| Arbeidsrechter.nl |
WET WERK EN INKOMEN NAAR ARBEIDSVERMOGEN
HOOFDSTUK I. DEFINITIES EN ALGEMENE BEPALINGEN
§ 1.1 Diverse algemene begrippen
Artikel 1 Algemene begrippen
Artikel 2 Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden
Artikel 3 Woon- en vestigingsplaats
§ 1.2 Begrip volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk arbeidsongeschikt
Artikel 4 Definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
Artikel 5 Definitie gedeeltelijk arbeidsongeschikt
Artikel 6 Nadere bepaling definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en definitie gedeeltelijk arbeidsongeschikt
§ 1.3 Begrip verplicht verzekerde
Artikel 7 De verplicht verzekerde
Artikel 8 De werknemer
Artikel 9 Uitbreiding werknemerschap
Artikel 10 Nawerking verzekering
§ 1.4 Begrip werkgever
Artikel 11 De werkgever
§ 1.5 Het begrip loon en het begrip dagloon
Artikel 12 Het loon
Artikel 13 Dagloon en maandloon
Artikel 14 Indexering
§ 1.6 Het begrip arbeidsverleden
Artikel 15 Arbeidsverleden
HOOFDSTUK II. DE VERZEKERING
§ 2.1 De verzekering
Artikel 16 De verzekerden
Artikel 17 Aaneensluitende verzekering
§ 2.2 De vrijwillige verzekering
Artikel 18 Verplichte toelating tot vrijwillige verzekering
Artikel 19 Indiening verzoek en aanvang vrijwillige verzekering
Artikel 20 Beëindiging vrijwillige verzekering
Artikel 21 Hoogte dagloon en WGA-uitkering vrijwillige verzekering
Artikel 22 Schakelbepaling
HOOFDSTUK III. DE WACHTTIJD EN DE VERLENGING VAN DE LOONDOORBETALINGSVERPLICHTING
Artikel 23 De wachttijd
Artikel 24 Vrijwillige loondoorbetaling werkgever
Artikel 25 Reïntegratieverplichtingen en verplichte loondoorbetaling werkgever
Artikel 26 Vangnetsituaties
HOOFDSTUK IV. RECHTEN EN PLICHTEN IN VERBAND MET HET RECHT OP EEN UITKERING OP GROND VAN DEZE WET
§ 4.1 Verplichtingen van de verzekerde
Artikel 27 Informatieplicht en medewerking aan controle
Artikel 28 Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond van deze wet
Artikel 29 Plichten gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
Artikel 30 Plichten gericht op inschakeling in de arbeid
Artikel 31 Plichten wettelijke vertegenwoordiger
Artikel 32 Delegatiebevoegdheid
§ 4.2 Rechten van de verzekerde en reïtegratie-instrumenten
Artikel 33 Mogelijkheid geldend maken aanspraken en naleven plichten
Artikel 34 Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV
Artikel 35 Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van toelating naar arbeid
Artikel 36 Subsidieregeling werkgever
Artikel 37 Proefplaatsing
§ 4.3 Bevoegdheden en verplichtingen van het UWV
Artikel 38 Controlevoorschriften
Artikel 39 Reïntegratie-aanpak door het UWV
Artikel 40 Instroomcijfers WIA
Artikel 41 Periodieke beoordeling volledig en duurzaam arbeidsongeschikte met geringe kans op herstel
§ 4.4 Verplichtingen van de eigenrisicodrager
Artikel 42 Reïntegratieplicht eigenrisicodrager
HOOFDSTUK V. UITSLUITINGSGRONDEN VOOR HET RECHT OP EEN UITKERING
Artikel 43 Uitsluitingsgronden
Artikel 44 Nadere bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen
Artikel 45 Nadere bepalingen met betrekking tot in Nederland wonen
Artikel 46 Arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid bij aanvang van de verzekering
HOOFDSTUK VI. INKOMENSVERZEKERING VOOR VOLLEDIG EN DUURZAAM ARBEIDSONGESCHIKTEN
§ 6.1 Bepalingen in verband met het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 47 Ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 48 Later ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 49 Eindigen van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 50 Herleven van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
§ 6.2 De duur en hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 51 De hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 52 Inkomsten uit arbeid tijdens het recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 53 Verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid
HOOFDSTUK VII. UITKERING IN VERBAND MET WERKHERVATTING GEDEELTELIJK ARBEIDSGESCHIKTEN
§ 7.1 Bepalingen in verband met het recht op een WGA-uitkering
Artikel 54 Ontstaan van het recht op een WGA-uitkering
Artikel 55 Later ontstaan van het recht op een WGA-uitkering
Artikel 56 Eindigen van het recht op een WGA-uitkering
Artikel 57 Herleven van het recht op een WGA-uitkering
Artikel 58 Referte-eis
§ 7.2 De duur en hoogte van de WGA-uitkering
Artikel 59 De duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering
Artikel 60 De loonaanvullingsuitkering en de vervolguitkering van de WGA-uitkering
Artikel 61 De hoogte van de loongerelateerde uitkering en de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering
Artikel 62 De hoogte van de vervolguitkering van de WGA-uitkering
Artikel 63 Verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid
HOOFDSTUK VIII. DE AANVRAAG VAN DE UITKERING EN DE BETALING VAN DE UITKERING VAN HET UWV
§ 8.1 De aanvraag van de uitkering
Artikel 64 De aanvraag van de uitkering
Artikel 65 Reïntegratieverslag bij aanvraag
Artikel 66 Aanvraag van de uitkering bij verkorte wachttijd
§ 8.2 De betaling van de uitkering door het UWV
Artikel 67 Betaalbaarstelling
Artikel 68 Betaling vakantiebijslag
Artikel 69 Opschorting betaling uitkering aan vreemdelingen
Artikel 70 Betaling aan een minderjarige
Artikel 71 Betaling aan instellingen
Artikel 72 Betaling door UWV bij meerdere werkgevers
Artikel 73 Betaling in geval van samenloop
Artikel 74 Overlijdensuitkering
Artikel 75 Verjaringstermijn
Artikel 76 Intrekking en herziening beschikkingen
Artikel 77 Terugvordering
Artikel 78 Beschikking als executoriale beschikking
Artikel 79 Nadere regelgeving
Artikel 80 Onvervreemdbaarheid
Artikel 81 Niet voor beslag vatbare verstrekkingen
HOOFDSTUK IX. EIGENRISICODRAGEN DOOR DE WERKGEVER
Artikel 82 Periode van eigenrisicodragen
Artikel 83 Betaling bij eigenrisicodragen
Artikel 84 Afbakening eigenrisico
Artikel 85 Vrijstelling aangifte 13e weeks ziekmelding
Artikel 86 Administratiekosten
Artikel 87 Nadere regelgeving
HOOFDSTUK X. HANDHAVING
Artikel 88 Maatregelen UWV
Artikel 89 Maatregelen eigenrisicodrager
Artikel 90 Afstemming maatregel
Artikel 91 Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
Artikel 92 Voorschriften rond voorgenomen boete-oplegging
Artikel 93 Voorschriften rond boetebeschikking
Artikel 94 Niet-oplegging van boete
Artikel 95 Termijnstelling van boete
Artikel 96 Boetebeschikking executoriale schikking
Artikel 97 In kennis stellen reïntegratiebedrijf van sanctie-oplegging
HOOFDSTUK XI. INVLOED VAN DE VERZEKERING OP HET BURGERLIJK RECHT
Artikel 98 Samenloop aanspraken
Artikel 99 Regresrecht UWV en eigenrisicodrager
Artikel 100 Regresrecht binnen arbeidsverhouding
HOOFDSTUK XII. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN DE RECHTSGANG
§ 12.1 Beslistermijnen
Artikel 101 Algemene beslistermijnen
Artikel 102 Bijzondere beslistermijnen
§ 12.2 Bijzondere bepalingen in verband met medische beschikkingen
Artikel 103 Definitiebepaling
Artikel 104 Toestemming werknemer voor inzage medische stukken door werkgever
Artikel 105 Inzage door gemachtigde van werkgever indien door de werknemer geen toestemming is gegeven
Artikel 106 Motivering medische beschikking
Artikel 107 Bekendmaking medische beschikking
Artikel 108 Gronden bezwaar en beroep in bijlage
Artikel 109 Onderzoek ter zitting met gesloten deuren
Artikel 110 Voorlopige voorziening en hoger beroep
§ 12.3 Beslistermijnen in bezwaar en afzien horen belanghebbende
Artikel 111 Beslistermijn in bezwaar
Artikel 112 Bijzondere beslistermijn in bezwaar
Artikel 113 Afzien van horen belanghebbende
§ 12.4 Overige bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
Artikel 114 Beperking begrip belanghebbende
Artikel 115 Beperking bezwaar- en beroepsgronden werkgever
Artikel 116 Beroep in cassatie
Artikel 117 Wijzigingen in uitkering na bezwaar of beroep door werkgever
Artikel 118 Afwijking 8:69 Awb
Artikel 119 Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht
HOOFDSTUK XIII. OVERGANGSRECHT
Artikel 120 Samenloop met WAO met WAMIL
Artikel 121 Overgangsrecht in verband met nawerking verzekering
Artikel 122 Overgangsrecht in verband met aansluitende verzekering
Artikel 123 Overgangsrecht met betrekking tot de vrijwillige verzekering
Artikel 124 Overgangsrecht in verband met arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid bij aanvang van de verzekering
Artikel 125 Overgangsrecht met betrekking tot de me maatregelen
Artikel 126 Overgangsrecht in verband met artikel 51
Artikel 127 Overgangsrecht betreffende de duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering
Artikel 128 Overgangsrecht artikel 90
Artikel 129 Overgangsrecht betreffende arbeidsplaatsvoorzieningen
ex Wet REA toegekend aan niet-zelfstandigen
Artikel 130 Overgangsrecht inzake publicatie instroomcijfers WGA
Artikel 131 Overgangsrecht inzake delegatiebevoegdheid nadere regels maatregeloplegging
Artikel 132 Overgangsrecht inzake werkgeverssubsidie ex Wet REA
Artikel 133 OVergangsrecht inzake periode van eigenrisicodragen
HOOFDSTUK XIV. STRAFBEPALINGEN
Artikel 134 Strafbepaling overtreding wetsartikel
Artikel 135 Verval van recht tot strafvordering
Artikel 136 Overtredingen
HOOFDSTUK XV. SLOTBEPALINGEN
Artikel 137 Vervallen particuliere verzekering
Artikel 138 Buiten toepassingverklaring van Algemene termijnenwet
Artikel 139 Evaluatiebepaling
Artikel 140 Nummering
Artikel 141 Inwerkingtreding
Artikel 142 Citeertitel
HOOFDSTUK I. DEFINITIES EN ALGEMENE BEPALINGEN
§ 1.1 Diverse algemene begrippen
Artikel 1 Algemene begrippen (WIA)
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder:
– arbeidsongeschiktheidsuitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in hoofdstuk 6;
– arbodienst: een dienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet
1998;
– eigenrisicodrager: de werkgever aan wie op grond van artikel 40,
aanhef en eerste lid, onderdeel b of c, van de Wet financiering sociale
verzekeringen toestemming is verleend om zelf het risico te dragen van
betaling van het daarvoor in aanmerking komende deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of de WGA-uitkering;
– justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
– lichaam: publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon, maaten
vennootschap, samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die
maatschappelijk kan worden gelijkgesteld met een vereniging, onderneming
van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
– maatmaninkomen: hetgeen gezonde personen met soortgelijke
opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst
heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk
verdienen;
– onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een
gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin
de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
– Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
– reïntegratie: herstel, behoud en bevordering van de mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid en bevordering van inschakeling in de arbeid;
– reïntegratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van
personen in de arbeid bevordert;
– reïntegratieplan: het plan, bedoeld in artikel 39, derde lid;
– reïntegratievisie: de reïntegratievisie, bedoeld in artikel 39, eerste lid;
– sociaal-fiscaalnummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel j, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
– UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
– vreemdeling: de persoon, bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000;
– wachttijd: de wachttijd, bedoeld in artikel 23;
– WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten,
bedoeld in hoofdstuk 7;
– zelfstandige: de persoon, jonger dan 65 jaar:
1°. die in Nederland woont en die belastbare winst uit onderneming als
bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001
vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van
die wet, geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk
drijft;
2°. die niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse
onderneming als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting
2001 vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4
van die wet, geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening
feitelijk drijft; of
3°. die directeur-grootaandeelhouder is, en het werk tot stand brengt
uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming van de rechtspersoon
waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
Artikel 2 Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden (WIA)
1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de
eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam
gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen
hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van
deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te
dragen voor een ander als bedoeld in het derde lid.
6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.
Artikel 3 Woon- en vestigingsplaats (WIA)
1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen die binnen
Nederland hun thuishaven hebben, als deel van Nederland beschouwd.
§ 1.2 Begrip volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk
arbeidsgeschikt
Artikel 4 Definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (WIA)
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap
of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20%
te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch en
arbeidskundig stabiele of verslechterende situatie.
3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medisch en arbeidskundige
situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel
bestaat.
Artikel 5 Definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt (WIA)
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of
bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van
het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is.
Artikel 6 Nadere bepalingen definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt(WIA)
1. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig
en een arbeidskundig onderzoek.
2. Bij het vaststellen van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid wordt, zo mogelijk, rekening
gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden, maar wordt buiten
beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
3. Onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en 5 wordt verstaan
alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot het eerste, tweede en derde lid, en de artikelen 4 en 5
nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld die voor volledig en
duurzaam arbeidsongeschikten en gedeeltelijk arbeidsgeschikten
verschillend kunnen zijn. Hierbij kan tevens onderscheid worden gemaakt
tussen de situaties, bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid.
5. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een op
grond van het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling wordt pas gedaan nadat het ontwerp in de Staatscourant
is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden
om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied,
wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen.
Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers
der Staten-Generaal overgelegd.
6. Bij ministeriële regeling wordt een lijst opgesteld die aan de hand
van wetenschappelijke gegevens de hersteltermijnen van ziekten bevat.
Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, hanteert de verzekeringsarts
deze lijst als uitgangspunt.
§ 1.3 Begrip verplicht verzekerde
Artikel 7 De verplicht verzekerde(WIA)
1. Verplicht verzekerd is de werknemer.
2. Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verplicht
verzekerd zijn op grond van deze wet kan door de werknemer uitsluitend
bij het UWV worden ingediend.
Artikel 8 De werknemer (WIA)
1. Werknemer is de werknemer in de zin van de Ziektewet met
uitzondering van de werknemer die zijn werknemerschap ontleent aan
artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van die wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat
personen die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden
aangemerkt, voorzover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen.
