4.3.1.2. Diverse pensioenvormen
“De drie pijlers”
Ter indeling van de verschillende vormen van pensioen wordt er gesproken over “de drie pijlers” die het pensioen van iemand kunnen vormen. De AOW is de eerste pijler, waarvan de hoogte afhankelijk is van het verblijf in Nederland. De tweede pijler is het pensioen dat samenhangt met een arbeidsrelatie, waarvan de hoogte afhankelijk is van de hoogte van het loon en (collectieve) premie die doorgaans zowel door de werkgever als de werknemer worden gereserveerd. Het gaat bij deze tweede pijler om de pensioentoezeggingen van een werkgever die gerealiseerd worden bij een pensioenfonds of pensioenverzekeraar. Daarnaast kan de medewerker privé andere regelingen treffen bij pensioenverzekeraars; de derde pijler. In hoofdstuk 4.3 staat het ouderdomspensioen centraal ingaat op 65 jarige leeftijd en is gekoppeld aan werken (4.3.). Hieronder wordt kort ingegaan andere pensioenvormen.
Pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW)
Deze basis van de pensioenvoorziening wordt door een Nederlands ingezetene opgebouwd, alleen al door verblijf in Nederland tussen de 15 en 65-jarige leeftijd. De uitkering begint in de maand dat die ingezetene de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
De hoogte van dit pensioen is afhankelijk van het minimumloon, de gezinssituatie, eventuele tussentijdse emigratie (zonder vrijwillige voortzetting AOW-verzekering), etc. De AOW voor een ongehuwde pensioengerechtigde komt neer op 70 % van het netto minimumloon, het gaat om 50 % van het minimumloon voor gehuwden en 90 % voor alleenstaanden met een kind jonger dan 18 jaar waarvoor kinderbijslag wordt ontvangen. Een gehuwde AOW-er met een partner die nog geen 65 jaar is komt onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor een toeslag, waarbij rekening wordt gehouden met inkomsten (uit arbeid) dat die partner verdient. Bereikt een ingezetene na het jaar 2015 de 65-jarige leeftijd, dan ontvangt hij of zij geen toeslag op de AOW-uitkering als zijn of haar partner nog geen AOW-uitkering ontvangt, doordat degene nog geen 65-jaar is. Dit laatste wordt het AOW-gat genoemd. Wanneer een persoon een periode niet in Nederland heeft gewoond, tussen de leeftijd van 15 en 65 jaar, wordt de AOW gekort met 2% per jaar dat er in het buitenland werd gewoond.
Voor velen is de AOW die zij ontvangen van de Sociale Verzekeringsbank de belangrijkste of zelfs enige bron van inkomsten. Dit geldt voornamelijk voor parttimers die door een lager loon (doordat zij minder uren werken) ook een lager pensioen opbouwen en krijgen uitgekeerd. Dit pensioen is voor een groter deel afhankelijk van de AOW in vergelijking met fulltimers.
Prepensioen
Een prepensioen is een overbruggingspensioen dat eindigt bij het bereiken 65 jaar, wanneer er een AOW-uitkering wordt ontvangen. Deze aanvulling is mogelijk gemaakt, omdat tot het 65e jaar veel meer belasting moet worden betaald. Vanaf 1 januari 2006 is prepensioen fiscaal onaantrekkelijk gemaakt teneinde het eerder stoppen met werken te ontmoedigen. De opbouw van deze regelingen kan nu niet meer belastingvrij plaatsvinden, het werkgeversdeel wordt bovendien belast met een percentage van 51 procent. De uiteindelijke uitkering wordt niet belast.
Degene die vóór 31 december 2004 55 jaar of ouder was, heeft niets te maken met veranderingen in het prepensioen. Voor deze ouderen blijft het prepensioen derhalve behouden. Wel moet hierover een afspraak gemaakt zijn tussen werkgever en werknemer. Besluit degene om toch langer door te willen werken, dan kan het opgebouwde tegoed wordt doorgeschoven naar het ouderdomspensioen of de levensloopregeling (2.4.8.). Voor werknemers die reeds op 1 januari 2006 met prepensioen waren, verandert er evenmin iets in hun aanspraken.
