| Arbeidsrechter.nl |
WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
§ 1. Algemeen
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 2a
Artikel 2b
§ 2. De werknemer
Artikel 3
Artikel 3a
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 6a
Artikel 7
Artikel 7a
Artikel 7b
Artikel 7c
§ 3. De werkgever
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
§ 4. Het loon
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
§ 5. Kring der verzekerden
Artikel 16
Artikel 17
HOOFDSTUK II. DE VERSTREKKINGEN DER VERZEKERING
§ 1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 19a
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 21a
Artikel 21b
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 29a
Artikel 29b
Artikel 29c
Artikel 29d
Artikel 29e
Artikel 29f
Artikel 29g
Artikel 29h
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 33
§ 2. Toekenning, ingang, herziening, intrekking, heropening en betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 34
Artikel 34a
Artikel 35
Artikel 36
Artikel 36a
Artikel 36b
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 39
Artikel 39a
Artikel 40
Artikel 41
Artikel 42
Artikel 43
Artikel 43a
Artikel 43b
Artikel 43c
Artikel 43d
Artikel 44
Artikel 44a
Artikel 45
Artikel 46
Artikel 46a
Artikel 47
Artikel 47a
Artikel 47b
Artikel 48
Artikel 49
Artikel 50
Artikel 50a
Artikel 51
Artikel 52
Artikel 53
Artikel 54
Artikel 55
Artikel 56
Artikel 57
Artikel 57a
Artikel 57b
Artikel 58
Artikel 59
§ 2a. Vakantieuitkering
Artikel 59a
Artikel 59b
Artikel 59c
Artikel 59d
Artikel 59e
HOOFDSTUK IIA. GARANTIEREGELING VOOR OUDERE ARBEIDSONGESCHIKTEN, SAMENLOOP, VERSTREKKINGEN DIE ONVERVREEMDBAAR ZIJN EN VERSTREKKINGEN DIE NIET VATBAAR ZIJN VOOR BESLAG
Artikel 60
Artikel 61
Artikel 62
Artikel 63
Artikel 64
Artikel 65
Artikel 65a
Artikel 65b
Artikel 65c
Artikel 65d
Artikel 65e
Artikel 65f
Artikel 65g
Artikel 65h
HOOFDSTUK III. DE UITVOERING DER VERZEKERING
§ 1. Het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Artikel 66
Artikel 67
Artikel 68
Artikel 69
Artikel 70
Artikel 71
Artikel 71a
Artikel 71b
2. Arbeidsongeschiktheidsfonds en arbeidsongeschiktheidskas
Artikel 72
Artikel 72a
Artikel 73
Artikel 73a
Artikel 74
HOOFDSTUK IIIA. EIGEN RISICO DRAGEN DOOR DE WERKGEVER
Artikel 75
Artikel 75a
Artikel 75b
Artikel 75c
Artikel 75d
Artikel 75e
Artikel 75f
Artikel 75g
Artikel 75h
HOOFDSTUK IV. FINANCIERING
§ 1. Middelen tot dekking van de uitgaven
Artikel 76
Artikel 76a
Artikel 76b
Artikel 76c
Artikel 76d
Artikel 76e
Artikel 76f
Artikel 76g
§ 2. De basispremie
Artikel 77
Artikel 77a
Artikel 77b
Artikel 77c
Artikel 77d
Artikel 77e
§ 3. De gedifferentieerde premie
Artikel 78
Artikel 78a
Artikel 79
§ 3. Premievrijstelling en premiekorting
Artikel 79a
Artikel 79b
HOOFDSTUK V. HET VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN
Artikel 80
Artikel 80a
HOOFDSTUK VI. DE VRIJWILLIGE VERZEKERING
Artikel 81
Artikel 82
Artikel 83
Artikel 83a
Artikel 83b
Artikel 84
Artikel 84a
Artikel 85
Artikel 86
HOOFDSTUK VII. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN BEROEP IN CASSATIE
§ 1. Algemeen
Artikel 86a
Artikel 86b
Artikel 87
Artikel 87a
Artikel 87b
Artikel 87c
Artikel 87d
Artikel 87e
Artikel 87f
Artikel 87g
§ 2. Medische besluiten
Artikel 88
Artikel 88a
Artikel 88b
Artikel 88c
Artikel 88d
Artikel 88e
Artikel 88f
Artikel 88g
HOOFDSTUK VIII. DE INVLOED VAN DE VERZEKERING OP HET BURGERLIJK RECHT
Artikel 89
Artikel 90
Artikel 91
Artikel 91a
Artikel 91b
Artikel 91c
Artikel 91d
HOOFDSTUK IX. STRAFBEPALINGEN
Artikel 92
Artikel 93
Artikel 94
Artikel 95
Artikel 96
Artikel 97
Artikel 98
HOOFDSTUK X. SLOTBEPALINGEN
Artikel 98a
Artikel 98b
Artikel 98c
Artikel 98d
Artikel 98e
Artikel 99
Artikel 99a
Artikel 100
Artikel 100a
Artikel 101
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
§ 1. Algemeen
Artikel 1 (WAO)
1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering
genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het fonds genoemd in artikel 112 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
d. lichamen: rechtspersonen, maat en vennootschappen,
samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die maatschappelijk
kunnen worden gelijkgesteld met verenigingen, ondernemingen van
publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
e. Arbeidsongeschiktheidskas: de Arbeidsongeschiktheidskas genoemd in artikel 113 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
f. Arbeidsongeschiktheidskas: de Arbeidsongeschiktheidskas genoemd in artikel 113 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
g. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
h. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
i. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht;
j. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
k. reïntegratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon
die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling
van personen in de arbeid bevordert;
l. resterende verdiencapaciteit: datgene dat de verzekerde, die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering nog met arbeid kan
verdienen zoals dat bij of krachtens artikel 18 is vastgesteld.
m. overheidswerkgever: de overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
2. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering
genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
3. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering
genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de
eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden
leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen
hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van
deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te
dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
Artikel 2 (WAO)
1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen,
die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel
van Nederland.
§ 2. De werknemer
Artikel 3 (WAO)
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in
privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als
werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever
eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voorzover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf
of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger
heeft; of
b. in Nederland een of meer personen in dienst heeft en hij door of
vanwege Onze Minister als werkgever is aangewezen, wordt hij voor de
toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland
wonende of gevestigde werkgever.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt niet als werknemer
beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf
houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l,
van de Vreemdelingenwet 2000.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald, dat:
a. personen, die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden
beschouwd, voorzover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen;
b. personen, die in Nederland wonen, ook als werknemer worden
beschouwd, voorzover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste,
tweede en derde lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen, op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering
tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van de
Nederlandse Antillen, van Aruba, van een andere mogendheid, of van een
volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen, die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in
Nederland werkzaam zijn.
6. Bij een maatregel, als bedoeld in het vijfde lid, kan worden
afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan
wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de
zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000,
rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g
of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 3a (WAO)
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als werknemer beschouwd de persoon van wie de verzekering
op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van
een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als werknemer beschouwd de persoon op wie op grond
van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de
wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Artikel 4 (WAO)
1. Als dienstbetrekking wordt mede beschouwd de arbeidsverhouding
van:
a. degene, die anders dan als zelfstandige en anders dan als thuiswerker, ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. degene, die de onder a bedoelde persoon bij het tot stand brengen
van dat werk bijstaat;
c. degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
d. degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
e. (vervallen)
f. degene, die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig
aanspraak heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij
1°. als zodanig tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid
verzekerd is bij het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij of
2°. exploitant of medeexploitant van het vaartuig is;
g. (vervallen)
h. degene, die als bestuurder werkzaam is ten behoeve van een
coöperatie die met haar leden uitsluitend arbeidsovereenkomsten als
bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
sluit, indien hij lid is van de coperatie en deze blijkens haar statuten en
met inachtneming van de vereisten gesteld in het derde lid en krachtens
het vierde lid kan worden beschouwd als een coperatie met werknemerszelfbestuur.
2. Het bepaalde in het vorige lid, onder a en b, blijft buiten toepassing,
indien de onder a bedoelde overeenkomst rechtstreeks is aangegaan met
een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
3. Een coperatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, dient te
voldoen aan de vereisten, dat:
a. doorgaans ten minste twee derde deel van het aantal personen met
wie de coöperatie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van
de coöperatie is;
b. het lidmaatschap van de coöperatie door ieder van de in onderdeel a
bedoelde personen onder dezelfde voorwaarden kan worden verkregen
en voorwaarden van geldelijke aard geen wezenlijke belemmering
vormen voor de verkrijging van het lidmaatschap;
c. de leden van de coperatie ieder één stem hebben;
d. de arbeidsvoorwaarden van de leden van de coöperatie niet
wezenlijk verschillen van hetgeen gebruikelijk is bij gelijksoortige
ondernemingen in de desbetreffende sector;
e. een lid van de coöperatie, behoudens in geval van liquidatie van de
coperatie, bij beëindiging van zijn lidmaatschap ten hoogste aanspraak
kan maken op het door hem uit hoofde van een geldelijke voorwaarde als
bedoeld in onderdeel b, hetzij uit anderen hoofden aan de coöperatie
betaalde bedrag, herrekend naar geldontwaarding.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
waarbij de in het derde lid genoemde vereisten
a. nader worden bepaald;
b. worden aangevuld met andere vereisten op grond waarvan de
coöperatie kan worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder zelfstandige verstaan de persoon die:
a.in Nederland woont en die belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft; of
b.niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming geniet als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
c.directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, en het werk tot stand brengt uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
Artikel 5 (WAO)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld, ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene, die als thuiswerker arbeid verricht;
b. degene, die de onder a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten
van de arbeid bijstaat;
c. degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als
beroep een tak van sport beoefent;
d. degene, die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens
arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als
dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk
kan worden gesteld.
Artikel 6 (WAO)
1. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding
van:
a. degene, die minister, staatssecretaris, Nationale ombudsman, substituut-ombudsman, lid van gedeputeerde staten of wethouder, waaronder begrepen een lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, is;
b. degene, die een verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet of
voortvloeiende uit een verbintenis anders dan bij arbeidsovereenkomst
door hem jegens de Overheid aangegaan ten aanzien van 's lands
verdediging of ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid der
bevolking, alsmede van degene, die als vrijwilliger al dan niet tegen loon
werkzaamheden verricht bij een gemeentelijke brandweer;
c. degene, die ten behoeve van de natuurlijke persoon, tot wie hij in
dienstbetrekking staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of
persoonlijke diensten in diens huishouding verricht en die diensten
doorgaans op minder dan drie dagen per week verricht;
d.de directeurgrootaandeelhouder.
e.een persoon, indien degene met wie hij de arbeidsverhouding heeft, met betrekking tot die arbeidsverhouding op grond van artikel 6a van de Wet op de loonbelasting 1964 niet als inhoudingsplichtige wordt beschouwd;
f.degene die als vrijwilliger als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen als bedoeld in dat lid ontvangt met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1 500 per kalenderjaar.
2. Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen,
waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt
genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in:
a. een normale onderbreking van of verhindering tot het verrichten van
de arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan een
maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden, gebrek aan materialen of dergelijke omstandigheden;
c. (vervallen);
d. de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe strekt, dat slechts
een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe strekt, dat niet
regelmatig in elke kalenderweek arbeid wordt verricht, voorzover het
betreft de kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid zou
worden verricht, indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was
geworden;
f. arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan ziekengeld ingevolge de
Ziektewet of arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge deze wet is
toegekend.
3. Het eerste lid en tweede lid zijn alleen van toepassing op de aldaar
bedoelde arbeidsverhoudingen.
4. Door Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeurgrootaandeelhouder,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt
verstaan.
Artikel 6a (WAO)
Vervallen
Artikel 7 (WAO)
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de
Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van die wet of van het uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of van een regeling als bedoeld in onderdeel c;
c. degene, die wegens werkloosheid niet werkt en die ingevolge een
door Onze Minister aan te wijzen, van overheidswege getroffen regeling
uitkering ontvangt.
Artikel 7a (WAO)
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer
beschouwd:
a. degene, die krachtens de verplichte verzekering ingevolge de
Ziektewet ziekengeld ontvangt;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die wegens arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld wordt verleend op grond van enige bepaling van de Ziektewet;
c. degene, die wegens arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld wordt betaald op grond van artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet maar wel een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Artikel 7b (WAO)
1.Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer
beschouwd degene, die op grond van de verplichte verzekering ingevolge
deze wet uitkering ontvangt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op diegene die niet in Nederland woont.
Artikel 7c (WAO)
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a.de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg aan wie uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van die wet;
b.in door Onze Minister aan te wijzen gevallen, degene die in verband met zwangerschap en bevalling niet werkt, anders dan bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet, doch aan wie geen uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg.
§ 3. De werkgever
Artikel 8 (WAO)
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie, of het lichaam tot welk een
of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.
Artikel 9 (WAO)
Als werkgever wordt beschouwd:
1°. in de gevallen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene, met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: (vervallen);
f: de exploitant of medeexploitant van het vaartuig;
g: (vervallen);
h: de coöperatie;
2°. in de gevallen, bedoeld in artikel 5, onder:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene, met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene, die bij de in artikel 5 bedoelde algemene maatregel van
bestuur als werkgever wordt aangewezen.
Artikel 10 (WAO)
1. Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7,
onder:
a. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt als werkgever beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, artikel 7a, onderdelen a en c, artikel 7b en artikel 7c, onderdeel a.
2. In de gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel b en c, artikel 7a, onderdeel b, en artikel 7c, onderdeel b, wordt als werkgever beschouwd degene, die door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.
3. Ingeval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering of toeslag, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 8, 9 of 11, teneinde deze uitkering of toeslag door diens tussenkomst te doen uitbetalen, treedt voor de toepassing van het eerste lid, deze in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de door de werkgever verschuldigde premies, bedoeld in het derde lid, nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.
Artikel 11 (WAO)
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9 een ander
dan de aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking
tot:
a. degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning
geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten
tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever
van die ander;
b. degene, die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid
bijstaat;
c. degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als
beroep een tak van sport beoefent.
Artikel 12 (WAO)
De werkgever is verplicht de verzekerde gelegenheid te geven tot het
uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden
en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze wet
opgelegde verplichtingen, voorzover de uitoefening van die bevoegdheden
en nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan
geschieden.
§ 4. Het loon
Artikel 13 (WAO)
1. Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
2. Minimumloon is het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
(Stb. 1968, 657) of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar
betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld
in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide
vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in
artikel 15 van die wet, en vervolgens gedeeld door 21,75.
3. Loon, door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten,
wordt, voorzover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder
van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
4. Degene, die krachtens een regeling als bedoeld in artikel 7, onderdeel
c, uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag, waarover hij die uitkering
ontvangt, een loon te ontvangen, gelijk aan die uitkering.
Artikel 14 (WAO)
1. Voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
Artikel 15 (WAO)
1. De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de
mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) wordt
herzien.
2. Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van
welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het
eerste lid plaatsvindt.
3. Op een beschikking als gevolg van een herziening van het dagloon
ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
§ 5. Kring der verzekerden
Artikel 16 (WAO)
De persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is geworden en
op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, verzekerd was op
grond van de verplichte verzekering blijft verzekerd:
a. gedurende de wachttijd, bedoeld in artikel 19;
b. gedurende vier weken na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel
19, indien hij na afloop van die wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt
is, doch binnen die vier weken 15% of meer arbeidsongeschikt is;
c. gedurende de periode waarover hij recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 17 (WAO)
1. De persoon die:
a. gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen verzekerd is
geweest, of
b. in de loop van de twee maanden, voorafgaande aan het einde van
zijn verzekering, op ten minste zestien dagen verzekerd is geweest,
wordt, indien hij in het onder a bedoelde geval binnen een maand na
het einde van die twee maanden en in het onder b bedoelde geval binnen
acht dagen na het einde van zijn verzekering, in gevallen als bedoeld in
artikel 37, tweede lid, meer arbeidsongeschikt wordt, voor het recht op
herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof hij
verzekerd was gebleven.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt de daar
genoemde termijn van twee maanden geacht niet te zijn onderbroken,
indien de betrokkene gedurende niet meer dan zeven dagen niet
verzekerd is geweest. Voor de toepassing van dit lid en het eerste lid
wordt arbeid in een aaneengesloten nachtdienst op twee dagen verricht,
gerekend als arbeid op één dag.
3. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die in
verband met artikel 6, eerste lid, onder a of b, niet verzekerd is.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld op grond waarvan personen die niet verzekerd zijn en die
arbeidsongeschikt of, die in gevallen als bedoeld in artikel 37, tweede lid,
meer arbeidsongeschikt worden als gevolg van bij die maatregel aan te
wijzen beroepsziekten, voor het recht op toekenning, onderscheidenlijk
herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering worden beschouwd
alsof ze verzekerd zijn.
HOOFDSTUK II. DE VERSTREKKINGEN DER VERZEKERING
§ 1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 18 (WAO)
1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap
of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te
verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of
in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2. Degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt, reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt, indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen soortgelijke personen, die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. De eerste zin blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, waarop de verzekering een aanvang nam, ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van achttien maanden, heeft genoten, behoudens voorzover het betreft gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid, die bestond op de dag, voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als ononderbroken onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
3. Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid
in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen vindt
het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het
tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is
afgenomen.
4. Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien bij de
aanvang van de verzekering de betrokkene uit hoofde van een vroegere
verzekeringsperiode reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.
5. In het eerste en tweede lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
6. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt
buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan
verkrijgen.
7. (Vervallen).
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld.
9. Van een ontwerp van een besluit tot vaststelling, wijziging of
intrekking van:
a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het achtste lid;
b. een krachtens de in onderdeel a bedoelde algemene maatregel van
bestuur door Onze Minister genomen besluit,
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Een voordracht tot
vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in onderdeel a, wordt niet gedaan en de vaststelling,
wijziging of intrekking van een besluit als bedoeld in onderdeel b,
geschiedt niet eerder dan nadat acht weken na die mededeling zijn
verstreken.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de
mate van arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet en een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere wettelijke
regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid.
11. Bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in deze wet maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen.
Artikel 19 (WAO)
1. De verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en afwijkende regels worden gesteld in verband met het voor bijzondere gevallen vaststellen van welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt.
2. Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
3. Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die na afloop van het in het eerste, tweede, en zevende lid bedoelde tijdvak niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
4. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene, die minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
5. Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet en worden niet in aanmerking genomen tijdvakken gedurende welke een uitkering wordt genoten als bedoeld in het tweede lid.
6. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt een belanghebbende geacht aanspraak te hebben op ziekengeld krachtens de Ziektewet, indien hem in verband met de artikelen 19a, 19b, 29, 30, 31, 44 en 45 van de Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd.
7. De wachttijd, bedoeld in het eerste lid, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verlengd op gezamenlijk verzoek van de verzekerde en de werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij artikel 29 of artikel 29a, eerste of vierde lid, van de Ziektewet van toepassing is dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a van de Ziektewet, tenzij onderdeel a van artikel 76c van die wet van toepassing is, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. De verlengde wachttijd eindigt op de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangegeven datum. De verlengde wachttijd kan op verzoek van de werkgever of de verzekerde worden verkort of wordt op hun gezamenlijk verzoek verder verlengd tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt bij verkorting van de verlengde wachttijd een nieuwe datum vast waarop de verlengde wachttijd eindigt, met dien verstande dat de wachttijd niet eerder eindigt dan vijftien weken na dat verzoek tenzij de werkgever voor het verstrijken van het tijdvak van die vijftien weken geen loon meer verschuldigd is, omdat de dienstbetrekking is geëindigd. Bij de bekendmaking van de beschikking maakt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen melding van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor de toekenning van de uitkering alsmede van de termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan. Het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit lid.
Artikel 19a (WAO)
1. De verzekerde, bedoeld in artikel 19, heeft geen recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode dat
hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
2. De persoon, die op grond van het eerste lid geen recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is, maar op
grond van artikel 19b van de Ziektewet geen recht heeft op ziekengeld,
wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld weer als verzekerde
aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op
die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing. De artikelen 18, tweede tot en met vierde lid, en 30, eerste lid,
onderdeel a, zijn niet van toepassing behoudens voorzover het betreft de op de dag voorafgaande aan de eerste dag dat die persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming
samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen.
4. De persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde
dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval
is binnen vier weken na die dag, wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid is
gesteld weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van
de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing. Artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
5. Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede en vierde lid zijn
van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt.
Artikel 20 (WAO)
1. De verzekerde, bedoeld in artikel 19, heeft geen recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode dat
hij niet in Nederland woont.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde op die dag
woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.