3. Bij de toepassing van het eerste lid blijft artikel 6, tweede lid, van de
Ziektewet buiten toepassing ten aanzien van de persoon die geen arbeid
verricht wegens het genieten van ononderbroken onbetaald verlof tot een
maximum van achttien maanden, waarbij perioden van onbetaald verlof
die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen als
ononderbroken onbetaald verlof worden aangemerkt.
Artikel 9 Uitbreiding werknemerschap (WIA)
Als werknemer wordt mede beschouwd:
a. in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen de persoon, die ten
minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek
heeft verloren als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de
Werkloosheidswet, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond
van enige bepaling van die wet of van een regeling als bedoeld in
onderdeel b;
b. de persoon, die wegens werkloosheid niet werkt en die op grond van
een bij ministeriële regeling aan te wijzen, van overheidswege getroffen
regeling, uitkering ontvangt.
Artikel 10 Nawerking verzekering (WIA)
1. De persoon, die:
a. gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen verzekerd is
geweest, of
b. in de loop van de twee maanden, voorafgaande aan het einde van
zijn verzekering, op ten minste 16 dagen verzekerd is geweest,
wordt, indien hij in het in onderdeel a bedoelde geval binnen een
maand na het einde van die twee maanden en in het in onderdeel b
bedoelde geval binnen acht dagen na het einde van zijn verzekering ziek
wordt, voor het recht op een uitkering op grond van deze wet, beschouwd
alsof hij verzekerd was gebleven. Indien de verzekering berust op een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de Ziektewet, is de eerste zin
eerst na het eindigen van die dienstbetrekking van toepassing.
2. De in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn van twee
maanden wordt geacht niet te zijn onderbroken, indien de betrokkene
gedurende niet meer dan zeven dagen niet verzekerd is geweest. Voor de
toepassing van dit en het eerste lid wordt arbeid, in een aaneengesloten
nachtdienst op twee dagen verricht, gerekend als arbeid op één dag.
3. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de persoon, die
op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b van de Ziektewet, niet
verzekerd is.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld, op grond waarvan personen, die niet verzekerd zijn en
die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt
worden als gevolg van bij die maatregel aan te wijzen beroepsziekten,
voor het recht op een uitkering worden beschouwd alsof zij
verzekerd zijn.
§ 1.4 Begrip werkgever
Artikel 11 De werkgever (WIA)
1. Werkgever is de werkgever in de zin van de Ziektewet behoudens
voorzover deze zijn werkgeverschap ontleent aan artikel 10, onder 1°,
onder g, van die wet.
2. In de gevallen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is werkgever de
natuurlijke persoon tot wie, het lichaam of het orgaan van een lichaam tot
welk, de werknemer in dienstbetrekking staat.
3. In de gevallen, bedoeld in artikel 9, wordt als werkgever aangemerkt
de persoon of instantie, die door Onze Minister als werkgever wordt
aangewezen.
§ 1.5 Het begrip loon en het begrip dagloon
Artikel 12 Het loon (WIA)
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering
sociale verzekeringen; en
b. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van
de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een
werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
laatstgenoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
2. Loon, door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten,
wordt, voorzover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder
van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
Artikel 13 Dagloon en maandloon (WIA)
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet
recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat
de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de
laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak
waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot
volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid
heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag.
2. In afwijking van het eerste lid wordt in het in artikel 21 bedoelde
geval het dagloon op de daar genoemde wijze vastgesteld.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met
betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid,
en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld ter bepaling van het
dagloon ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van de vervolguitkering
van de WGA-uitkering, bedoeld in artikel 62, derde lid.
4. Het maandloon bedraagt:
a. indien recht op een uitkering bestaat over een volledige kalendermaand:
21,75 maal het dagloon; of
b. indien niet over een volledige kalendermaand recht op een uitkering
bestaat: de uitkomst van het aantal dagen in de betreffende kalendermaand
waarover recht op een uitkering bestaat gedeeld door het totaal
aantal dagen in de betreffende kalendermaand vermenigvuldigd met
21,75 maal het dagloon. Bij het bepalen van het aantal dagen worden de
zaterdagen en zondagen buiten beschouwing gelaten.
Artikel 14 Indexering (WIA)
1. De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de
mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van
de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien.
2. Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van
welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het
eerste lid plaatsvindt.
3. Op een beschikking als gevolg van een herziening van het dagloon
op grond van dit artikel zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
§ 1.6 Het begrip arbeidsverleden
Artikel 15 Arbeidsverleden (WIA)
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
arbeidsverleden verstaan de periode die wordt berekend door samentelling
van:
a. het aantal kalenderjaren, gelegen in de periode vanaf en met
inbegrip van 1998 tot en met het kalenderjaar voorafgaand aan het
kalenderjaar waarin de dag is gelegen waarop het recht op een uitkering
op grond van deze wet is ontstaan, of zou zijn ontstaan als artikel 23,
zesde lid, of 64, zevende lid, niet zou zijn toegepast, waarover de
werknemer aantoont over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben
ontvangen; en
b. het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin
de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot 1998.
2. Een kalenderjaar wordt in aanmerking genomen bij de berekening,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien volgens de beschikking,
bedoeld in artikel 83c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, de werknemer in dat jaar over 52 of meer dagen loon heeft
ontvangen.
3. Bij de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt, indien over
een kalenderjaar een beschikking als bedoeld in het tweede lid niet is
afgegeven, dat kalenderjaar in aanmerking genomen indien de
werknemer aantoont daarin over 52 of meer dagen loon te hebben
ontvangen.
4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, worden met
dagen waarover loon is ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar aard en
strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of met een uitkering op grond van
deze wet voor zover deze uitkering wordt toegekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 80% respectievelijk wordt toegekend over
periodes waarin de verzekerde slechts in staat is om met arbeid ten
hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur;
b. dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van
hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een
toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon,
waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, worden niet reeds
in aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon recht heeft op
kinderbijslag op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of
een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h,
van verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap
van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen
op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden,
die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) voor een tot
zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de
leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met
kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen. De in de
eerste zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon.
6. In afwijking van het vijfde lid worden over de periode tot 1 januari
2005, waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel
7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van verordening (EG) nr.
1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971
betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op
werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich
binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) voor een tot zijn
huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de
leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, gelijkgesteld met, en worden
dergelijke kalenderjaren over de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari
2007 voor drie kwart gelijkgesteld met, kalenderjaren waarin over 52 of
meer dagen loon is ontvangen.
7. Het vijfde en zesde lid vinden geen toepassing indien de verzorgende
persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een half jaar als
werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht
heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid of op de
loongerelateerde uitkering op grond van hoofdstuk 7 van deze wet.
8. Voor de toepassing van het vijfde en zesde lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, worden dagen,
tot een maximum van achttien maanden, waarover de werknemer
onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld met dagen, waarover loon is
ontvangen.
10. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als loon beschouwd
een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, met uitzondering van
een uitkering op grond van hoofdstuk IV van die wet, een uitkering op
grond van hoofdstuk 7 van deze wet met uitzondering van een uitkering
aan de persoon die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te
verdienen van het maatmaninkomen per uur, alsmede een uitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
11. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld:
a. ter vaststelling van het aantal dagen waarover loon is ontvangen,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid;
b. op grond waarvan voor het bepalen van het aantal van 52 dagen,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, dagen waarover,
anders dan bedoeld in het negende lid, geen loon is ontvangen, worden
gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen.
HOOFDSTUK 2. DE VERZEKERING
§ 2.1 De verzekering
Artikel 16 De verzekerden (WIA)
Naast de op grond van artikel 7 verplicht verzekerde personen en de op
grond van artikel 10 als verzekerd beschouwde personen zijn op grond
van deze wet en de daarop berustende bepalingen eveneens verzekerd
personen die zich vrijwillig hebben verzekerd op grond van paragraaf 2
van dit hoofdstuk.
Artikel 17 Aaneensluitende verzekering (WIA)
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gelden aaneensluitende verzekeringen op grond van deze wet als één
verzekering.
§ 2.2 De vrijwillige verzekering
Artikel 18 Verplichte toelating tot vrijwillige verzekering (WIA)
1. Het UWV laat op grond van deze paragraaf tot de vrijwillige
verzekering toe, mits hij hier te lande woont:
a. de persoon, wiens verplichte verzekering is geëindigd en van wie op
grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen
dat onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn,
dan wel die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel
16, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet;
b. de persoon, die, terwijl hij hier te lande woonde, in het buitenland
verplicht verzekerd was tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid, mits:
1°. hij niet meer in het buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer
werkzaamheden verricht in het buitenland; en
2°. op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te
nemen, dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuween
dienstbetrekking aan te gaan;
c. de persoon, wiens verplichte verzekering is geëindigd en die als
zelfstandige werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot
van de zelfstandige meewerkt of gaat meewerken, indien gedurende één
jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn verplichte
verzekering, onafgebroken, al dan niet in Nederland, op grond van een
wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid op hem van toepassing is geweest;
d. de persoon, die uit hoofde van een dienstbetrekking op grond
waarvan slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt
verricht verplicht verzekerd is, indien op hem gedurende de drie jaren,
onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang van de vrijwillige
verzekering, onafgebroken een wettelijke regeling tegen geldelijke
gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van toepassing is
geweest;
e. de persoon, wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste
lid, onderdeel c, van de Ziektewet niet als dienstbetrekking wordt
beschouwd;
f. de persoon, die op grond van artikel 7 van de Ziektewet als
werknemer wordt beschouwd en tevens als zelfstandige werkzaamheden
gaat verrichten of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat
meewerken, indien gedurende de drie jaren, onmiddellijk voorafgaand
aan de dag van aanvang van zijn vrijwillige verzekering, onafgebroken, al
dan niet in Nederland, op grond van een wettelijke regeling een
voorziening tegen geldelijke gevolgen van volledig duurzame arbeidsongeschiktheid
of verminderde arbeidsgeschiktheid op hem van toepassing
is geweest.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten
aanzien van de persoon, jonger dan 65 jaar, die op grond van artikel 3,
tweede of vijfde lid, van de Ziektewet, niet als werknemer wordt
beschouwd, en
a. wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten Nederland
woont, aldaar direct aansluitend op de beëindiging van de verplichte
verzekering een dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal vijf
jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is;
b. die Nederlander is en die is uitgezonden om door de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden in het kader
van ontwikkelingssamenwerking te verrichten;
c. die Nederlander is en die is uitgezonden om, in of buiten Nederland,
werkzaamheden te verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie,
waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door
Nederland worden ondersteund;
d. die in Nederland woont, en buiten Nederland een dienstbetrekking
vervult; of
e. die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden verricht die
worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk
worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter
uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te
stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
3. Aan het vervullen van een dienstbetrekking als bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, dient een aaneengesloten periode van verplichte
verzekering van ten minste één jaar te zijn voorafgegaan.
4. Met de Nederlander, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en e,
wordt gelijkgesteld de persoon, die onderdaan is van een van de lidstaten
van de Europese Gemeenschap of onderdaan is van een Staat, waarmee
Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten, mits hij
voor hij werd uitgezonden in Nederland woonde.
5. De in het eerste lid, onderdelen c en d, genoemde termijn van één
jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht niet te zijn onderbroken:
a. indien de betrokkene gedurende niet meer dan zestig dagen niet
verzekerd is geweest;
b. gedurende de wachttijd als bedoeld in artikel 23.
6. De in het eerste lid, onderdelen c respectievelijk d, genoemde
voorwaarde van een verzekeringsduur van één jaar respectievelijk van
drie jaren wordt geacht te zijn vervuld, indien de betrokkene een uitkering
ontvangt op grond van deze wet.
Artikel 19 Indiening verzoek en aanvang vrijwillige verzekering (WIA)
1. Het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering wordt
ingediend bij het UWV:
a. door de in artikel 18, eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde
personen binnen vier weken na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in artikel 18, eerste lid, onderdeel f, bedoelde persoon:
binnen vier weken na de dag, waarop zijn werkzaamheden als zelfstandige
of zijn werkzaamheden als echtgenoot van de zelfstandige in diens
bedrijfs- of beroepsuitoefening, een aanvang hebben genomen;
c. door de in artikel 18, tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon:
binnen vier weken na de dag, waarop de verplichte verzekering is
geëindigd;
d. door de in artikel 18, tweede lid, onderdelen b, c en e, bedoelde
persoon: binnen vier weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland
dan wel, indien de in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, bedoelde
werkzaamheden worden verricht in Nederland, binnen vier weken na de
dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;
e. door de in artikel 18, tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon:
binnen vier weken na de dag, waarop zijn werkzaamheden buiten
Nederland een aanvang hebben genomen.
2. Het UWV kan bepalen dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige
verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de daarop
berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn
ingekomen, indien de persoon die het verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs
niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
3. De vrijwillige verzekering vangt aan:
a. voor de in artikel 18, eerste lid, onderdelen a, b en c, en tweede lid,
onderdeel a, bedoelde persoon: op de dag na die, waarop de verplichte
verzekering is geëindigd;
b. voor de in artikel 18, eerste lid, onderdelen d, e en f, bedoelde
persoon: op de dag van ontvangst van zijn verzoek om toelating;
c. voor de in artikel 18, tweede lid, onderdelen b, c en e, bedoelde
persoon: op de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de
in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden
verricht in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden een aanvang
hebben genomen.
d. voor de in artikel 18, tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: op
de dag, waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang
hebben genomen.
Artikel 20 Beëindiging vrijwillige verzekering (WIA)
Het UWV beëindigt de vrijwillige verzekering:
a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem
te bepalen datum;
b. met ingang van de dag, waarop de termijn van vijf jaar, bedoeld in
artikel 18, tweede lid, onderdeel a, is verstreken;
c. met ingang van de dag, waarop de werkzaamheden, bedoeld in
artikel 18, tweede lid, worden beëindigd en de vrijwillig verzekerde niet
langer geacht kan worden inkomsten te verkrijgen wegens eindiging van
die werkzaamheden dan wel inkomsten te derven in geval van ziekte;
d. met ingang van de dag, waarop de vrijwillig verzekerde verplicht
verzekerd wordt op grond van deze wet;
e. indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle
kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of
f. indien niet langer wordt voldaan aan andere vereisten voor toelating
tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 18, tweede lid.
Artikel 21 Hoogte dagloon en WGA-uitkering vrijwillige verzekering (WIA)
1. De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt,
bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het
dagloon, met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen
genoemde bedrag eventueel verhoogd of verlaagd krachtens
artikel 18 van die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij in geval van volledig en duurzame
arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het UWV derft.