Voor degene die vóór 31 december 2004 jonger was dan 55 jaar, geldt de regeling voor prepensioen dus nog wel. Er zijn andere mogelijkheden om toch vóór het 65e levensjaar te kunnen stoppen met werken, namelijk:
- Het 65+-pensioen eerder in laten gaan, met als gevolg dat de uitkering wel een stuk lager wordt
- Gebruik maken van het levenslooptegoed (zie 2.4.8)
- Gebruik maken van een 40-deelnemingsjarenpensioen (zie hieronder)
Aan het tot 1 januari 2006 opgebouwde prepensioen zal niets veranderen. Deze rechten kunnen nog steeds opgenomen worden en dit wordt behandeld volgens het fiscale regime afgehandeld, zoals die gold toen het prepensioen werd opgebouwd. Er kan voor gekozen worden om het gespaarde prepensioen over te gedragen naar ouderdomspensioen of de levensloopregeling zonder belastingheffing.
40-deelnemingsjarenpensioen
Een pensioenregeling kan de mogelijkheid bevatten van de 40-deelnemingsjarenpensioen, waarmee er vanaf 63-jarige leeftijd met pensioen kan worden gegaan. Voorwaarde hiervoor is wel dat er al 40 jaar is gewerkt én dat het pensioen over de tijd dat het pensioen eerder wordt ingegaan, minder bedraagt dan 70% van het inkomen. Niet iedere pensioenregeling kent deze mogelijkheid.
Een combinatie van een 40-deelnemingsjarenpensioen (2 jaar eerder stoppen) en een maximale levensloopregeling (3 jaar eerder stoppen), betekent dat een medewerker op 60-jarige leeftijd kan stoppen met werken.
Deze bovengenoemde wettelijke regelingen gelden voor alle pensioenregelingen die zijn ingevoerd na 1 januari 2005. Voor alle pensioenregelingen die op deze datum al bestonden gaan de nieuwe wettelijke regelingen in op 1 januari 2006.
Nabestaanden pensioen ANW
Dit pensioen is opgenomen in de Algemene nabestaanden wet en is voor het geval de pensioeneigenaar vroegtijdig komt te overlijden. De uitkering kan ook voor wezen van toepassing zijn. Deze uitkering wordt namens de overheid verzorgd door de Sociale Verzekeringsbank.
Om voor een uitkering in de zin van de ANW in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende eisen, de partner moet namelijk:
- Vóór 1950 geboren zijn
- Een kind(eren) hebben onder de 18 jaar
- Voor minimaal 45% arbeidsongeschikt zijn
De partner moet wel de echtgeno(o)t(e) zijn óf er moet een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan.
Voldoet de partner hier aan, dan kan hij/zij een uitkering krijgen van 70% van het nettoloon. De ANW wordt verrekend met (eventueel) ander inkomen van de partner zoals een uitkering. Hierdoor ontstaat vaak de situatie dat er een veel kleinere óf helemaal geen uitkering wordt ontvangen. Wanneer de partner niet meer aan de bovenstaande voorwaarden voldoet, vervalt de uitkering.
Wanneer beide ouders zijn overleden, hebben de kinderen recht op ANW-uitkering. Dit inkomen is afhankelijk van de leeftijd van de kinderen.
Arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA)
Hierover kan meer worden gevonden in hoofdstuk (2.2.5.).
Verder zoeken
Deze pagina is onderdeel van hoofdstuk 4 over de arbeidsvoorwaarden. Oftewel de tegenprestatie waarvoor werknemers bij een werkgever werken op grond van de arbeidsovereenkomst. U vindt in dit deel informatie over:
4.1. Loon (o.a. minimumloon, tijdstip betalen, loon vorderen, beslag)
4.2. Vakantie (o.a. vakantierechten opbouwen en opnemen, vakantiegeld)
4.3. Pensioen (o.a. opbouwen, afkopen, einde dienstverband)
4.4 VUT-regeling
4.5. Afdracht van loonbelasting en premies
Zoekt u een ander onderwerp, zie dan onze trefwoorden of inhoudsopgave.




Tweet