
Artikel 130i(WW)
1. De artikelen 42 en 17b, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van de wet
van 4 november 2004 tot wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in verband met de vervanging van fictief arbeidsverleden door feitelijk
arbeidsverleden en de beperking van het verzorgingsforfait Stb. 2004, 594, blijven van
toepassing op een recht op uitkering waarbij de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor
of op die dag.
2. In afwijking van de eerste zin van artikel 17b, tweede lid, worden voor de toepassing
van artikel 17, aanhef en onderdeel b, onder 1°, niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren
over de periode tot 1 januari 2005, waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond
van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de
Europese Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen
op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de
Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) voor een tot zijn huishouden behorend kind
dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt,
gelijkgesteld met, en worden dergelijke kalenderjaren over de periode van 1 januari 2005
tot 1 januari 2007 voor drie kwart gelijkgesteld met, kalenderjaren waarin over 52 of meer
dagen loon is ontvangen.
Artikel 130j(WW)
1. De artikelen 17a, eerste lid, onderdeel c, 17b, eerste lid, onderdeel a, 19,
eerste lid, onderdeel m, 28, derde lid, 76, eerste lid, en de daarop berustende bepalingen,
zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van de wet van 23 december 2004 houdende
wijziging van enkele socialeverzekeringswetten en enige andere wetten in verband met het
aanbrengen van enige vereenvoudigingen, blijven van toepassing op de werknemer die voor de
datum van inwerkingtreding van die wet:
a. een voor hem, naar het oordeel van het UWV, noodzakelijke opleiding of scholing volgt, of
b. een reïntegratie-uitkering als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, zoals dat artikel luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de in de aanhef
genoemde wet, ontvangt,voor de duur van die opleiding of scholing respectievelijk die reïntegratie-uitkering.
2. In afwijking van artikel 76a blijven artikel 130a en het daarop berustende Tijdelijk
besluit proefplaatsing WW, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van de wet van
23 december 2004 houdende wijziging van enkele socialeverzekeringswetten en enige andere wetten
in verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen, van toepassing op de werknemer die
voor de datum van inwerkingtreding van die wet werkzaamheden verricht in het kader van het Tijdelijk
besluit proefplaatsing WW, voor de duur van die werkzaamheden.
Artikel 130k(WW)
De artikelen 92, onderdelen g, h, en i, 93, onderdeel i, 97b, tweede lid, 97e, onderdeel j,
en 97f, onderdeel i, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van de Wet van
28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met
het tot stand brengen van een recht op langdurend zorgverlof en het aanbrengen van enkele
verbeteringen (Stb. 274) blijven van toepassing voor de duur van de periode waarin op grond
van artikel IXa van die wet recht bestaat op een financiële tegemoetkoming op grond van
hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.
Artikel 130l(WW)
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4 van het Tijdelijk besluit preventieve inzet
sectorfondsen van een werknemer als bedoeld in artikel 3 van dat besluit wordt vanaf
1 juli 2005 aangemerkt als een aanvraag om werkzaamheden waarmee de taak, bedoeld in
artikel 72, eerste lid onderdeel b, wordt uitgevoerd.
2. Een traject als bedoeld in artikel 4 van het Tijdelijk besluit preventieve inzet
sectorfondsen dat is aangevangen voor 1 juli 2005 wordt vanaf die datum aangemerkt
als een traject, bedoeld in artikel 72, eerste lid, onder b, met dien verstande dat
de duur van het traject hierdoor niet wordt verlengd.
3. De artikelen 72 en 72a, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van de wet
van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het preventief
inzetten van reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de reïntegratietaak aan
overheidswerkgevers, het ondersteunen van WAO-herbeoordeelden bij scholing, het subsidiëren
van scholing in het kader van de WAJONG en enkele andere wijzigingen in wetten die de
reïntegratie-instrumenten betreffen (Stb. 382), blijven van toepassing op de persoon,
die recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb en van wie de eerste
werkloosheidsdag is gelegen voor 1 juli 2005.
4. In afwijking van het derde lid is artikel 72a, vierde lid, zoals dat luidde op de
dag voor inwerkingtreding van de in het derde lid genoemde wet, slechts van toepassing
op door de overheidswerkgever gedane uitgaven die betrekking hebben op tot 1 juli 2006
verrichte activiteiten in verband met de inschakeling in het arbeidsproces van personen
als bedoeld in artikel 78a.