2. Voor de persoon die verzekerde is op grond van deze paragraaf
blijven bij het vaststellen van het recht op een WGA-uitkering en de duur
en hoogte daarvan de artikelen 54, derde en vierde lid, 58, en 59 tot en
met 62 buiten toepassing.
3. De hoogte van de WGA-uitkering op grond van de vrijwillige
verzekering bedraagt per kalendermaand: I × J waarbij:
I staat voor maandloon; en
J staat voor het uitkeringspercentage, dat bij een arbeidsongeschiktheid
van
a. 35–45%, 28%;
b. 45–55%, 35%;
c. 55–65%, 42%;
d. 65–80%, 50,75%; en bij
e. 80% of meer 70%, bedraagt.
4. De hoogte van de uitkering, bedoeld in het derde lid, wordt eerst
nadat een wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid ten minste
twee kalendermaanden heeft voortgeduurd, herzien.
Artikel 22 Schakelbepaling (WIA)
Voorzover daarvan in deze paragraaf niet wordt afgeweken zijn de
overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen van
overeenkomstige toepassing op deze paragraaf.
HOOFDSTUK 3. DE WACHTTIJD EN DE VERLENGING VAN DE LOONDOORBETALINGSVERPLICHTING
Artikel 23 De wachttijd (WIA)
1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op
grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.
2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in
een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is
gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere en afwijkende regels worden gesteld in verband
met het voor bijzondere gevallen vaststellen van welke dag als eerste
werkdag wordt aangemerkt.
3. Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in
aanmerking genomen:
a. perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de
Ziektewet en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking
genomen en worden samengeteld, indien zij:
1°. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen;
of
2°. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering
in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste
lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij
de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende
op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak; en
b. perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen maar waarin
de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Deze perioden
worden samengeteld, indien zij:
1°. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen;
of
2°. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering
in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste
lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij
de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende
op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
4. Met recht op ziekengeld als bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld
de situatie dat aan een verzekerde geen ziekengeld wordt betaald als
gevolg van de toepassing van de artikelen 19a en 19b van de Ziektewet en
de daarop berustende bepalingen.
5. Voor het bepalen van de wachttijd worden niet in aanmerking
genomen perioden gedurende welke een uitkering wordt genoten als
bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 2°.
6. Op aanvraag van de verzekerde stelt het UWV, in afwijking van het
eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en bij
de aanvraag artikel 65 in acht is genomen. Een verkorte wachttijd
bedraagt ten minste 26 weken en ten hoogste 78 weken. Het einde van
een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de
dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend. Dit lid is niet van
toepassing op de verzekerde aan wie ziekengeld als bedoeld in artikel 29,
tweede lid, van de Ziektewet wordt uitgekeerd.
Artikel 24 Vrijwillige loondoorbetaling werkgever (WIA)
1. Na afloop van de wachttijd wordt het tijdvak, gedurende welke de
verzekerde jegens zijn werkgever, recht heeft op loon of bezoldiging, op
gezamenlijk verzoek van de verzekerde en die werkgever door het UWV
verlengd tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.
2. Het verlengde tijdvak, bedoeld in het eerste lid, eindigt op de door
het UWV aangegeven datum en kan op verzoek van de werkgever of de
verzekerde worden verkort, of wordt op hun gezamenlijk verzoek verder
verlengd tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.
3. Het UWV stelt bij toepassing van het tweede lid een nieuwe datum
vast waarop het verlengde tijdvak eindigt, met dien verstande dat dit
tijdvak niet eerder eindigt dan vijftien weken na het verzoek, bedoeld in
het tweede lid, tenzij de werkgever voor het verstrijken van het tijdvak van
die vijftien weken geen loon meer verschuldigd is, omdat de dienstbetrekking
is geëindigd.
Artikel 25 Reïntegratieverplichtingen en verplichte loondoorbetaling werkgever (WIA)
1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in
artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft
op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet
houdt aantekening van het verloop van de ziekte
en de reïntegratie van de verzekerde.
2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële
regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de
verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van
aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het
plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.
3. Uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de
werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een
reïntegratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.
4. Indien artikel 24, eerste lid, toepassing heeft gevonden:
a. stelt de werkgever in overleg met de verzekerde, indien hij nog geen
reïntegratieverslag heeft opgesteld, in afwijking van het derde lid, het
reïntegratieverslag uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van het
door het UWV vastgestelde verlengde tijdvak, bedoeld in artikel 24, eerste
lid, op en verstrekt een afschrift daarvan aan de verzekerde;
b. vult de werkgever in overleg met de verzekerde, indien hij al een
reïntegratieverslag heeft opgesteld dit reïntegratieverslag uiterlijk vijftien
weken voor het verstrijken van het door het UWV vastgestelde verlengde
tijdvak, bedoeld in artikel 24, eerste lid, aan en verstrekt een afschrift
daarvan aan de verzekerde, tenzij de verzekerde verzoekt dit, in verband
met het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 64 eerder te doen.
De werkgever komt binnen twee weken aan dit verzoek tegemoet.
5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de
werkgever zich bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste
lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 die belast is met de bijstand,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of door een
arbodienst.
6. De verzekerde verleent zijn medewerking bij het opstellen van het
plan van aanpak en het opstellen van het reïntegratieverslag.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste
tot en met zesde lid worden gesteld.
8. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 blijkt
dat de werkgever zijn verplichting om een reïntegratieverslag op te stellen
niet of niet volledig is nagekomen, stelt het UWV aan de werkgever een
termijn waarbinnen het reïntegratieverslag wordt verstrekt of aangevuld.
9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en
de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder
deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede,
derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde
regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratieinspanningen
heeft verricht stelt het UWV een tijdvak vast, gedurende
welke de verzekerde jegens die werkgever recht op loon heeft op grond
van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak
op bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing
ziekteverzuim. Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt
afgestemd op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende
reïntegratie-inspanningen te leveren.
10. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van
het negende lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 26 Vangnetsituaties (WIA)
1. In afwijking van artikel 25, is op het UWV ten aanzien van de
verzekerde die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b, c of d,
van de Ziektewet recht heeft op ziekengeld, artikel 25, tweede tot en met
het tiende lid, niet van toepassing en is artikel 25, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing. Het UWV stelt, binnen een bij ministeriële regeling
nader te bepalen termijn, in overleg met die verzekerde, een plan van
aanpak op. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd. Artikel 30a,
derde en vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen is van overeenkomstige toepassing, waarbij
voor «de reïntegratievisie» telkens wordt gelezen: het plan van aanpak.
2. Artikel 25, vierde, achtste, negende en tiende lid, is niet van
toepassing op de werkgever van de verzekerde die op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel e, f of g, van de Ziektewet dan wel op grond van
artikel 29a, eerste of vierde lid, van die wet recht heeft op ziekengeld.
3. In afwijking van het eerste lid is artikel 25, eerste, tweede, derde,
vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing op
de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid,
onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking
stonden. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in
artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65, blijkt dat de eigenrisicodrager,
bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond de uit die zin
voortvloeiende verplichtingen dan wel de krachtens het zevende lid
gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratieinspanningen
heeft verricht stelt het UWV een tijdvak vast, gedurende
welke de persoon, bedoeld in de eerste zin, recht op ziekengeld heeft op
grond van artikel 29 van de Ziektewet. Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken
en wordt afgestemd op de periode die nodig wordt geacht om alsnog
voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor
de uitvoering van dit artikel.
HOOFDSTUK 4. RECHTEN EN PLICHTEN IN VERBAND MET HET RECHT OP EEN UITKERING OP GROND VAN DEZE WET
§ 4.1 Verplichtingen van de verzekerde
Artikel 27 Informatieplicht en medewerking aan controle (WIA)
1. De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of
een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling
waaraan op grond van artikel 71 een uitkering op grond van deze wet
wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig
mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet
zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van
de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen
informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV.
2. De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of
een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet is verplicht:
a. te voldoen aan elke oproep van het UWV of van een of meer door het
UWV aangewezen personen om aanwezig te zijn op een door of vanwege
het UWV te bepalen plaats voor beantwoording van vragen als bedoeld in
onderdeel b het meewerken aan onderzoek als bedoeld in onderdeel c of
het naleven van de controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel d;
b. vragen te beantwoorden die door het UWV of door een of meer door
het UWV aangewezen personen in verband met het recht op uitkering op
grond van deze wet worden gesteld;
c. mee te werken door zich te laten onderzoeken door het UWV of door
een of meer daartoe door het UWV aangewezen personen;
d. tot naleving van door het UWV vastgestelde controlevoorschriften
die noodzakelijk zijn voor een juiste uitvoering van deze wet;
e. op verzoek onverwijld inzage te geven aan het UWV in een op hem
betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°
tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht.
3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op oproepen, vragen en onderzoeken door:
a. de Centrale organisatie werk en inkomen;
b. het reïntegratiebedrijf dat in opdracht van het UWV of de eigenrisicodrager
werkzaamheden, verricht; of
c. personen die met toestemming van het UWV of de eigenrisicodrager
zijn aangewezen door een reïntegratiebedrijf als bedoeld in onderdeel b,
voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij wet of
overeenkomst aan deze personen en rechtspersonen opgedragen taken.
4. De verzekerde die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet
en die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn reïntegratieverplichtingen
niet naleeft, deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan
het reïntegratiebedrijf.
5. De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of
een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet is verplicht te
voldoen aan het voorschrift, gegeven door het UWV of de door hem
daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen
of te verblijven in een aangewezen inrichting.
6. De eigenrisicodrager treedt voor de toepassing van het eerste en
tweede lid, voorzover het betreft de naleving door zijn werknemer of
gewezen werknemer van plichten die reïntegratie betreffen, in de plaats
van het UWV.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de persoon die
tijdens de wachttijd, met uitzondering van de eerste dag van die wachttijd,
geen verzekerde is op grond van deze wet.
8. De werkgever die een aanvraag heeft ingediend voor of recht heeft
op een subsidie als bedoeld in artikel 36 en de persoon, niet zijnde
verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die een aanvraag heeft ingediend
voor of recht heeft op een voorziening als bedoeld in artikel 35,
verstrekken op verzoek van het UWV of uit eigen beweging zo spoedig
mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet
zijn dat zij van invloed kan zijn op de verstrekking of toekenning of op de
duur of de hoogte van het reïntegratie-instrument, aan het UWV.
Artikel 28 Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond van deze wet (WIA)
1. De verzekerde voorkomt het ontstaan van arbeidsongeschiktheid of
verminderde arbeidsgeschiktheid en beperkt het bestaan van arbeidsongeschiktheid
of verminderde arbeidsgeschiktheid, voorzover dit redelijkerwijs
van hem verwacht mag worden.
2. De verzekerde is gedurende de wachttijd alsmede het verlengde
tijdvak, bedoeld in artikel 24, eerste lid, en het tijdvak, bedoeld in artikel
25, negende lid, verplicht:
a. mee te werken aan door zijn werkgever of door een door die
werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of
getroffen maatregelen die erop gericht zijn om hem in staat te stellen
passende arbeid te verrichten; en
b. voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten.
Voor de toepassing van dit artikellid wordt onder werkgever mede
verstaan de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h,
van de Ziektewet.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de persoon die
tijdens de wachttijd, met uitzondering van de eerste dag van die wachttijd,
geen verzekerde is op grond van deze wet.
Artikel 29 Plichten gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid (WIA)
1. De verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering is verplicht in
voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van
passende arbeid te behouden of te verkrijgen.
2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, is de verzekerde
die recht heeft op een WGA-uitkering in elk geval verplicht:
a. zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts
op te volgen indien het UWV of de eigenrisicodrager of het reïntegratiebedrijf
in opdracht van het UWV of de eigenrisicodrager, daartoe opdracht
geeft en zijn genezing niet te belemmeren;
b. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn
inschakeling in de arbeid, die het UWV of de eigenrisicodrager wenselijk
acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende
arbeid ;
c. mee te werken aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan
persoonsgebonden voorzieningen die het UWV of de eigenrisicodrager
verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende
arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die voorzieningen te
verkrijgen;
d. mee te werken aan het opstellen van de reïntegratievisie en het
reïntegratieplan;
e. te voldoen aan verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie
en het reïntegratieplan.
Artikel 30 Plichten gericht op inschakeling in de arbeid (WIA)
1. De verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering is verplicht:
a. passende arbeid te verrichten indien hij daartoe in de gelegenheid
wordt gesteld;
b. in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen; en
c. geen eisen te stellen in verband met door hem te verrichten arbeid
die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
2. De verzekerde die zijn resterende verdiencapaciteit als bedoeld in
paragraaf 7.2 niet volledig benut en die recht heeft op een WGA-uitkering,
is verplicht zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en
inkomen te laten registreren, indien hem daartoe het recht toekomt op
grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen en het UWV of de eigenrisicodrager hem dit
opdraagt.
3. De verzekerde die recht heeft op een loongerelateerde uitkering van
de WGA-uitkering is verplicht zich in al zijn gedragingen te richten op het
voorkomen van verwijtbaar verlies van passende arbeid.
4. In dit hoofdstuk wordt onder passende arbeid verstaan alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden van de verzekerde is berekend, tenzij
aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet
van hem kan worden gevergd.
Artikel 31 Plichten wettelijke vertegenwoordiger (WIA)
De plichten, bedoeld in artikel 27, 28, 29, 30 en 64, derde lid, worden,
indien de in die artikelen genoemde verzekerde een wettelijk vertegenwoordiger
heeft, door die vertegenwoordiger nageleefd. Voorzover de
plichten slechts door de verzekerde kunnen worden nageleefd, bevordert
de wettelijk vertegenwoordiger die naleving.
Artikel 32 Delegatiebevoegdheid (WIA)
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de artikelen 27, 28, 29 en 30, eerste tot en met
derde lid.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waarbij
bepaalde groepen werknemers, voor een bij die regeling te bepalen
maximale periode, worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond
van artikel 29 en 30, eerste lid, opgelegd.
§ 4.2 Rechten van de verzekerde en reïntegratie-instrumenten
Artikel 33 Mogelijkheid geldend maken aanspraken en naleven plichten (WIA)
De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend, of
een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet wordt door zijn
werkgever in de gelegenheid gesteld tot het geldend maken van de hem
op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen toekomende
aanspraken en tot het nakomen van de hem op grond van deze wet en de
daarop berustende bepalingen opgelegde verplichtingen, voorzover de
uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen
niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
Artikel 34 Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV (WIA)
1. De verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering en wiens
uitkering door het UWV wordt betaald, heeft recht op ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het UWV noodzakelijk
geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling, tenzij artikel 42 van
toepassing is.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld op grond waarvan het UWV op aanvraag van de
verzekerde, bedoeld in het eerste lid, of een verzekerde met naar het
oordeel van het UWV structurele functionele beperkingen, in het kader
van de bevordering en ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als
zelfstandige, voorzieningen kan verstrekken.