3. De persoon, die op grond van het eerste lid geen recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is, maar op
grond van artikel 19a van de Ziektewet geen recht heeft op ziekengeld,
wordt vanaf de dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. waarop een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden in het land waar
betrokkene woont, op grond waarvan recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;
weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de
bepalingen van deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering,
indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 19, vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 18, tweede tot en met
vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, zijn niet van toepassing.
4. De persoon, bedoeld in het derde lid, die op de in dat lid bedoelde
dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval
is binnen vier weken na die dag, wordt vanaf die dag weer als verzekerde
aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 30, eerste lid,
onderdeel b, is niet van toepassing.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien
van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de verzekerde, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang
en niet in Nederland woont;
b. de verzekerde, die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
6. Onze Minister deelt mede in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan. In deze mededeling wordt tevens opgenomen:
a. de vindplaats van het desbetreffende verdrag of besluit, en
b. de eventueel in dat verdrag of besluit aanwezige beperkingen.
Artikel 21 (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet bestaat
achtereenvolgens uit een loondervingsuitkering, waarvoor het dagloon als
maatstaf geldt en een vervolguitkering, waarvoor het vervolgdagloon als
maatstaf geldt.
2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen
en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
15-25% 14% van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon;
25-35% 21% van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon;
35-45% 28% van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon;
45-55% 35% van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon;
55-65% 42% van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon;
65-80% 50,75% van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon;
80% of meer 70% van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon.
3. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt,
zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
Artikel 21a (WAO)
De duur van de loondervingsuitkering is voor degene, die op de datum
met ingang waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
toegekend:
58 jaar of ouder is zes jaar;
53 jaar of ouder is drie jaar;
48 jaar of ouder is twee jaar;
43 jaar of ouder is anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is één jaar;
33 jaar of ouder is een half jaar, en
jonger is dan 33 jaar nihil.
Artikel 21b (WAO)
1. Na afloop de in artikel 21a bedoelde periode bestaat recht op
vervolguitkering met als maatstaf het vervolgdagloon.
2. Het vervolgdagloon is gelijk aan het minimumloon verhoogd met
een percentage van het verschil tussen het dagloon en het minimumloon.
3. Voor de berekening van het vervolgdagloon geldt een percentage
van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd
van de betrokkene op de datum met ingang waarvan hem een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.
4. Indien het dagloon lager is dan het minimumloon wordt het
vervolgdagloon vastgesteld op het dagloon.
5. Voor de toepassing van artikel 21a en het derde lid wordt voor
degene ten aanzien van wie artikel 35, tweede lid, wordt toegepast als
datum met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
toegekend in aanmerking genomen de datum waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn toegekend als dat lid niet was
toegepast.
Artikel 22 (WAO)
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer, wordt, indien de betrokkene in een
althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke
geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verkeert, voor de duur
van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste 100/108 maal zijn dagloon of
zijn vervolgdagloon verhoogd. Het bepaalde in de vorige volzin vindt geen
toepassing, indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en de
kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten
komen.
Artikel 23 (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, zo vaak hij dat nodig oordeelt de persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, oproepen of doen oproepen en op een door of vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen in verband met de aanspraak op of het genot van een arbeidsongeschiktheidsuitkering of de toekenning dan wel verstrekking van een reïntegratie-instrument.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op een door of vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats door een of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.
3. De daartoe door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen
oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en doen onderzoeken door een of meer door hem daartoe aangewezen
deskundigen.
Artikel 24 (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen deskundige kunnen de persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voorschriften geven in het belang van een behandeling of van genezing dan wel voorzover dit voortvloeit uit de taak tot bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. Het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voorschrijven dat de
persoon, bedoeld in het eerste lid, zich laat registreren
als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen.
Artikel 25 (WAO)
1. Indien een persoon als bedoeld in artikel 23, eerste lid, na tijdig
opgeroepen te zijn, niet verscheen of weigerde:
a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift, gegeven door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting,weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.
2. Het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig
het bepaalde in het eerste lid bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid,
voorzover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak
als de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan het niet voldoen aan de
oproeping of de weigering plaatsvond.
Artikel 26 (WAO)
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun
geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de
gevallen en volgens regels, door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
vast te stellen.
Artikel 27 (WAO)
Het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd controlevoorschriften
vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan
strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
Artikel 28 (WAO)
Het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig
het bepaalde in artikel 25:
a. indien de belanghebbende de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige krachtens artikel 24 in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid en tot registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen gegeven voorschriften zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. indien de belanghebbende zich niet, zolang als het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige te
kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder geneeskundige
behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de behandelende
geneeskundige niet opvolgt;
c. indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan gedragingen, waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mede te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
d. indien de belanghebbende de controlevoorschriften, bedoeld in
artikel 27, of de verplichting, bedoeld in artikel 55,
tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen dan wel de verplichting bedoeld in artikel 80 niet binnen de
door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen;
e. indien de belanghebbende zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk
heeft veroorzaakt;
f. indien belanghebbende zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34, derde lid of artikel 34a, eerste lid;
g. indien de belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan een scholing of opleiding die door zijn werkgever of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uit hoofde van de uitoefening van hun taak op grond van artikel 658a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek respectievelijk artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wenselijk wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid;
h. indien de belanghebbende zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd mee te werken aan door zijn werkgever of door een door die werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de belanghebbende in staat te stellen passende arbeid te verrichten dan wel indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en bij de beoordeling als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, blijkt dat de belanghebbende zonder deugdelijke grond onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt onder werkgever mede verstaan de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet;
i. indien de belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan het opstellen van de reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of het reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet;
j. indien de belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of in het reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
k. indien de belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn reïntegratieverplichtingen niet naleeft, de reden daarvan niet onmiddellijk aan het reïntegratiebedrijf heeft medegedeeld.
Artikel 29 (WAO)
1. Een maatregel als bedoeld in artikel 25 of 28 wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel
wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
2. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of indien de belanghebbende zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34, derde lid, of artikel 34a eerste lid, kan het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 28 en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften, plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
3. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor
dezelfde gedraging een boete als bedoeld in artikel 29a wordt opgelegd.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 29a (WAO)
1. Indien de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichting bedoeld in artikel 80 niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem een boete op van ten hoogste € 2 269.
2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de
gedraging, de mate waarin de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger
de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden
waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval
afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
5. Degene aan wie een boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
6. Voorzover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het overlijden
van degene aan wie zij is opgelegd.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid.
Artikel 29b (WAO)
1. Indien het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen jegens de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger
een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking
kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een
boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voorzover het betreft de boeteoplegging. De
belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt hiervan in
kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
2. Indien het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voornemens is
om aan de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger een
boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende
of zijn wettelijke vertegenwoordiger onder vermelding van de
gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling
als bedoeld in het eerste lid.
3. Op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger
die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt
het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor
dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende of
zijn wettelijke vertegenwoordiger worden medegedeeld in een voor hem
begrijpelijke taal.
4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de belanghebbende of
zijn wettelijke vertegenwoordiger in de gelegenheid om naar keuze
schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de
boete wordt opgelegd.
5. Indien de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er op verzoek van de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger die de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de belanghebbende of
zijn wettelijke vertegenwoordiger kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Artikel 29c (WAO)
1. Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd vermeldt de termijn of
de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze
waarop het besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel
29g zal worden tenuitvoergelegd.
2. Op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger
die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige
2 Dit artikellid is nog niet in werking getreden.
Tot het moment van inwerkingtreding is de
volgende tekst van toepassing: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere
regels met betrekking tot het eerste en het
tweede lid. kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat
besluit vermelde informatie aan de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger wordt medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid.
Artikel 29d (WAO)
1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht
door het openbaar ministerie.
2. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter
zake van de gedraging tegen de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering
is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in
het eerste en het tweede lid mededeling aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 29e (WAO)
1. Een boete wordt opgelegd binnen een jaar nadat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 29b, vierde lid, in de
gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien
terzake aangifte is gedaan of procesverbaal is opgemaakt en ingezonden
vangt de termijn van een jaar aan op de dag na die waarop het openbaar
ministerie aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft
medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren
nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Artikel 29f (WAO)
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is
vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger wijzigen.
Artikel 29g (WAO)
1. Het besluit waarbij een boete is opgelegd levert een executoriale titel
op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten,
bedoeld in het zesde lid.
2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd uitkering ontvangt op
grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen of een toeslag op grond van de Toeslagenwet,
wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd tenuitvoergelegd door
verrekening met die uitkering of toeslag.
3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt
op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, betaalt de Sociale verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van
hem, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen uitkering als
bedoeld in het derde lid ontvangt, of meer ontvangt, dan wel ten aanzien
van zodanige uitkering toepassing van het derde lid niet mogelijk is, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke aan tijdige betaling
met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend tenuitvoergelegd.
5. De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd
vindt plaats met toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het
vierde lid, dan wel van het tweede of derde lid in combinatie met het
vierde lid.
6. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete
verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
7. Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere
periodieke betalingen, welke derden verschuldigd zijn of worden aan
degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met
479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan
de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
8. De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel
geschiedt zodanig dat de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger
blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.
9. Het achtste lid geldt niet, zolang de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger zijn verplichting bedoeld in artikel 29a, vijfde lid, niet
of niet behoorlijk nakomt.
Artikel 29h (WAO)
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde
de uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een boete heeft opgelegd, stelt
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het reïntegratiebedrijf
dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden gericht op vergroting
van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in
arbeid verricht, van die beschikking in kennis voorzover dat noodzakelijk is
voor de uitvoering van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.
Artikel 30 (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd met
betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele,
tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten:
a. algehele arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, dat de
verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half jaar na het tijdstip, dat
de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand
van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering
het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk
moest doen verwachten.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, waarop de verzekering een
aanvang nam, ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van
achttien maanden, heeft genoten, behoudens voorzover het betreft
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid, die bestond op de dag,
voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als ononderbroken
onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van onbetaald verlof die
elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
3. De in het eerste lid, onder b, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede
uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voorzover deze
toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half jaar na de aanvang van de
verzekering is ingetreden.
4. Het bepaalde in het eerste lid, onder b, blijft buiten toepassing ten
aanzien van degene, die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, in verband met het bepaalde in artikel 6,
eerste lid, onder a of b, niet verzekerd was.
5. Onze Minister kan met betrekking tot de bij dit artikel aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegeven bevoegdheid nadere
regelen stellen.
