Tweet


Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA)

Andere wetteksten

Eerste titel: Algemene bepalingen

(art 1 BBA) (art 2 BBA) (art 3 BBA)

Tweede titel: Van het aangaan en het beëindigen der arbeidsverhouding en daarmede verband houdende onderwerpen

(art 4 en 5 BBA) (art 6 BBA) (art 7 BBA) (art 8 BBA) (art 9 BBA) (art 10 BBA)

Derde titel: Van de lonen en andere arbeidsvoorwaarden

(art 11 t/m 20 BBA)

Vierde titel: Strafbepalingen

(art 21 t/m 26 BBA) (art 27 BBA) (art 28 en 29 BBA)

Vijfde Titel: Slotbepalingen

(art 30 BBA) (art 31 BBA) (art 32 BBA) (art 33 BBA)

Ontslagbesluit (OB) met (bijlagen) en de Beleidsregels Werktijdverkorting (BWV)

5 oktober 1945, houdende vaststelling van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen.

Eerste titel: Algemene bepalingen.

Artikel 1 (BBA)

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid;

b. werknemer;

1″. De werknemers, bedoeld in artikel 610 eerste lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

2″, degene, die persoonlijk arbeid verricht voor een ander tenzij hij dergelijken arbeid in den regel voor meer dan twee anderen verricht of hij zich door meer dan twee andere personen, niet zijnde zijn echtgenoot of bij het inwonende bloed of aanverwanten of pleegkinderen, laat bijstaan of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is;

c. werkgever;

1″ De werkgever, bedoel in artikel 610 eerste lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

2″ De natuurlijke of rechtspersoon voor wie de onder d sub 2″ genoemde arbeid wordt verricht;

d. Arbeidsverhouding; de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer.

e. Loon; de vergoeding van de werkgever aan de werknemer ter zake van de arbeid;

f. Dringende reden voor den werkgever; daden, eigenschappen of gedragingen van den werknemer, welke ten gevolge hebben, dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd, de arbeidsverhouding te laten voortduren;

g. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 2 (BBA)

1. Dit besluit is niet van toepassing op de arbeidsverhouding van;

a. werknemers bij een publiekrechtelijk lichaam;

b. onderwijzend en docerend personeel, werkzaam aan onderwijsinrichtingen, staande onder beheer van een natuurlijk of rechtspersoon;

c. personen, die een geestelijk ambt bekleden;

d. de werknemer die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, wordt onder het verrichten van diensten ten behoeve van een huishouden mede verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden.

3. Onze Minister kan voorts bepalen dat dit besluit of sommige artikelen van dit besluit niet van toepassing zijn op de arbeidsverhouding van door hem aangewezen werknemers of groepen van werknemers.

Artikel 3 (BBA)

Voor zover in dit besluit wordt afgeweken van bestaande wetten en verordeningen, daaronder begrepen de afdelingen 1 tot en met 9 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de arbeidsgeschillenwet 1923, de wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomst is dit besluit van kracht, zolang een nadere wettelijke regeling niet tot stand is gekomen.

Tweede titel: Van het aangaan en het beëindigen der arbeidsverhouding en daarmede verband houdende onderwerpen

Artikel 4 en 5 (BBA)

Vervallen.

Artikel 6 (BBA)

1. De werkgever behoeft voor de opzegging van de arbeidsverhouding voorafgaande toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen.

2. De werkgever behoeft deze toestemming niet:

a. indien de opzegging geschiedt om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de werknemer;

b. tijdens de proeftijd;

c. indien de opzegging geschiedt ten gevolge van faillissement van de werkgever of toepassing ten aanzien van hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

3. Bij ministeriele regeling worden regels gesteld met betrekking tot de toestemming als bedoeld in het eerste lid.

4. Alvorens een beslissing inzake het verlenen van toestemming krachtens het eerste lid wordt genomen, hoort de Centrale organisatie werk en inkomen vertegenwoordigers van de in aanmerking komende organisaties van werkgevers en werknemers behoudens in bij ministeriele regeling bepaald gevallen.

5. Onze minister kan de Centrale organisatie werk en inkomen aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming als bedoeld in het eerste lid. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming in individuele gevallen.

6. Bij ministeriele regeling kunnen voorzieningen worden getroffen voor het geval de Centrale organisatie werk en inkomen zijn uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.

7. De Centrale organisatie werk en inkomen brengt aan Onze Minister verslag uit over de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend. Bij ministeriele regeling worden hieromtrent nadere regels gesteld.