3. Dit artikel is niet van toepassing op de verzekerde, die werkzaam is
als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening of op een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale
werkvoorziening.
Artikel 35 Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid (WIA)
1. Het UWV kan aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV
structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking
verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, of die scholing
of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het
arbeidsproces volgt of gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of
gaat verrichten, met uitzondering van de persoon, bedoeld in artikel 34,
derde lid, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud,
herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid,
het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op
die proefplaats.
2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend
verstaan:
a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon, bedoeld in
het eerste lid, zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken;
b. intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een visuele,
auditieve of motorische handicap; en
c. meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de
arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de
opleidingsplaats of de proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te
gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de
persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd.
3. Het UWV kan aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, op aanvraag
vervoersvoorzieningen toekennen die strekken tot verbetering van zijn
leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks
samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
a.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Artikel 36 Subsidieregeling werkgever (WIA)
1. Het UWV kan op aanvraag van de werkgever die met een werknemer
een dienstbetrekking, anders dan een dienstbetrekking in de zin van de
WSW of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de Wet
sociale werkvoorziening, van ten minste zes maanden is aangegaan of
waarmee door elkaar opvolgende dienstbetrekkingen gedurende ten
minste zes maanden een dienstbetrekking blijkt te bestaan, subsidie
verstrekken voor meerkosten voorzover:
a. die werkgever aantoont dat het totaal van de kosten die hij maakt of
heeft gemaakt ten behoeve van het in dienst houden of in dienst nemen
van een werknemer met een naar het oordeel van het UWV structurele
functionele beperking meer bedraagt dan bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen bedragen, die in hoogte verschillen afhankelijk van de
hoogte van het loon van de werknemer;
b. die werkgever, na ommekomst van de periode van 3 respectievelijk
1 jaar, genoemd in artikel 49 van de Wet financiering sociale verzekeringen,
kosten maakt of heeft gemaakt ten behoeve van het in dienst
houden van een werknemer als bedoeld in onderdeel a.
2. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan de
kosten van voorzieningen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, voorzover die
naar de aard der zaak duurzaam zijn verenigd met het bedrijf van de
werkgever.
3. Een subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt, indien
de subsidie wordt aangevraagd voor een werknemer voor wie reeds
eerder aan de werkgever subsidie op grond van dit artikel is verstrekt,
tenzij de subsidieaanvraag:
a. geen verband houdt met feiten en omstandigheden die aanleiding
zijn geweest voor het verstrekken van de subsidie;
b. betrekking heeft op door de werkgever gemaakte kosten ter
vervanging van de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen door de
werknemer.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en
zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Daarbij kunnen regels worden gesteld met betrekking tot subsidie in geval
van overgang van onderneming als bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek alsmede met betrekking tot de te verstrekken
gegevens bij een aanvraag voor subsidie.
Artikel 37 Proefplaatsing (WIA)
1. Het UWV en de eigenrisicodrager kunnen, in het kader van de
bevordering van de inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan
de gedeeltelijk arbeidsgeschikte die recht heeft op een uitkering op grond
van deze wet om op een proefplaats bij een werkgever gedurende
maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten.
2. De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats zijn:
a. werkzaamheden, waartoe de gedeeltelijk arbeidsgeschikte met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden, waarbij de werkgever, bij wie de proefplaatsing
geschiedt, een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve
van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte heeft afgesloten;
c. werkzaamheden, die de gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet reeds
eerder onbeloond op een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger
heeft verricht; en
d. werkzaamheden, waarbij er, naar het oordeel van het UWV of de
eigenrisicodrager, een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde
werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere
omvang voor ten minste 6 maanden.
3. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte die werkzaamheden verricht als
bedoeld in het eerste lid, doet daarvan onverwijld mededeling aan het
UWV of de eigenrisicodrager.
4. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte
worden onderbroken, wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte
wordt ontvangen, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing
gelaten.
5. In afwijking van artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte die onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als
bedoeld in het eerste of tweede lid verricht, voor de duur van de
proefplaatsing niet verplicht passende arbeid te verkrijgen.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de uitvoering van dit artikel.
§ 4.3 Bevoegdheden en verplichtingen van het UWV
Artikel 38 Controlevoorschriften (WIA)
Het UWV kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften gaan
niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze
wet.
Artikel 39 Reïntegratie-aanpak door het UWV (WIA)
1. Nadat het recht op een WGA-uitkering is vastgesteld, stelt het UWV
in samenspraak met de verzekerde een reïntegratievisie vast waarin
verplichtingen en rechten van de verzekerde zijn vermeld.
2. Het UWV evalueert, in samenspraak met de verzekerde, periodiek de
reïntegratievisie en stelt deze zo nodig bij.
3. Indien de reïntegratievisie daartoe aanleiding geeft laat het UWV ten
behoeve van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een plan gericht op
behoud en verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en
inschakeling in arbeid opstellen door een reïntegratiebedrijf. Het
reïntegratieplan wordt in samenspraak met de verzekerde opgesteld.
4. In het reïntegratieplan worden verplichtingen en rechten van de
verzekerde vermeld voorzover die niet in de reïntegratievisie zijn vermeld.
5. Indien een reïntegratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het
gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie een WGA-uitkering
is toegekend onvoldoende medewerking verleent aan de op hem
betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt
het UWV een beschikking met betrekking tot de gehele of gedeeltelijke
opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon
voor de duur van ten hoogste acht weken.
6. Het UWV stelt het reïntegratiebedrijf in kennis van een beschikking
tot opschorting of schorsing als bedoeld in het vijfde lid.
7. Dit artikel is niet van toepassing indien artikel 42 van toepassing is.
Artikel 40 Instroomcijfers WIA (WIA)
1. Het UWV maakt per werkgever, die behoort tot een bij ministeriële
regeling te bepalen categorie, het percentage werknemers van die
werkgever dat in een kalenderjaar recht heeft gekregen op een
WGA-uitkering openbaar. Dat percentage wordt verkregen door het aantal
werknemers dat in dienstbetrekking stond tot die werkgever, dat recht
heeft gekregen op een WGA-uitkering in het kalenderjaar dat voorafgaat
aan het kalenderjaar waarin openbaarmaking plaatsvindt, te delen door
het gemiddelde aantal werknemers dat in dienstbetrekking stond tot die
werkgever gedurende het kalenderjaar dat voorafgaat aan eerstgenoemd
kalenderjaar.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder recht krijgen op
een WGA-uitkering verstaan het voor de eerste maal betaald krijgen van
die uitkering.
3. Indien een werkgever, met toepassing van de artikelen 96 en 97 van
de Wet financiering sociale verzekeringen is aangesloten bij verschillende
sectoren, vindt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever, waar
werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector,
de in het eerste lid bedoelde openbaarmaking afzonderlijk plaats.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de wijze van openbaarmaking van gegevens als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 41 Periodieke beoordeling volledig en duurzaam arbeidsongeschikte met geringe kans op herstel (WIA)
Het UWV beoordeelt met inachtneming van artikel 6 en de daarop
berustende bepalingen gedurende de eerste vijf jaar nadat recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan jaarlijks of de verzekerde die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, derde
lid, nog volledig arbeidsongeschikt is.
§ 4.4 Verplichtingen van de eigen risicodrager
Artikel 42 Reïntegratieplicht eigen risicodrager (WIA)
1. De eigenrisicodrager bevordert ten aanzien van de verzekerde,
bedoeld in artikel 82, die recht heeft op een WGA-uitkering, de inschakeling
in de arbeid in zijn bedrijf of in het bedrijf van een andere
werkgever.
2. Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid,
treft de eigenrisicodrager maatregelen gericht op behoud, herstel of
bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid van de
verzekerde.
3. De eigenrisicodrager verstrekt aan een reïntegratiebedrijf gegevens
voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van werkzaamheden,
die de eigenrisicodrager in verband met de taak, bedoeld in het eerste lid,
aan dat reïntegratiebedrijf heeft opgedragen, alsmede het sociaalfiscaalnummer
van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door dat
reïntegratiebedrijf wordt bevorderd. Het reïntegratiebedrijf verwerkt deze
gegevens slechts voorzover dat noodzakelijk is voor deze werkzaamheden
en gebruikt slechts met dat doel het sociaal-fiscaalnummer bij die
verwerking.
4. Indien artikel 72 van toepassing is overlegt de eigenrisicodrager met
het UWV of met een andere eigenrisicodrager, indien de verzekerde meer
werkgevers heeft gehad die ook eigenrisicodrager zijn, over de uitoefening
van de taak, bedoeld in het eerste lid.
5. De eigenrisicodrager evalueert periodiek het plan van aanpak dat is
opgesteld op grond artikel 25, tweede lid.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot dit artikel.
HOOFDSTUK 5. UITSLUITINGSGRONDEN VOOR HET RECHT OP EEN UITKERING
Artikel 43 Uitsluitingsgronden (WIA)
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. het recht hebben op een uitkering:
1°. op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van deze wet; of
2°. op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid
en zorg als gevolg van de toepassing van artikel 3:6, eerste lid, onderdeel
b, onder 2° van die wet;
b. het nog niet geëindigd zijn van het tijdvak waarin recht bestaat op
loon op grond van artikel 629, elfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek of op bezoldiging op grond van
artikel 76a, zesde lid, van de Ziektewet
of op ziekengeld op grond van artikel 29,
negende lid, van de Ziektewet, tenzij dit loon of deze bezoldiging
uitsluitend wordt genoten uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan
de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 23, tweede lid;
c. volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid;
d. het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen;
e. het niet in Nederland wonen;
f. het bereiken of bereikt hebben van de eerste dag van de kalendermaand
waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt;
g. overlijden van de verzekerde.
Artikel 44 Nadere bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen (WIA)
1. Artikel 43, onderdeel d, is niet van toepassing op:
a. de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht; en
b. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën
personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel plaatsvindt buiten een justitiële inrichting.
2. In afwijking van artikel 49, eerste lid, onderdeel b, en 56, eerste lid,
onderdeel b, is artikel 43, onderdeel d, eerst van toepassing met ingang
van de dag dat de persoon één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
Artikel 45 Nadere bepalingen met betrekking tot in Nederland wonen (WIA)
1. Artikel 43, onderdeel e, is niet van toepassing op de verzekerde die
woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie recht op een uitkering op grond van deze
wet kan bestaan.
2. Onze Minister deelt mee in welke landen op grond van een verdrag
of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op een uitkering
op grond van deze wet kan bestaan. In deze mededeling wordt tevens
opgenomen:
a. de vindplaats van het desbetreffende verdrag of besluit, en
b. de eventueel in dat verdrag of besluit aanwezige beperkingen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot artikel 43, onderdeel e, afwijkende regels worden gesteld
ten gunste van:
a. de verzekerde, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang
en niet in Nederland woont;
b. de verzekerde, die in de Nederlandse Antillen of Aruba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
Artikel 46 Arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid bij aanvang van de verzekering (WIA)
1. In dit artikel wordt verstaan onder volledige arbeidsongeschiktheid
het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte,
gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat zijn om met arbeid ten
hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2. Artikel 43, onderdeel c, is van toepassing indien er sprake is van
volledige arbeidsongeschiktheid:
a. die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering of
ontstond tijdens een periode waarin de verzekerde op grond van artikel 64
Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing van de verplichtingen
op grond van deze wet had wegens gemoedsbezwaren; of
b. die binnen een half jaar na het tijdstip van aanvang van de verzekering
of na het tijdstip van eindiging van de periode, bedoeld in
onderdeel a, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de
verzekerde op dat tijdstip het intreden van die arbeidsongeschiktheid
binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.
3. Bij de vaststelling van het maatmaninkomen wordt buiten
aanmerking gelaten verdiensten die meer bedragen dan gelet op de
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid kan worden verdiend door de verzekerde
die:
a. gedeeltelijk arbeidsgeschikt, doch niet volledig arbeidsongeschikt is
op het tijdstip van aanvang van de verzekering of op het moment van
eindiging van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode; of
b. gedeeltelijk arbeidsgeschikt, doch niet volledig arbeidsongeschikt
wordt binnen een half jaar na het tijdstip van aanvang van verzekering of
na het tijdstip van eindiging van de in het tweede lid, onderdeel a,
bedoelde periode, terwijl de gezondheidstoestand van de verzekerde op
dat tijdstip het intreden van deze gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid binnen
een half jaar kennelijk moest doen verwachten.
Onderdeel b strekt zich mede uit tot afname van arbeidsgeschiktheid
voor zover deze kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als die tot
die gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid en die binnen een half
jaar na aanvang van de verzekering is ingetreden.
4. Het tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, blijven buiten
toepassing ten aanzien van de verzekerde, die onmiddellijk voorafgaande
aan het tijdstip van aanvang van de verzekering, in verband met artikel 6,
eerste lid, onderdeel a of b, van de Ziektewet niet verzekerd was.
5. Indien de bij de aanvang van de verzekering, bedoeld in het tweede
en derde lid, aanwezige arbeidsongeschiktheid nadien is afgenomen of
aanwezige gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid nadien is toegenomen, wordt
in plaats van de aanvang van de verzekering gelezen het tijdstip waarop
de arbeidsongeschiktheid is afgenomen respectievelijk de gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid toenam.
6. Artikel 6 en de daarop berustende bepalingen is van overeenkomstige
toepassing op dit artikel.
HOOFDSTUK 6. INKOMENSVERZEKERING VOOR VOLLEDIG EN DUURZAAM ARBEIDSONGESCHIKTEN
§ 6.1 Bepalingen in verband met het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 47 Ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA)
1. Recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de
verzekerde die ziek wordt indien:
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
2. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet
eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die
dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van
toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet.
Artikel 48 Later ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA)
1. Indien op de dag, bedoeld in artikel 47, tweede lid, geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die
dag niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, ontstaat alsnog recht
op die uitkering met ingang van de dag dat hij wel volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt wordt indien hij op de dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een WGA-uitkering;
b. geen recht had op een WGA-uitkering omdat hij minder dan 35%
arbeidsongeschikt was en de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 47, tweede lid, bedoelde
dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij
gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid;
of
c. geen recht had op een WGA-uitkering omdat hij minder dan 35%
arbeidsongeschikt was en de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
intreedt binnen vier weken na de in artikel 47, tweede lid,
bedoelde dag en voortkomt uit een andere oorzaak als op grond waarvan
hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn
arbeid.