Artikel 31 (WAO)
Zolang het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge het
bepaalde in de artikelen 25, 28 en 30 arbeidsongeschiktheid buiten
aanmerking laat, vindt artikel 18, tweede lid, overeenkomstige toepassing
met betrekking tot de door de betrokkene aan deze wet nog te ontlenen
aanspraken, met dien verstande, dat voor de aanvang van de verzekering
in de plaats treedt het tijdstip, met ingang waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.
Artikel 32 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 33 (WAO)
1. Met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken wordt buiten aanmerking gelaten arbeidsongeschiktheid, welke is ingetreden tijdens een periode, gedurende welke de verzekerde op grond van artikel 17 der Coördinatiewet Sociale Verzekering wegens gemoedsbezwaren van verplichtingen ingevolge deze wet was vrijgesteld.
2. Artikel 30, tweede lid, en artikel 31 zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 2. Toekenning, ingang, herziening, intrekking, heropening en betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 34 (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag toegekend.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de belanghebbende van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop de wachttijd van 104 weken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, verstrijkt
3. De belanghebbende, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van de uitkering, dient zijn aanvraag te doen binnen 21 maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid. Indien de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, is verlengd op grond van het zevende lid van dat artikel wordt de aanvraag voor de toekenning van de uitkering, in afwijking van de eerste zin, uiterlijk 13 weken voor het verstrijken van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde verlengde wachttijd gedaan.
4. Onverminderd het in deze wet terzake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald tijdstip door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er in verband met wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen.
5. Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6. Indien de toepassing van het derde lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen.
7. Indien de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, is verlengd op grond van het zevende lid van dat artikel, besluit het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanvraag, bedoeld in het derde lid, niet te behandelen, indien deze is ingediend vóór het verzoek tot de verlenging.
Artikel 34a (WAO)
1. De aanvraag voor de toekenning van de uitkering gaat vergezeld van een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 71a. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover artikel 71b, eerste lid, toepassing vindt. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie- inspanningen, die zijn verricht.
2. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toepassing heeft gegeven aan artikel 71a, negende lid, of artikel 71b, derde lid, tweede zin, wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanvraag af.
3. Bij de bekendmaking van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, maakt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen melding van de mogelijkheid tot het doen van een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de uitkering alsmede van de termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan.
4. De termijn, waarbinnen de belanghebbende een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de uitkering doet, is:
a. uiterlijk dertien weken voor het verstrijken van het tijdvak waarover de werkgever op grond van artikel 629, elfde lid, onderdeel e, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is het loon te betalen dan wel op grond van artikel 76a, zesde lid, onderdeel d, van de Ziektewet verplicht is bezoldiging te betalen.
b. zo spoedig mogelijk, indien het tijdvak waarover de werkgever op grond van artikel 629, elfde lid, onderdeel e, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is het loon te betalen dan wel op grond van artikel 76a, zesde lid, onderdeel d, van de Ziektewet verplicht is bezoldiging te betalen, minder bedraagt dan 13 weken of indien de werkgever vóór het verstrijken van dat tijdvak geen loon meer verschuldigd is.
c.uiterlijk dertien weken voor het verstrijken van het tijdvak waarover de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet, op grond van artikel 29, negende lid, van die wet verplicht is het ziekengeld te betalen;
d.zo spoedig mogelijk, indien het tijdvak waarover de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet, op grond van artikel 29, negende lid, van die wet verplicht is het ziekengeld te betalen, minder bedraagt dan 13 weken
Artikel 35 (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang
van welke de belanghebbende aan de vereisten voor het recht op
toekenning van die uitkering voldoet.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag,
waarop de aanvraag werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige
volzin afwijken.
Artikel 36 (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer degene,
aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde
voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
2. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 37 tot en met 40.
Artikel 36a (WAO)
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van
herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering en ter zake van weigering van een
zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
een dergelijk besluit of trekt hij dat in:
a. ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 30;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld
of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van
herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.
3. Een besluit tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel
65c, van inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 65d of van een
voorziening als bedoeld in artikel 65e wordt ingetrokken of herzien indien
onderscheidenlijk de loonsuppletie, de inkomenssuppletie of de
voorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 36b (WAO)
1. De intrekking of verlaging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep,
vindt niet eerder plaats dan zes weken na de dag waarop de beslissing op
bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van
overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of
beroep omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geheel of
gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de
werkgever.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de uitkering door eigen schuld of
toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
vastgesteld.
Artikel 37 (WAO)
1. Terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.
2. De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, terzake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.
3. Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van 104 weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
Artikel 38 (WAO)
1. Ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45%, onverminderd artikel 39, plaats zodra
de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft
geduurd.
2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, doch minder dan 80%,
wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier weken na
de dag, met ingang waarvan die uitkering is herzien, de arbeidsongeschiktheid
weer toeneemt, is het eerste lid van toepassing, onder
afwijking van artikel 37.
3. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
Artikel 39 (WAO)
l. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt
herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra
de toeneming van de arbeidsongeschiktheid intreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds eerder wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke voordien was berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%;
d. binnen een door Onze Minister aan te geven termijn in door Onze
Minister aan te wijzen gevallen.
2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend,
onderscheidenlijk eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
werd herzien, met toepassing van artikel 35, tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 42, tweede lid, geldt met betrekking tot het bepaalde in het vorige
lid, onder a en b, als dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering
werd toegekend onderscheidenlijk herzien de dag, met
ingang van welke die uitkering zou zijn toegekend onderscheidenlijk
herzien, indien artikel 35, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 42, tweede
lid, geen toepassing zou hebben gevonden.
3. Onze Minister is bevoegd regels te stellen voor gevallen waarbij direct herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Ingevolge deze regels kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van degene die bij hervatting van de arbeid inkomsten uit arbeid geniet, die minder bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
Artikel 39a (WAO)
1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt
binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als
de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de
toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft
geduurd.
2. Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
3. Dit artikel vindt geen toepassing, indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 of 39, eerste lid, onderdelen a tot en met c.
Artikel 40 (WAO)
1. Indien terzake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering alsmede toekenning van ziekengeld krachtens de Ziektewet heeft plaatsgevonden dan wel loondoorbetaling heeft plaatsgevonden op grond van artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of betaling van bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, wordt met ingang van de dag na beëindiging van het ziekengeld op grond van artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet dan wel na afloop van het in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of in artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet bedoelde tijdvak van 104 weken het dagloon opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14, mits dat leidt tot een hoger dagloon, dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 14, eerste lid, in plaats van de woorden «voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden» gelezen: voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen.
3. Ingeval van herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens het ontvangen van een vervolguitkering wordt, met inachtneming van de tweede tot en met vierde volzin van dit lid, met ingang van de dag waarop het recht op die herziening bestaat, een loondervingsuitkering toegekend. Voor de duur van die loondervingsuitkering is, in afwijking van artikel 21a, de leeftijd van de betrokkene op de dag van ingang van de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepalend. Toekenning van een loondervingsuitkering is slechts mogelijk indien de betrokkene bij de toeneming van de arbeidsongeschiktheid terzake van het verrichten van werkzaamheden op grond van deze wet verzekerd was en de duur van die uitkering langer is dan de duur van de loondervingsuitkering, waarop recht bestond onmiddellijk voorafgaande aan de datum van ingang van de vervolguitkering. De duur van de toe te kennen loondervingsuitkering wordt verminderd met de duur van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering. Tijdens de duur van die loondervingsuitkering bestaat geen recht op vervolguitkering.
4. Na afloop van de in het derde lid bedoelde loondervingsuitkering geldt voor de berekening van het vervolgdagloon, in afwijking van artikel 21b, derde lid, een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op de dag van ingang van de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.
Artikel 41 (WAO)
1. Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag
of ambtshalve plaats.
2. Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt in elk geval ambtshalve plaats, indien de betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet dan wel na afloop van het in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of in artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet bedoelde tijdvak van 104 weken in aanmerking komt voor een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 42 (WAO)
1. De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag, met ingang van welke de belanghebbende ingevolge het bij of
krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in
aanmerking komt.
2. Met betrekking tot de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
welke een verhoging van die uitkering tot gevolg heeft, is het
bepaalde in artikel 35, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
3. De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van
afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag, welke in de
beschikking wordt genoemd als de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid
was afgenomen.
4. Indien herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband
houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze herziening niet
eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien
de belanghebbende eerder inkomsten uit arbeid verwerft is artikel 44, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 43 (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer de
arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 15% is gedaald.
2. De intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag, welke in de beschikking wordt genoemd als de dag, waarop de
arbeidsongeschiktheid was geëindigd of beneden 15% was gedaald.
3. Indien intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband
houdt met een voltooide opleiding of scholing, is artikel 42, vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
4. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene die deelneemt aan een opleiding of scholing, wordt gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken of herzien in verband met een daaruit voortvloeiende afname van de arbeidsongeschiktheid. Indien de belanghebbende tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 44, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken, indien
degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering rechtens zijn
vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één
maand heeft geduurd.
6. Voor de toepassing van het vijfde lid worden perioden van vrijheidsontneming
samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen.
Artikel 43a (WAO)
1. Indien degene
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken,
of
b. die aan het einde van de in artikel 19, bedoelde wachttijd
ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of
gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na de
datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het
einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid
voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd
genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid
onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2. Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
3. In de gevallen, waarin artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk artikel 19 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten geen toepassing vindt omdat artikel 29b van de Ziektewet toepassing kan vinden, wordt het aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan 108/100 maal de grondslag die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in aanmerking werd genomen, dan wel 108/100 maal de grondslag die in aanmerking zou zijn genomen, indien na het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk artikel 6, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, recht zou hebben bestaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een laatstbedoelde wet, zoals die sinds de beëindiging van die uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel 8 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk artikel 7 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zou zijn herzien.
4. Dit artikel vindt geen toepassing, indien:
a. op grond van artikel 47 aanspraak bestaat op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. indien artikel 29b van de Ziektewet toepassing kan vinden, tenzij de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering het ziekengeld overtreft.
5. Artikel 19a en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43b (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien de verzekerde niet meer in Nederland woont.
2. Artikel 20, tweede, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 43c (WAO)
In de gevallen waarin artikel 43a toepassing vindt, alsmede in de gevallen waarin dat artikel niet van toepassing is omdat artikel 29b van de Ziektewet toepassing kan vinden, wordt het aan de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering in aanmerking werd genomen, dan wel het dagloon dat in aanmerking zou zijn genomen indien na het einde van de in artikel 19, bedoelde wachttijd recht zou hebben bestaan op een loondervingsuitkering, zoals dat sinds de beëindiging van de uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel 15 zou zijn herzien.