8. De Centrale organisatie werk en inkomen is verplicht aan Onze Minister desgevraagd binnen een daartoe gestelde termijn en op de aangegeven wijze kosteloos alle opgevan te verstrekken betreffende de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend.

9. Van het eerste lid kan bij ministeriele regeling voor bepaalde werknemers of groepen van werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing of vrijstelling worden verleend.

10. Tegen beslissingen van de Centrale organisatie werk en inkomen inzake het verlenen van toestemming op grond van het eerste lid staat geen beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Artikel 7 (BBA)

Vervallen.

Artikel 8 (BBA)

1. Het is de werkgever verboden de werktijd van de werknemers op minder dan 48 uur per week te stellen of gesteld te houden.

2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet:

a. ten aanzien van die werknemers, voor wier werkzaamheden de normale werktijd voor 10 Mei 1940 op een geringer aantal uren per week placht te zijn vastgesteld, zoals voor steenhouwers, kantoorbedienden, avondboekhouders, schoonmaaksters, stokers van centrale verwarmingen en dergelijke personen, mits hun loon als gevolg der werktijdverkorting niet daalt beneden het gebruikelijke bedrag;

b. Ten aanzien van die werknemers wier, week- of maandloon op een vast bedrag is vastgesteld en niet daaronder daalt bij de werktijdverkorting;

c. Voor den tijd gedurende welken een door Onzen Minister goedgekeurde wachtgeldregeling, als bedoeld in artikel 10, van kracht is, ten aanzien van de onder die wachtgeldregeling vallende werknemers.

3. Van het bepaalde in het eerste lid kan voorts door of vanwege Onzen Minister voor bepaalde werknemers of groepen van werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing worden verleend.

Artikel 9 (BBA)

1. Een opzegging zonder de op grond van artikel 6 vereiste toestemming is vernietigbaar.

2. Handelingen in strijd met artikel 8, eerste lid, zijn vernietigbaar.

3. De werknemer kan gedurende zes maanden een beroep op deze vernietigingsgrond doen.

Artikel 10 (BBA)

1. De werkgever die ten gevolge van tijdelijke stilstand van of slapte in de onderneming niet voldoende werkgelegenheid voor zijn werknemers heeft, kan een wachtgeldregeling voor het treffen. Deze wachtgeldregeling behoeft de toestemming van Onzen Minister. In de kosten van de wachtgeldregeling kan den werkgever onder bepaalde voorwaarden van Overheidswege een tegemoetkoming worden verleend.

2. Ter uitvoering van het bepaalde in het vorige lid worden door Onzen Minister nadere bepalingen vastgesteld.

Derde titel: Van de lonen en andere arbeidsvoorwaarden.

Artikel 11 t/m 20 (BBA)

Vervallen.

Vierde titel: Strafbepalingen.

Artikel 21 t/m 26 (BBA)

Vervallen.

Artikel 27 (BBA)

Vervallen.

Artikel 28 en 29 (BBA)

Vervallen.

Vijfde Titel: Slotbepalingen

Artikel 30 (BBA)

Burgerlijke rechtsvorderingen van werkgevers of werknemers welke voortvloeien uit niet-naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit, worden geacht betrekkelijk te zijn tot een arbeidsovereenkomst. De artikelen 131 en 241 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek blijven echter op deze vorderingen van toepassing.

Artikel 31 (BBA)

Vervallen.

Artikel 32 (BBA)

Onze Minister kan bevoegdheden, welke krachtens dit besluit aan hem of aan de Centrale organisatie werk en inkomen toekomen, overdragen aan organisaties uit het bedrijfsleven.

Artikel 33 (BBA)

1. Dit besluit, ten aanzien waarvan de bevoegdheid, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het Besluit op den bijzonderen staat van beleg niet kan worden uitgeoefend, treed in werking met ingang van 15 oktober 1945.

2. Met ingang van die datum vervalt het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (Besluit van 17 juli 1944, Staatsblad nr. E 52, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 December 1944, Staatsblad nr. E 157). Dit besluit kan worden aangehaald onder den titel: Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.

‘s-Gravenhage, de 5den oktober 1945.

Wilhelmina

De Minister van Sociale Zaken,

W. Drees.

Deze wettekst wordt u aangeboden door artec neval. De wetsartikelen van de wetten worden aangepast aan de wetswijzigingen, zoals de overheid (de minister) dat in het Staatsblad laat publiceren. Een wet is derhalve in ontwikkeling. Een wetswijziging kan er toe leiden dat slechts een enkel lid (bepaling) van een artikel of meerdere leden (bepalingen) van een wetsartikel worden aangepast, alsook dat meerdere artikelen (wetsartikelen) veranderen.