2. Indien op de dag, bedoeld in artikel 47, tweede lid, geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan omdat op die dag op de
verzekerde een of beide uitsluitingsgronden, bedoeld in artikel 43,
onderdeel d of e, van toepassing waren, ontstaat alsnog recht op die
uitkering op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer
voordoet.
Artikel 49 Eindigen van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA)
1. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt op de dag
dat:
a. de persoon die recht heeft op die uitkering niet meer volledig
arbeidsongeschikt is; of
b. er op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43, onderdeel
d, e, f of g van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de persoon die aansluitend aan het
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van het feit dat
hij niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt is geen recht krijgt op een
WGA-uitkering, na twee maanden.
Artikel 50 Herleven van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA)
1. Indien op grond van artikel 49, eerste lid, onderdeel a, het recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd, herleeft het recht op
die uitkering op de dag dat de verzekerde weer volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt wordt indien hij op de dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een WGA-uitkering; of
b. geen recht had op een WGA-uitkering en de volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na die dag van eindiging
en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht
had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2. Indien op grond van artikel 49, eerste lid, onderdeel b, het recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd omdat op de persoon
die recht had op die uitkering een of beide uitsluitingsgronden, bedoeld in
artikel 43, onderdeel d of e, van toepassing waren, herleeft het recht op
die uitkering op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer
voordoet.
§ 6.2 De duur en hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 51 De hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA)
De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per kalendermaand
70% van het maandloon.
Artikel 52 Inkomsten uit arbeid tijdens het recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA)
1. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt per kalendermaand
70% van het in die kalendermaand verworven inkomen in mindering
gebracht.
2. Indien de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte gedurende een
aaneengesloten termijn van twaalf kalendermaanden per kalendermaand
een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan 20% van het maatmaninkomen
per kalendermaand, roept het UWV de verzekerde op voor een
onderzoek naar het voortbestaan van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op bij ministeriële regeling te
bepalen groepen volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
4. In dit artikel wordt onder inkomen verstaan het inkomen uit arbeid in
het bedrijfs- en beroepsleven.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere en zonodig
afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in dit
artikel. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de vaststelling van dat inkomen alsmede van de periode
waarop die vaststelling betrekking heeft.
Artikel 53 Verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (WIA)
Indien de verzekerde verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende
toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging
nodig maakt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de duur van
die hulpbehoevendheid verhoogd door vermenigvuldiging met ten
hoogste een factor 100/70. De eerste zin vindt geen toepassing, indien de
verzekerde in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering
inzake ziektekosten.
HOOFDSTUK 7. UITKERING IN VERBAND MET WERKHERVATTING GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTEN
§ 7.1 Bepalingen in verband met het recht op een WGA-uitkering
Artikel 54 Ontstaan van het recht op een WGA-uitkering (WIA)
1. Recht op een WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek
wordt indien:
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
b. hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
2. Het recht op een WGA-uitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste
dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond,
bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich
die uitsluitingsgrond niet meer voordoet.
3. De WGA-uitkering bestaat voor de verzekerde die voldoet aan de
referte-eis, bedoeld in artikel 58 uit een loongerelateerde uitkering en na
afloop hiervan uit een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering.
4. De WGA-uitkering bestaat voor de verzekerde die niet voldoet aan de
referte-eis, bedoeld in artikel 58 uit een loonaanvullingsuitkering of een
vervolguitkering.
Artikel 55 Later ontstaan van het recht op een WGA-uitkering (WIA)
1. Indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een
WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is, ontstaat alsnog recht op die uitkering met ingang
van de dag dat hij wel gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt indien hij op de
dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid
voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij
gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid;
of
c. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid
voortkomt uit een andere oorzaak als op grond waarvan hij
gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
2. Indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een
WGA-uitkering is ontstaan omdat op die dag op de verzekerde een of
beide uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43, onderdeel d of e, van
toepassing waren, ontstaat alsnog recht op deze uitkering op de dag dat
zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.
3. Het recht op een WGA-uitkering kan in de situatie, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid niet later ingaan dan vijf jaar na
de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, en in de situatie, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, niet later dan vier weken na de dag, bedoeld in
artikel 54, tweede lid.
Artikel 56 Eindigen van het recht op een WGA-uitkering (WIA)
1. Het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat:
a. de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; of
b. er op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43, onderdeel
a, onder 2°, d, e, f of g van toepassing is;
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een
WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid
lager is dan 35%, twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde
uitkering van de WGA-uitkering eindigt.
3. In afwijking van het tweede lid, eindigt het recht op een WGAuitkering
van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager
is dan 35%, omdat hij met arbeid meer verdient dan 65% van het
maatmaninkomen per uur, één jaar na de dag waarop hij niet langer
gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de
loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.
Artikel 57 Herleven van het recht op een WGA-uitkering (WIA)
1. Indien op grond van artikel 56, eerste lid, onderdeel a, tweede of
derde lid het recht op een WGA-uitkering is geëindigd, herleeft het recht
op die uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt
wordt indien hij op de dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond
waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
2. Indien op grond van artikel 56, eerste lid, onderdeel b, geen recht op
een WGA-uitkering meer bestaat omdat op de persoon die recht had op
die uitkering een of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43,
onderdeel a, onder 2°, d of e, van toepassing waren, herleeft het recht op
die uitkering op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer
voordoet.
3. Het recht op een WGA-uitkering kan in de situatie, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, niet later herleven dan vijf jaar
na de dag, bedoeld in artikel 56.
Artikel 58 Referte-eis (WIA)
1. De verzekerde voldoet aan de referte-eis indien hij:
a. in 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag na de dag
waarop het recht op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het van
het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging op grond van
hoofdstuk IV, vierde afdeling, van de Ziektewet
of het recht op ziekengeld op grond van
artikel 29 van de Ziektewet is geëindigd, in ten minste 26 weken als
verzekerde arbeid heeft verricht: of
b. onmiddelijk voorafgaande aan de eerste dag van de wachttijd recht
heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
2. Voor de vaststelling van het aantal van 39 weken als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a worden niet in aanmerking genomen weken
gedurende welke de verzekerde:
a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten;
b. werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij op grond van
de Werkloosheidswet niet als werknemer wordt beschouwd als bedoeld in
artikel 8 van die wet en hij op grond van dat artikel de hoedanigheid van
werknemer heeft herkregen;
c. wegens het genieten van onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht,
tot een maximum van achttien maanden; of
d. geen arbeid heeft verricht maar wel recht op uitkering heeft op grond
van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor bepaalde groepen
werknemers het in het eerste lid bedoelde aantal van 26 weken lager
worden vastgesteld.
4. Bij ministeriële regeling worden regels worden gesteld met
betrekking tot de berekening van het aantal van 26 weken, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a. Deze regels hebben betrekking op:
a. de gelijkstelling van weken waarin geen arbeid is verricht in de
dienstbetrekking waaruit de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is
geworden met weken waarin hij als verzekerde wel arbeid heeft verricht;
b. het meer keren in aanmerking nemen van weken waarin arbeid is
verricht.
§ 7.2 De duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering
Artikel 59 De duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering (WIA)
1. De duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is
bij een arbeidsverleden van: minder dan 5 jaar zes maanden en bij een
arbeidsverleden van ten minste:
a. 5 jaren, negen maanden;
b. 10 jaren, een jaar;
c. 15 jaren, anderhalf jaar;
d. 20 jaren, twee jaar;
e. 25 jaren, tweeënhalf jaar;
f. 30 jaren, drie jaar;
g. 35 jaren, vier jaar; en
h. 40 jaren, vijf jaar.
2. De duur van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid,
wordt indien de verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan deze loongerelateerde
uitkering recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
verminderd met de duur van de ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering,
doch bedraagt ten minste een jaar.
3. De duur van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid,
wordt indien de verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag
van de wachttijd uitsluitend verzekerd was als gevolg van het ontvangen
van een uitkering op grond van de verplichte verzekering op grond van de
Werkloosheidswet, verminderd met de duur van de ontvangen loongerelateerde
uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
4. De duur van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid,
wordt verlengd indien als gevolg van de uitsluitingsgrond, bedoeld in
artikel 43, onderdeel a, onder 1°, geen recht op een uitkering is ontstaan
voorzover dit niet ontstane recht op een uitkering tot een langere duur van
de loongerelateerde uitkering zou hebben geleid.
Artikel 60 De loonaanvullingsuitkering en de vervolguitkering van de WGA-uitkering (WIA)
1. Indien de duur van de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering is verstreken of als gevolg van artikel 54, vierde lid, geen
aanspraak heeft bestaan op deze uitkering, bestaat de WGA-uitkering uit:
a. een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die aan de
inkomenseis, bedoeld in het tweede lid, voldoet of voor wie op grond van
het derde lid geen inkomenseis geldt; of
b. een vervolguitkering.
2. De inkomenseis wordt vastgesteld op de dag dat recht ontstaat op
een WGA-uitkering en is voor de verzekerde die in staat is met arbeid
meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gelijk aan
50% van de resterende verdiencapaciteit. De inkomenseis wordt herzien
nadat een wijziging in de resterende verdiencapaciteit twee kalendermaanden
heeft voortgeduurd. De inkomenseis geldt niet meer nadat de
verzekerde ten minste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest
om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen
per uur.
3. Voor de verzekerde die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste
20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur geldt geen inkomenseis
tot de dag dat zijn resterende verdiencapaciteit 24 kalendermaanden
lang hoger is geweest dan 20% van zijn maatmaninkomen per uur.
4. Onder resterende verdiencapaciteit als bedoeld in het tweede en
derde lid wordt verstaan het inkomen dat de verzekerde per maand uit
arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven, kan verdienen met alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in
staat is.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
ter bepaling van het inkomen, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid,
en van de resterende verdiencapaciteit, bedoeld in het vierde lid. Daarbij
kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
vaststelling van dat inkomen en van de resterende verdiencapaciteit
alsmede van de periode waarop die vaststelling betrekking heeft.
Artikel 61 De hoogte van de loongerelateerde uitkering en de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering (WIA)
1. De loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per
kalendermaand: 0,7 × (C–D) waarbij:
C staat voor het maandloon; en
D staat voor het in de betreffende kalendermaand verworven inkomen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de loonaanvullingsuitkering
van de WGA-uitkering indien de verzekerde ten
minste zijn overblijvende verdiencapaciteit als bedoeld in het derde lid
benut of indien voor hem geen inkomenseis als bedoeld in artikel 60
geldt.
3. De overblijvende verdiencapaciteit, bedoeld in het twee lid, is gelijk
aan twee maal de inkomenseis, bedoeld in artikel 60, tweede lid.
4. De loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering bedraagt voor de
verzekerde die ten minste 50% van doch minder dan zijn overblijvende
verdiencapaciteit benut, per kalendermaand: 0,7 × (E–F) waarbij:
E staat voor het maandloon; en
F staat voor de overblijvende verdiencapaciteit.
5. Indien de hoogte van de uitkering, bedoeld in het vierde lid, per
kalendermaand minder bedraagt dan G × H waarbij:
G staat voor het uitkeringspercentage, bedoeld in het zesde lid; en
H staat voor het minimumloon per maand of het maandloon in het
geval het minimumloon per maand hoger is dan het maandloon,
wordt de hoogte van de uitkering, bedoeld in het vierde lid, vastgesteld
op G × H, doch ten hoogste op 0,7 × (C–D), als bedoeld in het eerste lid.
6. Het uitkeringspercentage, bedoeld in het vijfde lid, bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van:
a. 0–35%, 0%
b. 35–45%, 28%;
c. 45–55%, 35%;
d. 55–65%, 42%;
e. 65–80%, 50,75%; en bij
f. 80% of meer, 70%.
7. De hoogte van de uitkering, bedoeld in het vijfde lid, wordt eerst
nadat een wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid ten minste
twee kalendermaanden heeft voortgeduurd, herzien.
8. Onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het
inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.
9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere en zonodig
afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het
negende lid. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de vaststelling van dat inkomen alsmede van de periode
waarop die vaststelling betrekking heeft.
Artikel 62 De hoogte van de vervolguitkering van de WGA-uitkering (WIA)
1. De vervolguitkering van de WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand:
G × H waarbij:
G staat voor het uitkeringspercentage, bedoeld in artikel 61, zesde lid;
en
H staat voor het minimumloon per maand of het maandloon in het
geval het minimumloon per maand hoger is dan het maandloon.
2. Artikel 61, zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. De hoogte van de vervolguitkering wordt voor de verzekerde:
a. die na het ontstaan van recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk
ziek is geworden, en
b. voor wie als gevolg van de toepassing van artikel 43, onderdeel a,
onder 1°, geen tweede recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk
ontstaat omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat
al recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat of indien op
die eerste dag het recht op een dergelijke uitkering herleeft;
gedurende de periode dat, in het geval hij wel recht gehad zou hebben
op een loongerelateerde uitkering en alleen in het geval dat de hoogte van
de loongerelateerde uitkering hoger zou zijn geweest dan de hoogte van
de vervolguitkering zoals die op grond van het eerste en tweede lid is
vastgesteld, vastgesteld op de hoogte van die loongerelateerde uitkering.
Artikel 63 Verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (WIA)
Indien de verzekerde, die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste
20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, verkeert in een
blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid welke
geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, wordt de WGA-uitkering
voor de duur van die hulpbehoevendheid verhoogd door vermenigvuldiging
met ten hoogste de factor 100/70. De eerste zin vindt geen
toepassing, indien de verzekerde in een inrichting is opgenomen en de
kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering
inzake ziektekosten komen.
HOOFDSTUK 8. DE AANVRAAG VAN DE UITKERING EN DE BETALING VAN DE UITKERING DOOR HET UWV
§ 8.1 De aanvraag van de uitkering
Artikel 64 Aanvraag van de uitkering (WIA)
1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond
van deze wet ontstaat.
2. Het UWV stelt de verzekerde van de mogelijkheid van het doen van
een aanvraag schriftelijk in kennis uiterlijk 20 maanden na aanvang van de
wachttijd. Indien artikel 24, derde lid, van toepassing is doet het UWV
deze kennisgeving bij de bekendmaking van de in dat artikellid bedoelde
beschikking.