Artikel 43d (WAO)
De arbeidsongeschiktheidsuitkering, onderscheidenlijk de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in geval van herziening van die uitkering op grond van de artikelen 37, 38, 39 en 39a, wordt niet uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin recht bestaat op ziekengeld op grond van artikel 29, negende lid, van de Ziektewet, op loon op grond van artikel 629, elfde, onderdelen a en e, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel op bezoldiging op grond van artikel 76a, zesde lid, van de Ziektewet.
Artikel 44 (WAO)
1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze
arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden aangemerkt,
de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch
wordt die uitkering:
a. niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die
arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer
sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15% of
b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een
bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou
zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde
arbeid zou zijn.
2. De toepassing van het bepaalde in het eerste lid vindt ten hoogste
plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op
de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid bedoeld in dat lid worden
genoten.
Deze termijn:
a. wordt geacht niet te zijn onderbroken indien gedurende perioden van
korter dan vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten;
b. wordt, indien gedurende perioden van vier weken of langer geen
inkomsten uit arbeid worden genoten, onderbroken, met dien verstande
dat het van de drie jaren resterende tijdvak aanvangt vanaf het moment
waarop opnieuw inkomsten uit arbeid worden genoten.
Na afloop van de in de eerste volzin genoemde termijn wordt de in het eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid.
3. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
inkomsten uit arbeid geniet, die bestaan uit loon ingevolge een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet
sociale werkvoorziening vindt het tweede lid geen toepassing.
4. Maandelijks wordt, wat betreft onderdeel b in afwijking van
paragraaf 5.3 van de Zorgverzekeringswet, aan ’s Rijks kas afgedragen het
geraamde bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond
van het derde lid niet worden uitbetaald wegens het genieten van dat
loon, alsmede van de dientengevolge niet uitbetaalde vakantieuitkeringen,
vermeerderd met:
a. het bedrag aan premies dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bij uitbetaling op grond van enige wet over dat bedrag
verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan
worden gebracht, en
b. de op grond van artikel 46 van de Zorgverzekeringswet vergoede
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van die wet, over dat
bedrag.
5. Onze Minister kan bepalen dat het tweede lid geen toepassing vindt
ten aanzien van bepaalde groepen personen.
6. Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere, en voor
bijzondere gevallen, zonodig afwijkende regels stellen.
7. Gedurende een aaneengesloten termijn van zes maanden,
aanvangende op de eerste dag waarover inkomsten uit arbeid als bedoeld
in het eerste lid worden genoten, wordt geacht geen sprake te zijn van
arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid. Deze termijn wordt geacht niet
te zijn onderbroken indien gedurende perioden korter dan vier weken
geen inkomsten uit arbeid worden genoten.
Artikel 44a (WAO)
(Vervallen)
Artikel 45 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 46 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 46a (WAO)
(Vervallen)
Artikel 47 (WAO)
1. Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met het bepaalde
in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag,
met ingang van welke de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt
wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2. Het bepaalde in het vorige lid is mede van toepassing met betrekking
tot degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met het bepaalde
in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt
binnen 4 weken na de dag, met ingang van welke die uitkering, welke
voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
3. Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met het bepaalde
in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken met ingang van een dag, die gelegen is binnen
vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering werd toegekend
of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien
hij binnen die periode van vier weken weer arbeidsongeschikt wordt,
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met het bepaalde
in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, heeft, onverminderd het bepaalde in het
tweede en derde lid, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang
van welke de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, niet
kennelijk uit een andere oorzaak dan die, waaruit de arbeidsongeschiktheid,
ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is
voortgekomen, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5. De heropening gaat in op de dag, met ingang van welke de betrokkene weer arbeidsongeschikt is geworden en vindt plaats naar de
mate van arbeidsongeschiktheid op die dag.
6. De artikelen 17, derde lid, 19, vierde lid, 19a en de daarop berustende bepalingen, en 35, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
7. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag of ambtshalve
heropend.
Artikel 47a (WAO)
1. De persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
artikel 43b, eerste lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. waarop een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden in het land waar
betrokkene woont, op grond waarvan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
kan bestaan; met inachtneming van de bepalingen van de wet aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
3. De artikelen 19, vierde lid, 35 en 47, zevende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
Artikel 47b (WAO)
1. De persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
artikel 43, vijfde lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid
wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien
hij op die dag arbeidsongeschikt is.
2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
3. De artikelen 19, vierde lid, 35, en 47, zevende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
Artikel 48 (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt heropend door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2. De heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als
een voortzetting van de ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de
artikelen 38, derde lid, 39, eerste lid, onderdeel c, en 39a, wordt daarbij
met herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming
van de arbeidsongeschiktheid gelijk gesteld intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3. Voor de berekening van de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt als dagloon of vervolgdagloon beschouwd het dagloon of
vervolgdagloon, waarnaar de ingetrokken uitkering op de dag van ingang
van de heropende uitkering zou zijn berekend, indien de uitkering niet was
ingetrokken, tenzij hernieuwde vaststelling van een dagloon overeenkomstig
het bepaalde bij of krachtens artikel 14 en met inachtneming van
artikel 15 tot een hoger dagloon of vervolgdagloon leidt, in welk geval de
heropende uitkering aan de hand van dit dagloon of vervolgdagloon
wordt berekend.
Artikel 49 (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering neemt een einde met ingang van
de eerste dag van de maand, waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar
bereikt.
2. Toekenning of heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt
niet plaats, indien de uitkering onderscheidenlijk de heropening zou
ingaan op of na de in het eerste lid bedoelde dag.
Artikel 50 (WAO)
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als
regel in termijnen van niet langer dan een maand.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan een uitkering als
bedoeld in het eerste lid, over een door hem te bepalen tijdvak bij wege
van voorschot betaalbaar stellen, indien onzekerheid bestaat over het
recht op of de hoogte van de uitkering of de hoogte van het te betalen
bedrag aan uitkering. Een verleend voorschot wordt verrekend met het
definitief vastgestelde bedrag aan uitkering dat over het desbetreffende
tijdvak wordt betaald.
3. Onverminderd het tweede lid, schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of
schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen
van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering bestaat;
c. degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend of
zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel
25, 28 of 80 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
4. In geval de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht.
5. Wanneer degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen,
onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg
gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag
waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van
haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste
dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk
intrekking der machtiging.
6. Onze Minister kan regelen vaststellen inzake de betaalbaarstelling
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door organen, welke belast zijn
met de uitbetaling van invaliditeitsuitkering of van pensioen uit anderen
hoofde dan ingevolge deze wet.
7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, onder
door hem te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het vorige lid
bedoelde organen, gelijktijdig met de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
invaliditeitsuitkeringen of pensioenen, verschuldigd door die organen,
betaalbaar te stellen.
8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt regels omtrent de
betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in gevallen
waarin de verzekerde recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
over een periode waarover hij tevens een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet ontvangt.
9. Indien een reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden
bestaat dat een persoon aan wie een uitkering op grond van deze wet is
toegekend, onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking
hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit omtrent de
gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de
uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
10. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het
reïntegratiebedrijf in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing
als bedoeld in het negende lid.
Artikel 50a (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van
een uitkering ingevolge deze wet op indien degene aan wie uitkering is
toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf
houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
2. De betaling van een uitkering ingevolge deze wet wordt hervat indien
betrokkene daartoe een aanvraag indient en het het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont
of verblijf houdt.
Artikel 51 (WAO)
Voorzover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering ingevolge
deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt
een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke
vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk
verzet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geschiedt de
uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 52 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 53 (WAO)
1. Na het overlijden van degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering
uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de
minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke
betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen,
aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten
van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
2. Met degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld, degene
wiens overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd
van 65 jaar zou hebben bereikt doch voor het bereiken van deze leeftijd is
overleden, en die uitsluitend ingevolge artikel 49, over de dag van zijn
overlijden geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering had.
3. De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering over één maand, doch niet over de
zaterdagen en zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op de
dag of laatstelijk voor de dag van overlijden, van degene aan wie die
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend.
4. In verband met het overlijden van degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, is artikel 49, eerste lid, niet
van toepassing.
5. De overlijdensuitkering wordt op verzoek aan de rechthebbende of
rechthebbenden genoemd in het eerste lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uitbetaald.
6. De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
7. Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het
bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat, over na het overlijden
gelegen dagen reeds is uitbetaald.
Artikel 54 (WAO)
1. Indien de degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als
bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die
wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering
tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, zonder diens machtiging
uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
2. Indien degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van
zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
van de desbetreffende inrichting of van de gemeente die de
opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd dat verzoek zonder
het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
3. Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat niet aan het College voor zorgverzekeringen wordt uitbetaald.
4. Op de herziening van een beschikking op grond van het eerste lid als
gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen
3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 55 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 56 (WAO)
De termijnen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke niet zijn
ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling, worden
niet meer uitbetaald.
Artikel 57 (WAO)
1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, en de voorziening of de kosten van de voorziening, bedoeld in artikel 65e, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
2. In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft
voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode,
vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de
invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk
is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
één keer aflost.
3. De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar
indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de
beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80.
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
5. Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd,
de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald,
alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling zal worden
tenuitvoergelegd op de wijze als omschreven in artikel 57a.
6. Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van
belang zijn.
7. In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen,
besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen
bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 57a (WAO)
1. Het besluit tot terugvordering levert een executoriale titel op in de zin
van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2. Artikel 29g is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende
drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager
vaststelt.
Artikel 57b (WAO)
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de artikelen 57, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, en
57a.
Artikel 58 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 59 (WAO)
(Vervallen)
§ 2a. Vakantieuitkering
Artikel 59a (WAO)
Degene, die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft recht
op een vakantieuitkering.
Artikel 59b (WAO)
1. De vakantieuitkering bedraagt 8 pct. van het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop recht bestond in de periode van
twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei.
2. Indien artikel 44 is toegepast, wordt onder het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het eerste lid verstaan het
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, nadat artikel 44 is
toegepast.
3. De uitbetaling van de vakantieuitkering vindt eenmaal per jaar
ambtshalve plaats in de maand mei.
4. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt het percentage van de in het eerste lid bedoelde vakantie-uitkering, alsmede de noemer van de in de artikelen 21, tweede lid en 22, bedoelde breuk dienovereenkomstig aangepast. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over de periode aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat. Het aldus gewijzigde percentage en de aldus gewijzigde noemer treden in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage onderscheidenlijk de in de artikelen 21, tweede lid en 22, genoemde noemer.
5. Op de toekenning van de vakantieuitkering zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 59c (WAO)
Onze Minister kan nadere, zo nodig van het bepaalde in artikel 59b,
eerste lid, afwijkende regelen stellen ter berekening van de vakantieuitkering
van degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering met
toepassing van het bepaalde krachtens artikel 65 niet of niet ten volle
wordt uitbetaald en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van
een andere Mogendheid eveneens recht heeft op een vakantieuitkering
ingevolge die wetgeving.
Artikel 59d (WAO)
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 50, 53, 54, 56, 57 en 80 vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantieuitkering
voorzover bij of krachtens deze paragraaf niet anders is bepaald.
Artikel 59e (WAO)
Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in deze paragraaf
nadere regelen stellen. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde
in artikel 59b, derde lid.
HOOFDSTUK IIA. GARANTIEREGELING VOOR OUDERE
ARBEIDSONGESCHIKTEN, SAMENLOOP, VERSTREKKINGEN DIE ONVERVREEMDBAAR ZIJN EN VERSTREKKINGEN DIE NIET VATBAAR ZIJN VOOR BESLAG
Artikel 60 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 61 (WAO)
Indien een persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en op of na de dag waarop hij de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt
inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking gaat verdienen in verband
waarmee zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, binnen
vijf jaar na de datum van werkaanvaarding opnieuw recht heeft op
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt het aan die
uitkering ten grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan het
dagloon of het vervolgdagloon dat voor de berekening van de laatstelijk
ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd
genomen, zoals dat vanaf de beëindiging tot aan de datum van de in dit
artikel bedoelde toekenning op grond van artikel 15 van deze wet, al dan
niet in verbinding met artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag,
zou zijn herzien indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet was beëindigd.
Artikel 62 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 63 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 64 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 65 (WAO)
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van andere wetten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheids uitkering met uitkering op grond van de sociale wetgeving van de
Nederlandse Antillen, Aruba of van een andere Mogendheid.
Artikel 65a (WAO)
1. Onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding en belening zijn:
a. de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. de vakantie-uitkering;
c. de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c;
d. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d;
e. de voorzieningen, bedoeld in artikel 65e.
2. Volmacht tot ontvangst van een uitkering onder welke vorm of
benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
3. Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.
Artikel 65b (WAO)
Niet vatbaar voor beslag zijn:
a. de verhoging, bedoeld in artikel 22;
b. de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 53;
c. de voorzieningen, bedoeld in artikel 65e.
HOOFDSTUK IIB. REÏNTEGRATIE-INSTRUMENTEN
Artikel 65c (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de
verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die
arbeid in dienstbetrekking aanvaardt of verricht, op aanvraag
loonsuppletie toekennen, indien zijn loon lager is dan zijn resterende
verdiencapaciteit.
2. De loonsuppletie wordt verstrekt over perioden waarin loon uit
dienstbetrekking wordt ontvangen, doch ten hoogste over een periode
van vier jaar te rekenen vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste
maal loonsuppletie is toegekend.
3. Als perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als
bedoeld in het tweede lid worden eveneens aangemerkt, perioden waarin
een uitkering op grond van de Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij
de dienstbetrekking is geëindigd.
4. De loonsuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke
bepalingen inzake premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond
van deze wet.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de hoogte van de loonsuppletie.
Artikel 65d (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de
verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die
arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, op aanvraag inkomenssuppletie
toekennen, indien zijn inkomen uit het bedrijf of beroep lager is
dan zijn resterende verdiencapaciteit.
2. De inkomenssuppletie wordt verstrekt over perioden waarin het
bedrijf of beroep wordt uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode
van vier jaar te rekenen vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste
maal inkomenssuppletie is toegekend.
3. De inkomenssuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke
bepalingen inzake premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de hoogte van de inkomenssuppletie.
Artikel 65e (WAO)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld op grond waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op aanvraag aan de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, in het kader van de bevordering van en
ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige voorzieningen
kan verstrekken.
Artikel 65f (WAO)
De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,ling en, met inachtneming
van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijk
geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
Artikel 65g (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, in het kader
van de bevordering van de inschakeling in de arbeid, toestemming
verlenen aan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
om op een proefplaats bij een werkgever
gedurende maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden te
verrichten.
2. Tijdens het verrichten van werkzaamheden op een proefplaats als
bedoeld in het eerste lid wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
ingetrokken of herzien.
3. De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in
het eerste lid zijn:
a. werkzaamheden, waartoe de verzekerde, bedoeld in het eerste lid,
met zijn krachten en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden, waarbij de werkgever, bij wie de proefplaatsing
geschiedt, een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve
van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden, die de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, niet
reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij die werkgever of diens
rechtsvoorganger heeft verricht; en
d. werkzaamheden waarbij er, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, een reëel uitzicht is op een op de
onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van dezelfde
of grotere omvang voor ten minste 6 maanden.
4. De verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die werkzaamheden verricht
als bedoeld in het eerste lid, doet daarvan onverwijld mededeling aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
5. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte
worden onderbroken, wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte
wordt ontvangen, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing
gelaten.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de uitvoering van dit artikel.
Artikel 65h (WAO)
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, van
inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, van voorzieningen, bedoeld in
artikel 65e en van toestemming als bedoeld in artikel 65g.
HOOFDSTUK III. DE UITVOERING DER VERZEKERING
§ 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Artikel 66 (WAO)
De verzekerde is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 67 (WAO)
Voor de toepassing van deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als één verzekering.
Artikel 68 (WAO)
Vervallen
Artikel 69 (WAO)
Vervallen
Artikel 70 (WAO)
(Vervallen)
Artikel 71 (WAO)
1. Indien de verzekerde meer dan één werkgever heeft, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering betaald door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, ook indien één of meer werkgevers eigenrisicodrager
zijn.
2. In de situatie, bedoeld in het eerste lid, verhaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de eigenrisicodrager, naar rato van de loonsom
en met inachtneming van het derde lid, de door hem verschuldigde
arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsmede de op grond van enige wet
over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in
mindering kunnen worden gebracht en de vergoeding,
bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering.
3. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet verhaald op de
eigenrisicodrager, indien de verzekerde met behoud van hetzelfde loon bij
die werkgever arbeid is blijven verrichten.
4. Onze Minister kan omtrent de betaling en het verhaal regels stellen,
zonodig in afwijking van dit artikel.
Artikel 71a (WAO)
1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie van de verzekerde.
2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een door Onze
Minister nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de
verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van
aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd.
Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.
3. Uiterlijk twee weken voordat de termijn is verstreken waarbinnen de
belanghebbende op grond van artikel 34, derde lid, eerste volzin, zijn
aanvraag voor toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dient
te doen stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de
verzekerde een reïntegratieverslag op en verstrekt de werkgever hiervan
een afschrift aan de verzekerde.
4. Indien artikel 19, zevende lid, toepassing heeft gevonden:
a. stelt de werkgever in overleg met de verzekerde, indien hij nog geen
reïntegratieverslag heeft opgesteld, in afwijking van het derde lid, het
reïntegratieverslag uiterlijk 14 weken voor het verstrijken van de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde verlengde wachttijd,
bedoeld in artikel 19, zevende lid, op en verstrekt een afschrift daarvan
aan de verzekerde;
b. vult de werkgever in overleg met de verzekerde, indien hij reeds een
reïntegratieverslag heeft opgesteld dit reïntegratieverslag uiterlijk 14
weken voor het verstrijken van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde verlengde wachttijd, bedoeld in artikel 19,
zevende lid, aan en verstrekt een afschrift daarvan aan de verzekerde,
tenzij de verzekerde verzoekt dit, in verband met het doen van een
aanvraag als bedoeld in artikel 34, derde lid, eerder te doen. De werkgever
komt binnen twee weken aan dit verzoek tegemoet. Dit lid is van
overeenkomstige toepassing bij een aanvraag voor de uitkering na
toepassing van artikel 34a, tweede lid.
5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon, als bedoeld in artikel 14,eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 die belast is met de
bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of een arbodienst als bedoeld in de arbeidsomstandighedenwet 1998.
6. De werknemer verleent zijn medewerking bij het opstellen van het
plan van aanpak en het opstellen van het reïntegratieverslag.
7. Bij of krachtens ministeriële regeling kunnen regels met betrekking
tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.
8. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34,
derde lid, blijkt dat de werkgever zijn verplichting om een reïntegratieverslag
op te stellen niet of niet volledig is nagekomen, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werkgever een termijn waarbinnen
het reïntegratieverslag wordt verstrekt of aangevuld.
9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak vast, gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet.
Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de
toepassing van het negende lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 71b (WAO)
1. In afwijking van artikel 71a, is op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten aanzien van de verzekerde die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, c of d, van de Ziektewet recht heeft op ziekengeld, artikel 71a, tweede tot en met het tiende lid niet van toepassing en is artikel 71a, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt, binnen een door Onze Minister nader te bepalen termijn, in overleg met die verzekerde, een plan van aanpak op. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.
2. In afwijking van artikel 71a, is artikel 71a, vierde, achtste, negende en
tiende lid, niet van toepassing op de werkgever, bedoeld in artikel 629 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wiens verzekerde op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel e, f of g , van de Ziektewet dan wel op grond van
artikel 29a, derde of zevende lid, van die wet recht heeft op ziekengeld.
3. In afwijking van het eerste lid is artikel 71a, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling, bedoeld in artikel 34a, blijkt dat de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond de uit die zin voortvloeiende verplichtingen dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak vast, gedurende welke de persoon, bedoeld in de eerste zin, recht op ziekengeld heeft op grond van artikel 29 van de Ziektewet. Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en de ernst van het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren..
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van dit artikel.
2. Arbeidsongeschiktheidsfonds en arbeidsongeschiktheidskas
Artikel 72 (WAO)
Vervallen.
Artikel 72a (WAO)
Vervallen.
Artikel 73 (WAO)
Vevallen.
Artikel 73a (WAO)
Vevallen.
Artikel 74 (WAO)
Vervallen.
HOOFDSTUK IIIA. EIGEN RISICO DRAGEN DOOR DE WERKGEVER
Artikel 75 (WAO)
Vervallen.