Artikel 130m(WW)
Artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en de daarop berustende bepalingen,
zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van de artikelen VI en VII,
van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten, blijven
van toepassing op de persoon wiens recht op uitkering op grond van deze wet is ontstaan voor de datum
van inwerkingtreding van die artikelen, met betrekking tot die uitkering.
Artikel 130n(WW)
De periode waarbinnen de hoedanigheid van werknemer kan worden herkregen op grond van artikel 8,
tweede lid, bedraagt ten hoogste 38 maanden voor de persoon die voor de dag van inwerkingtreding
van artikel I, onderdeel BB, van de Wet wijziging WW-stelsel recht op uitkering op grond van
deze wet had.
Artikel 130o(WW)
1. De artikelen 15, 16, 17, 17a, 17b, 17c, 18, 19, 23, 24, 27, 28, 35c, 42, 43, 47, 52a tot en
met 52i, 72, 72a, 76, 76a, 77a, 79 en 130 en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op
de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van de Wet wijziging WW-stelsel blijven van
toepassing met betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen op
of voor die dag en de artikelen 42a en 42b blijven buiten toepassing met betrekking tot dat recht.
2. Indien dit een langere duur van het recht op uitkering ten gevolge heeft, blijven de artikelen 42,
43, 52g en 52h, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van de
in het eerste lid genoemde wet, tot vijf jaar na die dag, van toepassing met betrekking tot het recht
op uitkering van de persoon die op of voor die dag recht op uitkering op grond van deze wet had, welk
recht eindigt of is geëindigd op grond van het verrichten van werkzaamheden als werknemer, en die ter
zake van de verrichte werkzaamheden na die dag een nieuw recht op uitkering krijgt.
3. De artikelen 16 en 31 en hoofdstuk IV en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de
dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel H, onder 1, van de in het eerste lid genoemde wet
blijven van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste dag van de periode,
bedoeld in artikel 64, onderdeel a, zoals dat luidde op die dag, is gelegen op of voor die dag.
4. De artikelen 20 en 35 zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel O,
onder 1, van de in het eerste lid genoemde wet blijven van toepassing op een verlies van arbeidsuren
dat heeft plaatsgevonden op of voor die dag zolang er sprake is van aftrek van arbeidsinkomsten
op grond van artikel 35 zoals dat luidde op die dag.
Artikel 130q(WW)
(Treedt in werking per 01-05-2007)
HOOFDSTUK XI. STRAF EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 131 (WW)
De werkgever, die zijn verplichting als bedoeld in artikel 13 niet nakomt,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van
de tweede categorie.
Artikel 132 (WW)
Overtreding van bepalingen van een op grond van deze wet uitgevaardigde algemene
maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van
dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 133 (WW)
(Vervallen)
Artikel 134 (WW)
(Vervallen)
Artikel 135 (WW)
De in de artikelen 131 en 132 omschreven strafbare feiten zijn overtredingen.
Artikel 135a (WW)
Het recht tot strafvordering vervalt indien het UWV aan de werknemer ter zake
van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 135b (WW)
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de
onderdelen Aa, Ya en PPa van artikel I van de Wet wijziging WW-stelsel aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk
van de artikelen 8, tweede lid, 35aa en 77a van deze wet, zoals die artikelen
vanaf die datum komen te luiden.
Artikel 136 (WW)
Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens wet te bepalen tijdstip.
Artikel 137 (WW)
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Werkloosheidswet"
Deze wettekst wordt u aangeboden door ArbeidsConsultancy. De wetsartikelen van de wetten worden aangepast aan de wetswijzigingen, zoals de overheid (de minister) dat in het Staatsblad laat publiceren. Een wet is derhalve in ontwikkeling. Een wetswijziging kan er toe leiden dat slechts een enkel lid (bepaling) van een artikel of
meerdere leden (bepalingen) van een wetsartikel worden aangepast, alsook dat meerdere artikelen (wetsartikelen) veranderen.
| Arbeidsrechter.nl |
Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten. |
 |
|
Auteursrecht voorbehouden 2009