3. De verzekerde doet zijn aanvraag binnen 21 maanden na aanvang
van de wachttijd, tenzij artikel 24, derde lid, van toepassing is, in welk
geval het UWV bij de bekendmaking van de in dat artikellid genoemde
beschikking aangeeft binnen welke termijn de aanvraag door verzekerde
wordt gedaan.
4. Indien het UWV de in het eerste lid bedoelde aanvraag afwijst omdat
een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43, onderdeel b, d of e, van
toepassing is maakt het UWV melding van de mogelijkheid tot het doen
van een nieuwe aanvraag alsmede van de termijn waarbinnen een nieuwe
aanvraag dient te worden gedaan.
5. Indien het vierde lid van toepassing is doet de verzekerde zijn nieuwe
aanvraag binnen de op grond van dat lid door het UWV aangegeven
termijn.
6. Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke
hardheid, is het UWV bevoegd het recht op een uitkering op grond van
deze wet ambtshalve vast te stellen.
7. Het recht op een uitkering op grond van deze wet kan niet worden
vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de
dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV kan
voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
8. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de gegevens die door de verzekerde bij de aanvraag
worden verstrekt.
Artikel 65 Reïntegratieverslag bij aanvraag (WIA)
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld
van een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste
zin is niet van toepassing voorzover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt.
Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a,
b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden in
redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die
zijn verricht.
Artikel 66 Aanvraag van de uitkering bij verkorte wachttijd (WIA)
1. Een aanvraag voor een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23,
zesde lid, wordt tevens aangemerkt als aanvraag, bedoeld in artikel 64,
eerste lid.
2. Een aanvraag voor een verkorte wachttijd kan slechts eenmaal
worden gedaan.
§ 8.2 De betaling van de uitkering door het UWV
Artikel 67 Betaalbaarstelling (WIA)
1. Het UWV betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht
bestaat. De betaling geschiedt in termijnen van een kalendermaand.
2. Het UWV kan een uitkering over een door hem te bepalen tijdvak als
voorschot betaalbaar stellen, indien onzekerheid bestaat over het recht op
of de hoogte van die uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan
uitkering. Een verleend voorschot wordt verrekend met het definitief
vastgestelde bedrag aan uitkering dat over het desbetreffende tijdvak
wordt betaald.
3. Onverminderd het tweede lid, schort het UWV de betaling van de
uitkering op of schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke
aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering bestaat;
c. de persoon, die recht heeft op een uitkering of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 27, 28, 29 of 30
of een instelling als bedoeld in artikel 71 een verplichting als bedoeld in
artikel 27, niet of niet behoorlijk is nagekomen.
4. In geval de uitkering, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland
wordt uitbetaald worden de daaraan verbonden kosten van overmaking
op de uitkering in mindering gebracht.
5. Wanneer de persoon, die recht heeft op een uitkering op grond van
deze wet, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen,
onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg
gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag
waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van
haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste
dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk
intrekking van die machtiging.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de
betaalbaarstelling van de uitkeringen op grond van deze wet door
organen die belast zijn met de uitbetaling van invaliditeitsuitkering of
pensioen uit andere hoofde dan op grond van deze wet.
7. Het UWV kan onder door hem te stellen voorwaarden, op verzoek
van de in het zesde lid bedoelde organen, gelijktijdig met een uitkering op
grond van deze wet, invaliditeitsuitkeringen of pensioenen verschuldigd
door die organen, betaalbaar stellen.
Artikel 68 Betaling vakantiebijslag (WIA)
1. In afwijking van artikel 67, eerste lid, betaalt het UWV een gedeelte
van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat als
vakantiebijslag jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande
twaalf kalendermaanden, of, indien het recht op uitkering eerder
dan in de maand mei geheel eindigt, in de desbetreffende kalendermaand.
De vakantiebijslag bedraagt 8/108 van de uitkering.
2. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt
gewijzigd, wijzigt de in het eerste lid genoemde breuk dienovereenkomstig.
Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over
de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat vanaf de dag
waarop de wijziging ingaat.
3. Op de toekenning van vakantiebijslag zijn de artikelen 3:41 en 3:45
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste lid
nadere of afwijkende regels worden gesteld.
Artikel 69 Opschorting betaling uitkering aan vreemdelingen (WIA)
1. Het UWV schort de betaling van een uitkering op grond van deze wet
op indien de persoon die recht heeft op die uitkering een vreemdeling is
die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van
de Vreemdelingenwet 2000.
2. De betaling van de uitkering op grond van deze wet wordt hervat
indien de betrokkene daartoe een aanvraag indient en het UWV is
gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt en aan
de overige voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet.
Artikel 70 Betaling aan een minderjarige (WIA)
Voorzover het betreft het in ontvangst nemen van een uitkering op
grond van deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling
daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de
minderjarige schriftelijk verzet bij het UWV geschiedt de uitbetaling aan
de wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 71 Betaling aan instellingen (WIA)
1. Indien de persoon aan wie een uitkering op grond van deze wet is
toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als
bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die
wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het UWV bevoegd de
uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie
de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het
College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet.
2. Indien de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze
wet in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen
is opgenomen en het UWV, van de desbetreffende inrichting of van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de
opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die
inrichting of die gemeente uit te betalen, is het UWV bevoegd dat verzoek
zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
3. Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid
bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering op
grond van deze wet, dat niet aan het College voor zorgverzekeringen,
wordt uitbetaald.
4. Op de herziening van een beschikking op grond van het eerste lid als
gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen
3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 72 Betaling door UWV bij meerdere werkgevers (WIA)
1. Indien de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze
wet bij aanvang van de wachttijd meer dan een werkgever heeft, wordt de
uitkering betaald door het UWV, ook indien een of meer werkgevers
eigenrisicodrager zijn.
2. In de situatie, bedoeld in het eerste lid, verhaalt het UWV op de
eigenrisicodrager, naar rato van de loonsom de door hem verschuldigde
uitkering op grond van deze wet, alsmede de op grond van enige wet over
deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in
mindering kunnen worden gebracht en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering.
3. De uitkering op grond van deze wet wordt niet verhaald op de
eigenrisicodrager, indien de persoon die recht heeft op die uitkering met
behoud van hetzelfde loon bij die werkgever arbeid is blijven verrichten.
Artikel 73 Betaling in geval van samenloop (WIA)
1. Het recht op een uitkering dat is ontstaan als gevolg van de
toepassing van artikel 5.2 komt slechts tot uitbetaling voorzover dit hoger
is dan het eerder ontstane recht op een uitkering op grond van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
ter voorkoming of beperking van samenloop van een uitkering op grond
van deze wet met een uitkering in verband met volledig en duurzame
arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid op grond van
andere wetten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
ter voorkoming of beperking van samenloop van uitkering op grond van
deze wet met uitkering op grond van de sociale wetgeving van de
Nederlandse Antillen, Aruba of van een andere Mogendheid.
Artikel 74 Overlijdensuitkering (WIA)
1. Na het overlijden van de persoon, die recht had op een uitkering op
grond van deze wet, wordt met ingang van de dag na het overlijden een
overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de
minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke
betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen,
aan de persoon ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
2. Met de persoon die recht had op een uitkering op grond van deze
wet, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld, de persoon
wiens overlijden heeft plaats gevonden in de kalendermaand waarin hij de
leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt doch voor het bereiken van deze
leeftijd is overleden, en die uitsluitend als gevolg van artikel 43, onderdeel
f, over de dag van zijn overlijden geen recht op een uitkering had.
3. De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering op
grond van deze wet over één kalendermaand, berekend naar de hoogte
van die uitkering op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van
de persoon.
4. In verband met het overlijden van de persoon die recht had op een
uitkering op grond van deze wet, is artikel 43, onderdeel f, niet van
toepassing.
5. De overlijdensuitkering wordt op verzoek aan de rechthebbende of
rechthebbenden genoemd in het eerste lid door het UWV uitbetaald.
6. De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
7. Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het
bedrag aan uitkering op grond van deze wet dat, over na het overlijden
gelegen dagen reeds is uitbetaald.
Artikel 75 Verjaringstermijn (WIA)
Uitkeringen op grond van deze wet die niet in ontvangst zijn genomen
of zijn ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling
worden door het UWV niet meer betaald.
Artikel 76 Intrekking en herziening beschikkingen (WIA)
1. Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt
dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27
tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een
uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld
of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte
op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 34, tweede
lid, of 35 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
vastgesteld.
2. Indien een voorziening als bedoeld in artikel 34, tweede lid, of 36 in
de vorm van een subsidie wordt verstrekt, wijzigt of trekt het UWV de
beschikking tot vaststelling van de subsidie in, indien sprake is van een
omstandigheid als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel a, b of c,
van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
Artikel 77 Terugvordering (WIA)
1. Een uitkering die op grond van deze wet onverschuldigd is betaald
en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door
het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV
teruggevorderd van de verzekerde, zijn wettelijke vertegenwoordiger,
degene die hij voor de ontvangst daarvan gemachtigd heeft en de
instelling, bedoeld in artikel 71. Ook een uitkering die op grond van artikel
67, tweede lid, als voorschot onverschuldigd betaalbaar is gesteld wordt
door het UWV teruggevorderd.
2. In afwijking van het eerste lid kan het UWV besluiten van terugvordering
of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie
wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft
voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode,
vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de
invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk
is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
één keer aflost.
3. De in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde termijn is drie
jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van degene van wie wordt teruggevorderd in
die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid.
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
5. De beschikking tot terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd,
de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald,
alsmede dat de beschikking bij gebreke van tijdige betaling zal worden
tenuitvoergelegd op de wijze als omschreven in artikel 77.
6. Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan
het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van
belang zijn.
7. In afwijking van het eerste lid kan het UWV, onder bij ministeriële
regeling te stellen voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien
indien het terug te vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te
stellen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 78 Beschikking als executoriale titel (WIA)
1. De beschikking tot terugvordering levert een executoriale titel op in
de zin van Boek 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2. Artikel 96 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
indien het gemiddeld inkomen van de persoon gedurende drie jaar de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het UWV de
aflossingsbedragen lager vaststelt.
Artikel 79 Nadere regelgeving (WIA)
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de artikelen 77, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, en 78.
Artikel 80 Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen (WIA)
1. Een uitkering op grond van deze wet en een voorziening als bedoeld
in artikel 34, tweede lid, of artikel 35 zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar
voor verpanding of belening.
2. Volmacht tot ontvangst van een uitkering op grond van deze wet
onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
3. Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.
Artikel 81 Niet voor beslag vatbare verstrekkingen (WIA)
De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 34, tweede lid, en 35, de
verhoging, bedoeld in de artikelen 53 en 63, alsmede de overlijdensuitkering,
bedoeld in artikel 74, zijn niet vatbaar voor beslag.
HOOFDSTUK 9. EIGENRISICODRAGEN DOOR DE WERKGEVER
Artikel 82 Periode van eigenriscicodragen (WIA)
1. De eigenrisicodrager draagt gedurende:
a. de periode van vier jaar nadat het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ontstaan; of
b. een bij ministeriële regeling te bepalen periode nadat het recht op
een WGA-uitkering is ontstaan, het risico van de betaling van die uitkering
aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht
genomen wachttijd tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond.
2. Indien met betrekking tot een verzekerde ten laste van één eigenrisicodrager
verschillende uitkeringen op grond van deze wet elkaar
opvolgen, draagt de eigenrisicodrager in afwijking van het eerste lid,
gedurende:
a. de periode van vier jaar te rekenen vanaf de dag waarop het recht op
een uitkering op grond van deze wet voor de verzekerde is ontstaan, het
risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die
verzekerde; of
b. de periode die op grond van het eerste lid, onderdeel b, geldt op de
dag waarop recht op uitkering op grond van deze wet is ontstaan, te
rekenen vanaf die dag, het risico van betaling van de WGA-uitkering aan
die verzekerde.
3. Indien artikel 24 is toegepast wordt de van toepassing zijnde periode
bekort met de duur van het verlengde tijdvak, bedoeld in artikel 24, eerste
lid.
4. Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitkering wordt
toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten toegekende uitkering.
Artikel 83 Betaling bij eigenrisicodragen (WIA)
1. De eigenrisicodrager is bevoegd, met inachtneming van artikel 72, de
door het UWV toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering of
WGA-uitkering namens het UWV te betalen aan de verzekerde, bedoeld in
artikel 82, eerste lid.
2. De door de eigenrisicodrager op grond van het eerste lid aan de
verzekerde betaalde loonaanvullingsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 7,
alsmede de op grond van enige wet hierover verschuldigde premies die
daarop niet in mindering kunnen worden gebracht, kunnen door hem op
het UWV worden verhaald, met uitzondering van een bedrag overeenkomende
met het bedrag van de vervolguitkering, bedoeld in hoofdstuk 7,
waar de verzekerde, zonder toepassing van artikel 62, derde lid, recht op
zou hebben indien hij geen recht zou hebben gehad op de loonaanvullingsuitkering,
bedoeld in hoofdstuk 7, vermeerderd met de
premies die op grond van enige wet daarover verschuldigd zouden zijn en
die daarop niet in mindering kunnen worden gebracht en de vergoeding,
bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering.
3. Indien de eigenrisicodrager de uitkering niet betaalt, betaalt het UWV
deze uitkering en verhaalt het UWV de uitkering, alsmede de op grond van
enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze
uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de vergoeding,
bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering, op de eigenrisicodrager.
Op de eigenrisicodrager wordt evenwel niet verhaald hetgeen deze, als hij
de uitkering wel had betaald, op grond van het tweede lid op het UWV
had kunnen verhalen.
Artikel 84 Afbakening eigenrisico (WIA)
1. De eigenrisicodrager draagt vanaf het moment dat hij eigenrisicodrager
wordt overeenkomstig artikel 82 het risico van de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering aan de verzekerde
die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot
hem in dienstbetrekking stond, ook als die wachttijd is ingegaan vóór de
dag waarop deze werkgever eigenriscodrager werd.
2. Indien het eigenrisicodragen eindigt blijft de werkgever het risico,
bedoeld in artikel 82, eerste lid, dragen, voorzover de eerste dag van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is gelegen voor het einde van
het eigenrisicodragen. Indien de eigenrisicodrager in staat van faillissement
is verklaard, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel indien
hij ophoudt werkgever te zijn, betaalt het UWV de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of de WGA-uitkering en verhaalt het deze uitkering, alsmede de
op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die
niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de vergoeding,
bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering, voorzover
deze is betaald over de periode, bedoeld in artikel 82, op de kredietinstelling
of verzekeraar, bedoeld in artikel 40, tweede lid van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
3. In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een
dergelijke overgang bij faillissement, wordt het risico van de betaling van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering aan de verzekerde,
die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen
wachttijd in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming
heeft overgedragen, in afwijking van het tweede lid gedragen door de
werkgever die de onderneming verkrijgt indien:
a. de werkgever die de onderneming overdraagt geen eigenrisicodrager
is en de werkgever die de onderneming verkrijgt eigenrisicodrager is of
wordt;
b. de werkgever die de onderneming overdraagt eigenrisicodrager is; of
c. de werkgever die de onderneming overdraagt een werkgever is
wiens eigenrisicodragen is beëindigd als bedoeld in het tweede lid.