Artikel 75a (WAO)
1. De eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de Wet financiering sociale verzekeringen, draagt gedurende de periode van vier jaar nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die is toegekend:
a. aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de eigen risicodrager in dienstbetrekking stond en ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd van 104 weken, bedoeld in artikel 19 heeft doorgemaakt;
b. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, is ingetrokken op grond van artikel 43, eerste lid;
c. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was;
d. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, ten aanzien van wie op grond van artikel 43a, vierde lid, onderdeel b, geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 43a, eerste lid, als bedoeld in de onderdelen b en c.
2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend met toepassing van artikel 43a, eerste lid, of aan de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, vangt de in het eerste lid bedoelde periode van vier jaar aan na het verstrijken van de wachttijd van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend aan een werknemer, die uit de dienstbetrekking waaruit de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan recht had op ziekengeld op grond van artikel 29b van de Ziektewet;
b. het een arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft, toegekend aan een werknemer, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende uitkering.
4. De eigen risicodrager betaalt, met inachtneming van artikel 71, de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werknemer, bedoeld in het eerste lid. Indien de eigen risicodrager de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet betaalt, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de arbeidsongeschiktheidsuitkering en verhaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering, op de eigen risicodrager.
5. Indien de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of ten dele niet aan de werknemer, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, wordt na afloop van een kalenderkwartaal het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het bedrag aan premies dat de eigen risicodrager bij wel-uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering, door de eigen risicodrager aan ’s Rijks kas afgedragen.
6. Indien een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend direct aansluitend op een wachttijd die op grond van artikel 19, zevende lid, is verlengd, wordt de duur van de verlenging van de wachttijd in mindering gebracht op de periode van vier jaar bedoeld in het eerste lid.
7. Indien een arbeidsongeschiktheidsuitkering, respectievelijk een verhoging daarvan, niet wordt uitbetaald op grond van artikel 43d wordt de periode van vier jaar, bedoeld in het eerste lid, verlengd met het verlengde tijdvak waarin recht bestaat op ziekengeld op grond van artikel 29, negende lid, van de Ziektewet, op loon op grond van artikel 629, elfde lid, onderdelen a en c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel op bezoldiging op grond van artikel 76a, zesde lid, van de Ziektewet.
Artikel 75b (WAO)
1. Indien een werkgever eigenrisicodrager wordt, wordt het risico van
de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de werknemer,
bedoeld in artikel 75a, die is ingegaan vóór de dag waarop deze
werkgever eigenrisicodrager wordt, vanaf die dag door de eigenrisicodrager
gedragen, overeenkomstig artikel 75a.
2. In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een
dergelijke overgang bij faillissement, waarbij de werkgever die de
onderneming overdraagt geen eigenrisicodrager is en de werkgever die de onderneming verkrijgt eigenrisicodrager is of wordt, wordt door de
eigenrisicodrager het in het derde lid beschreven risico zelf gedragen.
3. Het tweede lid betreft het risico van de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, overeenkomstig artikel 75a, die is of
wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond
tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen.
4. Indien de werkgever wiens onderneming wordt overgenomen als
bedoeld in het tweede lid eigenrisicodrager is, gaat het risico van de
betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, overeenkomstig artikel
75a, die is of wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van
de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking
stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, over op
de werkgever die de onderneming verkrijgt, ook indien hij geen eigenrisicodrager
is.
5. Indien het zelf dragen van het risico eindigt of wordt beëindigd anders dan als gevolg van overgang van onderneming van de werkgever, bedoeld in het vierde lid, blijft de werkgever het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dragen, overeenkomstig artikel 75a, die is of wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid tot hem in dienstbetrekking stond. Indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel indien hij ophoudt werkgever te zijn, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de in de eerste zin bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering en verhaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, op de kredietinstelling of verzekeraar, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
6. Indien de onderneming van de werkgever, bedoeld in het vijfde lid,
wordt overgenomen als bedoeld in het tweede lid en de werkgever die de
onderneming verkrijgt geen eigenrisicodrager is, gaan de verplichtingen
met betrekking tot de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in het vijfde lid, over op de laatstgenoemde werkgever.
7. Indien slechts een deel van een onderneming als bedoeld in het tweede lid overgaat, vindt het tweede lid toepassing naar rato van het deel van de loonsom dat het overgegane deel van de onderneming deel uitmaakte van de gehele onderneming in het kalenderjaar voorafgaande aan dat van overgang, doch blijft de betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het derde lid berusten bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verhaalt op de eigen risicodrager de door hem op grond van de eerste zin verschuldigde arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht..
8. Indien slechts een deel van een onderneming als bedoeld in het
vierde en zesde lid overgaat, blijft het risico van de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het vierde en zesde lid,
berusten bij de werkgever die een deel van de onderneming overdraagt.
Artikel 75c (WAO)
Vervallen.
Artikel 75d (WAO)
1. De eigenrisicodrager is niet verplicht tot het doen van de aangifte
van ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 38 van de Ziektewet.
2. De eigen risicodrager doet, uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken van een verzekerde voor wie hij het risico, bedoeld in artikel 75a, eerste lid, draagt zijn verstreken, aangifte van die ongeschiktheid bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De werkgever geeft daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken op. Voor het bepalen van het tijdvak van acht maanden worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van acht maanden blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
3. Onverminderd het tweede lid doet de eigenrisicodrager aangifte van
de ongeschiktheid tot werken van een verzekerde voor wie hij het in
artikel 75a, eerste lid, bedoelde risico draagt, op de laatste werkdag
voordat de dienstbetrekking eindigt.
Artikel 75e (WAO)
Op de eigen risicodrager is artikel 71a van toepassing.
Artikel 75f (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen brengt bij de eigenrisicodrager de kosten in rekening ter zake van de betaling van de uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en het verhaal op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 75a, vierde lid.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergoedt aan de eigen risicodrager op aanvraag de schade die deze lijdt door toepassing van artikel 36b, eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 75g (WAO)
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zonodig
afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.
Artikel 75h (WAO)
1. Indien de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet financiering sociale verzekeringen voorzover het het eigenrisicodragerschap met betrekking tot de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering betreft, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schriftelijk heeft gemeld dat hij de in artikel 658a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taak na het einde van de dienstbetrekking van zijn werknemers blijft verrichten gedurende een door hem bij die melding aangegeven periode, geldt de verplichting, bedoeld in artikel 658a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, in afwijking van artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor de eigenrisicodrager na het einde van elke dienstbetrekking van zijn vroegere werknemers die een uitkering ontvangen op grond van deze wet. De duur van deze periode is ten hoogste zes jaar na de dag waarop de betreffende werknemer ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
2. Artikel 658a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in het eerste lid, gedurende de in het eerste lid, eerste volzin, genoemde periode.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent:
a. de mogelijkheid van verlenging van de in artikel 658a van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde taak van de werkgever op grond van het
eerste lid;
b. de mogelijkheid van verlenging van de in artikel 658a van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde taak van de werkgever na het einde van
de dienstbetrekking in een individueel geval;
c. de mogelijkheid van beëindiging van de in het eerste lid bedoelde
verplichting.
HOOFDSTUK IV. FINANCIERING
§ 1. Middelen tot dekking van de uitgaven
Artikel 76 (WAO)
Vervallen.
Artikel 76a (WAO)
Vervallen.
Artikel 76c (WAO)
Vervallen.
Artikel 76d (WAO)
Vervallen.
Artikel 76e (WAO)
Vervallen.
Artikel 76f (WAO)
Vervallen.
Artikel 76g (WAO)
Vervallen.
§ 2. De basispremie
Artikel 77 (WAO)
Vervallen.
Artikel 77a (WAO)
Vervallen.
Artikel 77b (WAO)
Vervallen.
Artikel 77c (WAO)
Vervallen.
Artikel 77d (WAO)
Vervallen.
Artikel 77e (WAO)
Vervallen.
§ 3. De gedifferentieerde premie
Artikel 78 (WAO)
Vervallen.
Artikel 78a (WAO)
Vervallen.
Artikel 79 (WAO)
Vervallen.
§ 3. Premievrijstelling en premiekorting
Artikel 79a (WAO)
Vervallen.
Artikel 79b (WAO)
Vervallen.
HOOFDSTUK V. HET VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN
Artikel 80 (WAO)
1. Degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt,
dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de
instelling aan welke ingevolge artikel 54 de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging
mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun
redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of
de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat
daarvan wordt uitbetaald.
2. Degene aan wie een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk
IIB is verstrekt of toegekend, of aan wie verstrekking of toekenning
daarvan wordt overwogen, alsmede diens wettelijk vertegenwoordiger, is
verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn
verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat
zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking of toekenning of op de duur
of de hoogte van het reïntegratie-instrument.
Artikel 80a (WAO)
1.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen maakt per werkgever, die behoort tot een bij ministeriële regeling te bepalen categorie, het percentage werknemers van die werkgever dat in een kalenderjaar recht heeft gekregen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet openbaar. Dat percentage wordt verkregen door het aantal werknemers dat in dienstbetrekking stond tot die werkgever, dat recht heeft gekregen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin openbaarmaking plaatsvindt, te delen door het gemiddelde aantal werknemers dat in dienstbetrekking stond tot die werkgever gedurende het kalenderjaar dat voorafgaat aan eerstgenoemd kalenderjaar.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder recht krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet verstaan het voor de eerste maal betaald krijgen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering na toekenning daarvan.
3.Indien een werkgever, met toepassing van de artikelen 96 en 97 van de Wet financiering sociale verzekeringen, is aangesloten bij verschillende sectoren, vindt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever, waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de in het eerste lid bedoelde openbaarmaking afzonderlijk plaats.
4.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de wijze van openbaarmaking van gegevens als bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK VI. DE VRIJWILLIGE VERZEKERING
Artikel 81 (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen laat op verzoek
tot de vrijwillige verzekering toe, mits hij hier te lande woont:
a. de persoon aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan
45%;
b. de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%.
2. Op de persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is
geworden en op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd verzekerde
was op grond van de vrijwillige verzekering, blijft de vrijwillige
verzekering op grond van dit hoofdstuk van toepassing:
a. gedurende de wachttijd, bedoeld in artikel 19;
b. gedurende vier weken na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel
19, indien hij na afloop van die wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt
is, doch binnen die vier weken 15% of meer arbeidsongeschikt is;
c. gedurende de periode waarover hij recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 82 (WAO)
Vervallen.