4. Indien in de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde situatie slechts
een deel van de onderneming overgaat, vindt het derde lid, onderdeel a,
toepassing naar rato van het deel van de loonsom dat het overgegane
deel van de onderneming deel uitmaakte van de gehele onderneming in
het kalenderjaar voorafgaande aan dat van overgang, doch berust de
betaling van de uitkering bij het UWV. Het UWV verhaalt op de eigenrisicodrager
de door hem op grond van de eerste zin verschuldigde
uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering
verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen
worden gebracht en de vergoeding,
bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering.
5. Indien in de in het derde lid, onderdeel b of c, bedoelde situatie
slechts een deel van de onderneming overgaat, blijft het risico van de
betaling van de uitkering berusten bij de werkgever die een deel van de
onderneming overdraagt.
6. Voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, eerste zin,
draagt de eigenrisicodrager voorzover het betaling van de WGA-uitkering
betreft, het risico gedurende de periode die op grond van artikel 82, eerste
lid, onderdeel b, geldt op de dag waarop het recht op uitkering is
ontstaan.
Artikel 85 Vrijstelling aangifte 13e weeks ziekmelding (WIA)
1. De eigenrisicodrager is niet verplicht tot het doen van de aangifte
van ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 38 van de Ziektewet.
2. De eigenrisicodrager doet, uiterlijk acht maanden nadat de
ongeschiktheid tot werken van een werknemer voor wie hij het risico,
bedoeld in artikel 82, draagt zijn verstreken, aangifte van die ongeschiktheid
bij het UWV. De werkgever geeft daarbij de eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken op. Voor het bepalen van het tijdvak van acht
maanden worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld,
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan
worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het
tijdvak van acht maanden blijven perioden, waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of
3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
3. Onverminderd het tweede lid doet de eigen risicodrager aangifte van
de ongeschiktheid tot werken van een werknemer voor wie hij het in
artikel 82, bedoelde risico draagt, op de laatste werkdag voordat de
dienstbetrekking eindigt.
Artikel 86 Administratiekosten (WIA)
1. Het UWV brengt bij de eigenrisicodrager de kosten in rekening ter
zake van de betaling van de uitkering door het UWV en het verhaal op de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 82, derde lid.
2. Het UWV vergoedt aan de eigenrisicodrager op aanvraag de schade
die deze lijdt door toepassing van artikel 118, eerste lid.
Artikel 87 Nadere regelgeving (WIA)
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zonodig
afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK 10. HANDHAVING
Artikel 88 Maatregelen UWV (WIA)
1. Het UWV weigert een uitkering op grond van deze wet geheel of
gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk indien:
a. de verzekerde verplichtingen, bedoeld in artikel 27, tweede tot en met
vijfde lid, 28, 29, of 30 niet of niet behoorlijk is nagekomen;
b. de verzekerde de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet
binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
c. de verzekerde zich niet houdt aan de verplichting, bedoeld in artikel
64, derde lid, of artikel 65.
2. Onverminderd het eerste lid kan het UWV de uitkering blijvend
geheel weigeren, indien de verzekerde door het niet nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 28, eerste lid, het ontstaan van de
arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de eigenrisicodrager, op
grond van artikel 89, de bevoegdheid heeft de WGA-uitkering te weigeren.
4. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
27, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van uitkering, of indien de belanghebbende zich niet
houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 64, derde lid, of artikel 65
kan het UWV afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in
het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, of
het zich niet houden aan de voorschriften, tenzij het niet tijdig nakomen
van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften,
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is
gegeven.
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV
besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
Artikel 89 Maatregelen eigenrisicodrager (WIA)
1. De eigenrisicodrager kan in verband met de uitvoering van artikel 42
de WGA-uitkering gedeeltelijk en blijvend, geheel en tijdelijk of gedeeltelijk
en tijdelijk weigeren indien:
a. de verzekerde, bedoeld in artikel 82, verplichtingen als bedoeld in
artikel 27, tweede juncto zesde lid en het vierde lid, 28, eerste lid, 29, of 30
niet of niet behoorlijk is nagekomen;
b. de verzekerde, bedoeld in artikel 82, de verplichting, bedoeld in
artikel 27, eerste juncto zesde lid, niet binnen de door de eigenrisicodrager
daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
2. Indien de verzekerde de verplichting, bedoeld in artikel 28, 29 of 30,
niet heeft nageleefd als bedoeld in artikel 88, tweede lid, is het eerste lid
niet van toepassing.
3. Indien op grond van het eerste lid de uitkering geheel wordt
geweigerd is artikel 83, derde lid, niet van toepassing.
4. De eigenrisicodrager is bevoegd artikel 67, derde lid, onderdeel c, toe
te passen voor de duur van ten hoogste acht weken, waarbij de betaling
ook gedeeltelijk kan worden opgeschort of geschorst.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Artikel 90 Afstemming maatregel (WIA)
1. Een maatregel als bedoeld in artikel 88 of 89 wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging
verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk
geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
2. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor
dezelfde gedraging een boete als bedoeld in artikel 91 wordt opgelegd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot het eerste lid, waarbij in ieder geval kan
worden geregeld in welke gevallen het UWV kan afzien van het opleggen
van een maatregel.
Artikel 91 Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting (WIA)
1. Indien de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de
werkgever of de persoon, bedoeld in artikel 27, achtste lid, de verplichting,
bedoeld in artikel 27, eerste of achtste lid, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, legt het UWV hem een boete op van ten hoogste
€ 2 269.
2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de
gedraging, de mate waarin de de belanghebbende de gedraging verweten
kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen
van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van uitkering op grond van deze wet of
toekennen of verstrekken van een reïntegratie-instrument, kan het UWV
afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige
waarschuwing is gegeven.
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV
besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
5. De persoon aan wie een boete is opgelegd is verplicht desgevraagd
aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging
van de boete van belang zijn.
6. Voorzover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het overlijden
van de persoon aan wie zij is opgelegd.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot het eerste en het tweede lid.
Artikel 92 Voorschriften rond voorgenomen boete-oplegging (WIA)
1. Indien het UWV jegens de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger
een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking
kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een
boete zal worden opgelegd, is de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger
niet langer verplicht terzake van die gedraging enige verklaring
af te leggen, voorzover het betreft de boeteoplegging. De verzekerde of
zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt hiervan in kennis gesteld alvorens
hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
2. Indien het UWV voornemens is om aan de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een boete op te leggen, wordt hiervan
kennis gegeven aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger
onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
3. Op verzoek van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger
die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige
kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het UWV er
zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden
aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden medegedeeld
in een voor hem begrijpelijke taal.
4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt het UWV de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger in de
gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar
voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
5. Indien de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het UWV er op verzoek
van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de Nederlandse
taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd
die de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger kan bijstaan, tenzij
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte
bestaat.
Artikel 93 Voorschriften rond boetebeschikking (WIA)
1. De beschikking waarbij de boete wordt opgelegd vermeldt de termijn
of de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze
waarop de beschikking bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig
artikel 96 zal worden tenuitvoergelegd.
2. Op verzoek van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger
die de in het eerste lid bedoelde beschikking wegens zijn gebrekkige
kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het UWV er
zoveel mogelijk zorg voor dat de in die beschikking vermelde informatie
aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt medegedeeld
in een voor hem begrijpelijke taal.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid.
Artikel 94 Niet-oplegging van boete (WIA)
1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht
door het openbaar ministerie.
2. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter
zake van de gedraging tegen de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger
een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting
een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen op grond van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in
het eerste en het tweede lid mededeling aan het UWV.
Artikel 95 Termijnstelling van boete (WIA)
1. Een boete wordt opgelegd binnen een jaar nadat het UWV de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 92,
vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien terzake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt
en ingezonden vangt de termijn van een jaar aan op de dag na die waarop
het openbaar ministerie aan het UWV heeft medegedeeld dat geen
strafvervolging wordt ingesteld.
2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren
nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Artikel 96 Boetebeschikking bij executoriale titel (WIA)
1. De beschikking waarbij een boete is opgelegd levert een executoriale
titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten,
bedoeld in het zesde lid.
2. Indien de persoon aan wie een boete is opgelegd uitkering ontvangt
op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen of de Wet arbeid en zorg of een toeslag op
grond van de Toeslagenwet, wordt de beschikking waarbij de boete is
opgelegd tenuitvoergelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
3. Indien de persoon aan wie een boete is opgelegd een uitkering
ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of de Wet werk en inkomensvoorziening kunstenaars,
betaalt de Sociale verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken
gemeente het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van hem, op zijn verzoek aan het UWV.
4. Indien de persoon aan wie een boete is opgelegd geen uitkering als
bedoeld in het derde lid ontvangt, of meer ontvangt, dan wel ten aanzien
van zodanige uitkering toepassing van het derde lid niet mogelijk is, wordt
de beschikking waarbij de boete is opgelegd bij gebreke aan tijdige
betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
op zijn kosten betekend tenuitvoergelegd.
5. De tenuitvoerlegging van een beschikking waarbij een boete is
opgelegd vindt plaats met toepassing van het tweede of derde lid, dan
wel van het vierde lid, dan wel van het tweede of derde lid in combinatie
met het vierde lid.
6. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete
verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
7. Op het executoriaal beslag op grond van dit artikel door het UWV op
loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, welke derden
verschuldigd zijn of worden aan de persoon aan wie een boete is
opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e,
tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de
kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het
UWV.
8. De tenuitvoerlegging van een beschikking met toepassing van dit
artikel geschiedt zodanig dat de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger
blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.
9. Het achtste lid geldt niet, zolang de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger zijn verplichting bedoeld in artikel 91, vijfde lid, niet of
niet behoorlijk nakomt.
Artikel 97 In kennis stellen reïntegratiebedrijf van sanctie-oplegging (WIA)
Indien het UWV de verzekerde de uitkering op grond van deze wet
geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een boete heeft
opgelegd, stelt het UWV het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die
verzekerde werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden
tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die
beschikking in kennis, voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering
van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.
HOOFDSTUK 11. INVLOED VAN DE VERZEKERING OP HET BURGERLIJK RECHT
Artikel 98 Samenloop aanspraken (WIA)
Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop een persoon, die
recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, naar burgerlijk recht
aanspraak kan maken in verband met zijn volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid
of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, houdt de rechter
rekening met de aanspraken, die hij op grond van deze wet en de daarop
berustende bepalingen heeft.
Artikel 99 Regresrecht UWV en eigenrisicodrager (WIA)
1. Het UWV heeft voor de op grond van deze wet en de daarop
berustende bepalingen gemaakte kosten verhaal op de persoon, die naar
burgerlijk recht verplicht is schade te vergoeden aan de persoon die recht
heeft op een uitkering op grond van deze wet, doch ten hoogste tot het
bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens
deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een
bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de
aansprakelijke persoon jegens de persoon die recht heeft op een uitkering
op grond van deze wet naar burgerlijk recht is gehouden.
2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het UWV in plaats
van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de contante waarde
daarvan kan vorderen.
3. De eigenrisicodrager treedt voor de toepassing van het eerste en het
tweede lid in de plaats van het UWV voorzover hij het risico van de
betaling van uitkering op grond van deze wet draagt.
Artikel 100 Regresrecht binnen arbeidsverhouding (WIA)
1. Artikel 99 geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding
verplichte werkgever van de persoon die recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet, onderscheidenlijk ten aanzien van de
naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde, die in
dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie
naar burgerlijk recht een verplichting tot schadevergoeding bestaat,
slechts indien de volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid is te wijten aan opzet of bewuste
roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk die verzekerde.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als werkgever
beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990.
HOOFDSTUK 12. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSKUNDE EN DE RECHTSGANG
§ 12.1 Beslistermijnen
Artikel 101 Algemene beslistermijnen (WIA)
1. Onverminderd artikel 102, worden de beschikkingen op grond van
deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven binnen een
redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht
weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch
een kennisgeving als bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.
3. Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan
worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en
wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
4. Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in
het eerste lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten
Nederland en om die reden de beschikking niet binnen acht weken
gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes
maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis
gesteld.
Artikel 102 Bijzondere beslistermijnen (WIA)
1. Een beschikking over het verzekerd zijn als bedoeld in artikel 7,
tweede lid, wordt door het UWV gegeven binnen dertien weken na
ontvangst van de aanvraag.
2. Een beschikking over verlenging van het tijdvak gedurende welke de
verzekerde jegens zijn werkgever recht op loon heeft dan wel aanspraak
op bezoldiging als bedoeld in artikel 24 wordt gegeven binnen twee
weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking, bedoeld in
de eerste zin niet binnen twee weken kan worden gegeven wordt de
aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van een
zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
3. Een beschikking over het ontstaan, later ontstaan of herleven van het
recht op een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 6 en 7, en een beschikking
over een verkorting van de wachttijd als bedoeld in artikel 66, eerste lid,
wordt gegeven binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag.
4. Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in
het eerste of derde lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie
buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen dertien
respectievelijk tien weken gegeven kan worden, wordt die termijn
verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze
verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
5. Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in
het derde lid advies is gevraagd aan een deskundige die niet onder
verantwoordelijkheid van het UWV werkzaam is en om die reden de
beschikking niet binnen tien weken gegeven kan worden, wordt die
termijn verlengd met ten hoogste vier weken en wordt de aanvrager van
die verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
6. Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet binnen
dertien weken of de beschikking, bedoeld in het derde lid niet binnen tien
weken kan worden gegeven om andere dan de in het vierde respectievelijk
vierde of vijfde lid bedoelde redenen wordt de aanvrager daarvan
schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van een zo kort mogelijke
termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
§ 12.2 Bijzondere bepalingen in verband met medische beschikkingen
Artikel 103 Definitiebepaling (WIA)
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. medische beschikking: een beschikking, waaraan een beoordeling
van medische gegevens ten grondslag ligt;
b. werknemer: de persoon, op wiens medische gegevens de beoordeling
betrekking heeft;
c. de werkgever: de belanghebbende bij een medische beschikking, die
niet de werknemer is.
Artikel 104 Toestemming werknemer voor inzage medische stukken door werkgever (WIA)
1. Stukken die medische gegevens bevatten worden door het UWV niet
aan de werkgever ter inzage of ter kennisname gegeven of toegezonden,
tenzij de werknemer hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
2. De toestemming kan te allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.
3. Tijdens het horen in bezwaar kan de toestemming ook mondeling
worden ingetrokken.
Artikel 105 Inzage door gemachtigde van de werkgever indien door de werknemer geen toestemming is gegeven (WIA)
1. Indien door de werknemer geen toestemming is gegeven als bedoeld
in artikel 104, is de inzage in, dan wel kennisname of toezending van
stukken die medische gegevens bevatten, voorbehouden aan een
gemachtigde van de werkgever, die advocaat of arts is danwel daarvoor
van het UWV bijzondere toestemming heeft gekregen.
2. De gemachtigde, bedoeld in het eerste lid, treedt in de plaats van de
werkgever bij:
a. de voorbereiding van een medische beschikking;
b. het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift; en
c. de behandeling van een bezwaar,
voorzover betrekking hebbend op medische gegevens.
3. Artikel 7:4, tweede, vierde en zesde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op stukken of inlichtingen die
medische gegevens bevatten.
Artikel 106 Motivering medische beschikking (WIA)
1. Het UWV vermeldt de motivering van een medische beschikking,
voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, op een aparte
bijlage.
2. Indien door de werknemer geen toestemming is gegeven als bedoeld
in artikel 104 wordt de bijlage, bedoeld in het eerste lid, niet aan de
werkgever verstrekt.
3. De bijlage wordt verstrekt aan de gemachtigde van de werkgever,
bedoeld in artikel 105.
4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een
rapport of een advies van een arts of een psycholoog, waarnaar bij de
motivering van een medische beschikking wordt verwezen.
Artikel 107 Bekendmaking medische beschikking (WIA)
Bij de bekendmaking van een medische beschikking wordt gewezen op
de artikelen 104, 105, 106 en 108.
Artikel 108 Gronden bezwaar en beroep in bijlage (WIA)
De gronden van het bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid,
onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht, worden in een aparte
bijlage vermeld voorzover ze betrekking hebben op medische gegevens.
Artikel 109 Onderzoek ter zitting met gesloten deuren (WIA)
1. Indien artikel 8:32, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht is
toegepast, vindt in afwijking van artikel 8:62, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting, voorzover betrekking hebbend
op medische gegevens, met gesloten deuren plaats, tenzij de rechtbank
ambtshalve of op verzoek van een van de partijen bepaalt dat het
onderzoek openbaar is.
2. In de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet
bestuursrecht wordt mededeling gedaan van het eerste lid.
Artikel 110 Voorlopige voorziening en hoger beroep (WIA)
Artikel 109 is van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van
het hoger beroep en bij de behandeling van een verzoek om een
voorlopige voorziening.
§ 12.3 Beslistermijnen in bezwaar en afzien horen belanghebbende
Artikel 111 Beslistermijn in bezwaar (WIA)
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
beslist het UWV binnen dertien weken na ontvangst van het
bezwaarschrift.
Artikel 112 Bijzondere beslistermijn in bezwaar (WIA)
Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een
verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige beoordeling ten grondslag
ligt, beslist het UWV, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het
advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid
werkzaam is binnen eenentwintig weken, na ontvangst van het bezwaarschrift.
Artikel 113 Afzien van horen belanghebbende (WIA)
In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van
het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende
niet binnen een door het UWV gestelde redelijke termijn, verklaart
dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
§ 12.4 Overige bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
Artikel 114 Beperking begrip belanghebbende (WIA)
In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de
werkgever geen belanghebbende bij een beschikking van het UWV over
het verzekerd zijn op grond van deze wet.
Artikel 115 Beperking bezwaar- en beroepsgronden werkgever (WIA)
Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 83
bedoelde betaling danwel tegen de in artikel 37, tweede of derde lid, van
de Wet financiering sociale verzekeringen, bedoelde opslag of korting kan
niet zijn gegrond op de grief, dat een uitkering op grond van deze wet ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 116 Beroep in cassatie (WIA)
1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der
partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde
toepassing van artikel 2, tweede tot en met zesde lid, en 8 en 9 en de
daarop berustende bepalingen.
2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie
tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken
van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van
Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Artikel 117 Wijzigingen in uitkering na bezwaar of beroep werkgever (WIA)
1. Intrekking van het recht op een uitkering op grond van deze wet of
verlaging van de hoogte ervan, die voortvloeien uit het door de werkgever
ingesteld bezwaar of beroep, vinden niet eerder plaats dan zes weken na
de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de
uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in
geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het UWV geheel of
gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de
werkgever.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de uitkering door eigen schuld of
toedoen van de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
vastgesteld.
Artikel 118 Afwijking 8:69 Awb (WIA)
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is
vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger wijzigen.
Artikel 119 Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht (WIA)
Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op
aanspraken op grond van artikel 35.
HOOFDSTUK 13. OVERGANGSRECHT
Artikel 120 Samenloop met WAO en WAMIL (WIA)
Geen recht op uitkering op grond van deze wet heeft de persoon die:
a. verzekerd is op grond van artikel 16 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. de persoon die recht heeft op toekenning of heropening van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de artikelen 19a, 20, 43a,
onderscheidenlijk 47, 47a of 47b van die wet; en
c. de persoon die belanghebbende is als bedoeld in artikel 1 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen.
Artikel 121 Overgangsrecht in verband met nawerking verzekering (WIA)
1. Indien een persoon voorafgaand aan zijn verzekering, verzekerd was
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede
lid mede verstaan onder:
a. verzekerd is geweest: verzekerd is geweest op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. verzekering: verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, wordt in artikel 10, eerste lid,
voor «beschouwd alsof hij verzekerd was gebleven» gelezen: beschouwd
alsof hij verzekerd is.
Artikel 122 Overgangsrecht in verband met aansluitende verzekeringen (WIA)
Voor de toepassing van artikel 17 wordt mede verstaan onder «verzekeringen
op grond van deze wet»: verzekeringen op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 123 Overgangsrecht met betrekking tot de vrijwillige verzekering (WIA)
1. Een vrijwillige verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
die op het tijdstip waarop artikel 1.1, onderdelen
DD en GG, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen in werking treden, op grond van artikel 83b,
onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
beëindigd, wordt aangemerkt als een vrijwillige verzekering op grond van
artikel 18.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, wordt op verzoek van de
vrijwillig verzekerde de hoogte van het dagloon op grond waarvan de
uitkering van de vrijwillige verzekering wordt berekend, gewijzigd dan wel
wordt de vrijwillige verzekering beëindigd met ingang van het tijdstip,
bedoeld in het eerste lid. Artikel 21 is van overeenkomstige toepassing.
3. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt binnen drie maanden
na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid bij het UWV gedaan.
4. In afwijking van artikel 18 wordt tot de vrijwillige verzekering op
grond van dat artikel niet toegelaten, de persoon die op grond van artikel
81 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering moet worden
toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van die wet.
5. Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, onderdelen a en c,
tweede lid, onderdeel a, en derde lid, en artikel 19, eerste lid, onderdelen a
en c, en derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan onder «verplichte
verzekering»: verplichte verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Voor de toepassing van artikel 18, vijfde lid, wordt mede verstaan
onder «verzekerd is geweest»: verzekerd is geweest op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
7. Voor de toepassing van artikel 18, zesde lid, wordt mede verstaan
onder «een uitkering ontvangt op grond van deze wet»: een uitkering
ontving op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 124 Overgangsrecht in verband met arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid bij aanvang van de verzekering (WIA)
Indien een persoon op de dag voorafgaand aan de verzekering op grond
van deze wet verzekerd was op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt in artikel 46 onder een ontheffing van de
verplichtingen op grond van deze wet mede verstaan een ontheffing van
de verplichtingen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en wordt gelezen voor:
a. aanvang van de verzekering: aanvang van de verzekering op grond
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. aanvang van verzekering: aanvang van verzekering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. artikel 6, eerste lid, onderdelen a of b, van de Ziektewet: artikel 6,
eerste lid, onderdelen a of b, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 125 Overgangsrecht met betrekking tot de maatregelen (WIA)
Voorzover de wachttijd van de verzekerde is aangevangen voor de
inwerkingtreding van artikel 28, wordt in de artikelen 88, eerste lid,
onderdeel a, en 89, eerste lid, onderdeel a, mede gelezen: de verzekerde
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 25 of 28 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Artikel 126 Overgangsrecht in verband met artikel 51 (WIA)
De hoogte van de arbeidsongeschiktheiduitkering, bedoeld in artikel 51,
eerste lid, wordt op 75% van het maandloon vastgesteld op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarin tevens kan worden bepaald
dat die verhoging terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 127 Overgangsrecht betreffende de duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering (WIA)
Voor de verzekerde wiens recht op uitkering ontstaat voor 1 januari
2008, wordt artikel 59, eerste lid, als volgt gelezen:
1. De duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is
voor de verzekerde die op de dag met ingang waarvan hem een
WGA-uitkering wordt toegekend:
a. 58 jaar of ouder is, vijf jaar;
b. 53 jaar of ouder is, vier jaar;
c. 48 jaar of ouder is, drie jaar;
d. 43 jaar of ouder is, tweeënhalf jaar;
e. 38 jaar of ouder is, twee jaar;
f. 33 jaar of ouder is, anderhalf jaar;
g. 28 jaar of ouder is, één jaar;
h. 23 jaar of ouder is, negen maanden;
i. jonger dan 23 jaar is, zes maanden.
Artikel 128 Overgangsrecht artikel 90 (WIA)
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt artikel 90, derde
lid, als volgt gelezen:
3. Het UWV stelt nadere regels met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 129 Overgangsrecht betreffende arbeidsplaatsvoorzieningen
ex Wet REA toegekend aan niet-zelfstandigen (WIA)
De voorziening die op de dag voorafgaand aan de dag waarop artikel 22
respectievelijk artikel 31 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervallen, is
toegekend op grond van artikel 22 of artikel 31 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, wordt voor de duur van het tijdvak
waarvoor deze voorziening is toegekend en voorzover die voorziening niet
is verstrekt in het kader van de inschakeling in de arbeid als zelfstandige,
aangemerkt als een voorziening als bedoeld in artikel 35.
Artikel 130 Overgangsrecht inzake publicatie instroomcijfers WGA (WIA)
De openbaarmaking, bedoeld in artikel 40, vindt voor het eerst plaats in 2008.
Artikel 131 Overgangsrecht inzake delegatiebevoegdheid nadere regels maatregeloplegging (WIA)
1. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip luidt artikel 90, derde
lid, als volgt:
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, voorzover dat
betrekking heeft op nadere regels omtrent een maatregel als bedoeld in
artikel 89.
2. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt aan artikel 90
een lid toegevoegd, luidende:
4. Het UWV stelt nadere regels met betrekking tot het eerste lid,
voorzover dat betrekking heeft op nadere regels omtrent een maatregel
als bedoeld in artikel 88, waarbij in ieder geval kan worden geregeld in
welke gevallen het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel.
Artikel 132 Overgangsrecht inzake werkgeverssubsidie ex Wet REA (WIA)
De subsidie die op de dag voorafgaand aan de dag waarop artikel 16
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten op grond van artikel
2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen vervalt, was toegekend op grond van artikel 16 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten wordt voor de duur van het
tijdvak waarvoor die subsidie op grond van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten is toegekend aangemerkt als subsidie als bedoeld
in artikel 35.
Artikel 133 Overgangsrecht inzake de periode van eigenrisicodragen (WIA)
Ten aanzien van uitkeringen waarvan het recht is ontstaan op of na de
dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 7 maar voor 1 januari 2007
bedraagt de periode, bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b: vier
jaar.
HOOFDSTUK 14. STRAFBEPALINGEN
Artikel 134 Strafbepaling overtreding wetsartikel (WIA)
De werkgever die niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 35,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete
van de tweede categorie.
Artikel 135 Verval van recht tot strafvordering (WIA)
Het recht tot strafvordering vervalt indien het UWV aan de betrokkene
ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 136 Overtredingen (WIA)
Het in artikel 134 bedoelde strafbare feit is een overtreding.
HOOFDSTUK 15. SLOTBEPALINGEN
Artikel 137 Vervallen particuliere verzekering (WIA)
1. Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geldelijke
gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid waaronder mede wordt
verstaan gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, gesloten door de persoon, die
verplicht verzekerd wordt, vervalt met ingang van de dag, waarop de
verzekeraar van de verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd
worden ontvangt, voorzover aan de overeenkomst rechten kunnen
worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de in deze wet
geregelde verplichte verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling
de verzekeraar vóór de dag, waarop de betrokkene verplicht verzekerd
wordt, dan vervalt de overeenkomst met ingang van die dag.
2. De premie, die de persoon, wiens verzekering op grond van het
eerste lid geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt
door de verzekeraar al naar gelang van het vervallen gedeelte der
overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van
het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
Artikel 138 Buiten toepassingverklaring van Algemene termijnenwet (WIA)
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen,
gesteld in de artikelen 10, eerste lid, 23, derde en vijfde lid, 49, tweede lid,
60, tweede en derde lid, 61, zevende lid, en 74.
Artikel 139 Evaluatiebepaling (WIA)
Onze minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 140 Nummering (WIA)
Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering
van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast
waarbij rekening wordt gehouden met de artikelen die in het bij koninklijke
boodschap van 17 mei 2005 ingediende voorstel van wet, betreffende
regels omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) (Kamerstukken
II 2004/05, 30 118, nr. 2) worden ingevoegd en brengt hij de in deze wet
voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen en hoofdstukken met
de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 141 Inwerkingtreding (WIA)
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 142 Citeertitel (WIA)
Deze wet wordt aangehaald als: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 10 november 2005
Beatrix
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. J. de Geus
Uitgegeven de tweeëntwintigste november 2005
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner
Deze wettekst wordt u aangeboden door ArbeidsConsultancy. De wetsartikelen van de wetten worden aangepast aan de wetswijzigingen, zoals de overheid (de minister) dat in het Staatsblad laat publiceren. Een wet is derhalve in ontwikkeling. Een wetswijziging kan er toe leiden dat slechts een enkel lid (bepaling) van een artikel of
meerdere leden (bepalingen) van een wetsartikel worden aangepast, alsook dat meerdere artikelen (wetsartikelen) veranderen.
| Arbeidsrechter.nl |
Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten. |
 |
|
Auteursrecht voorbehouden 2009