Artikel 83 (WAO)
1. Het verzoek tot toelating tot de vrijwillige verzekering wordt binnen
vier weken na de dagtekening van de beschikking waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering
werd toegekend of herzien ingediend bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2. Een verzoek tot toelating wordt geacht binnen vier weken na de
dagtekening van het besluit te zijn gedaan, indien dit verzoek geschiedt
binnen vier weken na de dag waarop de persoon die het verzoek heeft
gedaan redelijkerwijze kennis heeft kunnen nemen van het besluit.
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd te
verklaren dat een verzoek tot toelating tot de vrijwillige verzekering,
ingediend na de daartoe op grond van deze wet gestelde termijn, geacht
wordt tijdig te zijn gedaan, indien de persoon die het verzoek heeft
gedaan, redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
4. De vrijwillige verzekering vangt aan op de dag met ingang waarvan
de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend of herzien.
Artikel 83a (WAO)
Vervallen.
Artikel 83b (WAO)
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beëindigt de
vrijwillige verzekering:
a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem
te bepalen datum;
b. met ingang van de dag waarop de vrijwillig verzekerde op grond van
deze wet als werknemer wordt beschouwd;
c. indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle
kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of
d. indien niet langer wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel
81.
Artikel 84 (WAO)
1. De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt,
bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het
dagloon, met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag eventueel verhoogd of verlaagd krachtens artikel 18 van die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij in geval van arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen derft.
2. De uitkering op grond van de vrijwillige verzekering wordt tijdens de duur, bedoeld in artikel 21a, berekend naar het in het eerste lid bedoelde dagloon. Dit dagloon wordt eveneens in aanmerking genomen bij de berekening van het vervolgdagloon, bedoeld in artikel 21b.
Artikel 84 (WAO)
Vervallen.
Artikel 85 (WAO)
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere regels met
betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder
geval bepalingen met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige verzekering;
b. het einde van de vrijwillige verzekering;
c. het dagloon, bedoeld in artikel 84, eerste lid.
Artikel 86 (WAO)
Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk zijn, met
inachtneming van de wijzigingen, welke de aard van het onderwerp vordert, de bepalingen van de overige hoofdstukken en de ter uitvoering
van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige
toepassing, voorzover daarvan in het bij of krachtens dit
hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.
HOOFDSTUK VII. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN BEROEP IN CASSATIE
§ 1. Algemeen
Artikel 86a (WAO)
In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over het verzekerd zijn op grond van deze wet als bedoeld in artikel 87, eerste lid.
Artikel 86b (WAO)
1.Onverminderd artikel 87, worden de beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2.De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.
3.Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
4.Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 87 (WAO)
1. Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verzekerd zijn op grond van deze wet kan door de werknemer uitsluitend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geeft de beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen dertien weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
3. Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid om andere dan de in het tweede lid bedoelde redenen niet binnen dertien weken kan worden gegeven, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
4. Een beschikking over verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, op grond van het zevende lid van dat artikel wordt gegeven binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 87a (WAO)
In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gestelde redelijke termijn, verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
Artikel 87b (WAO)
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten,
waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Artikel 87c (WAO)
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen dertien
weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Artikel 87d (WAO)
Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen eenentwintig weken, na ontvangst van het bezwaarschrift.
Artikel 87e (WAO)
Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 75a, vierde lid, bedoelde betaling danwel tegen de in artikel 37, tweede of derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, bedoelde opslag of korting kan niet zijn gegrond op de grief, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 87f (WAO)
1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2 tot en met 11 en 13, eerste lid, en de daarop berustende bepalingen.
2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Artikel 87g (WAO)
Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op
de verstrekking van voorzieningen op grond van artikel 65e.
§ 2. Medische besluiten
Artikel 88 (WAO)
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. medisch besluit: een besluit, waaraan een beoordeling van medische
gegevens ten grondslag ligt;
b. werknemer: degene, op wiens medische gegevens de beoordeling
betrekking heeft;
c. de werkgever: de belanghebbende bij een medisch besluit, die niet
de werknemer is.
Artikel 88a (WAO)
1. Stukken die medische gegevens bevatten worden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet aan de werkgever ter inzage of ter kennisname gegeven of toegezonden, tenzij de werknemer hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
2. De toestemming kan te allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.
3. Tijdens het horen in bezwaar kan de toestemming ook mondeling worden ingetrokken.
Artikel 88b (WAO)
1.Indien door de werknemer geen toestemming is gegeven als bedoeld in artikel 88a, is de inzage, dan wel kennisname of toezending van stukken die medische gegevens bevatten, voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die advocaat of arts is dan wel daarvoor van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bijzondere toestemming heeft gekregen.
2.De gemachtigde, bedoeld in het eerste lid, treedt in de plaats van de werkgever bij:
a.de voorbereiding van een medische beschikking;
b.het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift; en
c.de behandeling van een bezwaar; voorzover betrekking hebbend op medische gegevens.
3.Artikel 7:4, tweede, vierde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op stukken of inlichtingen die medische gegevens bevatten.
Artikel 88c (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vermeldt de motivering van een medische beschikking, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, in een aparte bijlage.
2. Indien de werknemer geen toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 88a wordt de bijlage, bedoeld in het eerste lid, niet aan de werkgever verstrekt.
3. De bijlage wordt verstrekt aan de gemachtigde van de werkgever, bedoeld in artikel 88b.
4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van een arts of een psycholoog, waarnaar bij de motivering van een medische beschikking wordt verwezen.
Artikel 88d (WAO)
Bij de bekendmaking van een medische beschikking wordt gewezen op de artikelen 88a, 88b, 88c en 88e.
Artikel 88e (WAO)
De gronden van het bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht, worden in een aparte bijlage vermeld voorzover ze betrekking hebben op medische gegevens.
Artikel 88f (WAO)
1.Indien artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is toegepast, vindt in afwijking van artikel 8:62, eerste lid, van die wet het onderzoek ter zitting, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats, tenzij de rechtbank ambtshalve of op verzoek van een van de partijen bepaalt dat het onderzoek openbaar is.
2.In de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt mededeling gedaan van het eerste lid.
Artikel 88g (WAO)
Artikel 88f is van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van het hoger beroep en bij de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening.
HOOFDSTUK VIII. DE INVLOED VAN DE VERZEKERING OP HET BURGERLIJK RECHT
Artikel 89 (WAO)
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar
burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid,
houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij
krachtens deze wet heeft.
Artikel 90 (WAO)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
2. Overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.
3. De eigen risicodrager treedt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voorzover hij het risico van de betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering draagt.
Artikel 91 (WAO)
1. Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de arbeidsongeschiktheid is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.
2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990.
Artikel 91a (WAO)
Vervallen.
Artikel 91b (WAO)
1.Ten aanzien van de persoon wiens eerste dag van arbeidsongeschiktheid is gelegen voor 1 januari 2004 blijven de artikelen 19, met uitzondering van het tweede lid, laatste zin, 34 en 75a en artikel 117 van de Wet financiering sociale verzekeringen van toepassing zoals deze luidden op 31 december 2003, met dien verstande dat met ingang van de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet het krachtens artikel 75a, vierde lid, tweede zin, te verhalen bedrag respectievelijk het krachtens artikel 75a, vijfde lid, aan ’s Rijks kas af te dragen bedrag wordt vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, over de uitkering.
2.Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien in verband met een voor 1 januari 2004 ingetreden toeneming van de arbeidsongeschiktheid, zijn de artikelen 37, met uitzondering van het derde lid, laatste zin, 40 en 41 van toepassing, zoals deze luidden op 31 december 2003.
3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Artikel 91c (WAO)
Zo nodig in afwijking van de overige artikelen van dit hoofdstuk blijven de artikelen 75a, derde lid, en 76f, vijfde lid, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurend zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 274) van toepassing voor de duur van de periode waarin op grond van artikel IXa van die wet recht bestaat op een financiële tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.
Artikel 91d (WAO)
1.Een beschikking tot toekenning van inkomenssuppletie op grond van artikel 29 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de persoon die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur waarvoor die inkomenssuppletie was toegekend aangemerkt als een beschikking tot toekenning van inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 65d.
2.Een beschikking tot toekenning van loonsuppletie op grond van artikel 32 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de persoon die op dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur waarvoor die loonsuppletie was toegekend aangemerkt als een beschikking tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 65c.
3.De persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de toepassing van artikel 34, vierde lid, van deze wet, artikel 35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 28, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, of de persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken, wordt gedurende vijf jaar na de dag van intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aangemerkt als verzekerde in de zin van artikel 65c en 65d.
HOOFDSTUK IX. STRAFBEPALINGEN
Artikel 92 (WAO)
Hij die niet voldoet aan de verplichting, omschreven in artikel 12, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 93 (WAO)
(vervallen)
#wao">(WAO)
(vervallen)
Artikel 95 (WAO)
(vervallen)
Artikel 96 (WAO)
Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde
algemene maatregel van bestuur, voorzover uitdrukkelijk als strafbaar feit
in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 97 (WAO)
Het recht tot strafvordering vervalt indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de belanghebbende ter zake van
hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 98 (WAO)
De in artikelen 92 en 96 bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
HOOFDSTUK X. SLOTBEPALINGEN
Artikel 98a (WAO)
1. Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid, gesloten door degene, die verplicht verzekerd wordt, vervalt met ingang van de dag, waarop de verzekeraar van de verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de in deze wet geregelde verplichte verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag, waarop de betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de overeenkomst met ingang van die dag.
2. De premie, welke degene, wiens verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al naar gelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
Artikel 98b (WAO)
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 6, tweede lid, onder a en c, 17, eerste lid, 19, tweede en derde lid, 21a, 38, 39, eerste lid, 39a, 43 a, 47, eerste, tweede, derde en vierde lid, en 53.
Artikel 98c (WAO)
Onze Minister kan ter bevordering van de veiligheid van de arbeid van verzekerden alsmede van de gezondheid van verzekerden bij de arbeid, regelen stellen inzake het door de werkgever vastleggen van gegevens en het verstrekken van inlichtingen door de werkgever aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en een bij die regelen aan te wijzen instelling omtrent bedrijfsongevallen en beroepsziekten.
Artikel 98d (WAO)
Artikel 14 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten, blijven van toepassing op de persoon wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel, met betrekking tot die arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met betrekking tot de artikelen 40, eerste lid, en 48, derde lid, is de eerste zin niet van toepassing.
Artikel 98e (WAO)
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend voor de inwerkingtreding van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, dan wel daarna met toepassing van artikel 91b, worden geacht te zijn toegekend voor onbepaalde tijd.
Artikel 99 (WAO)
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door Onze
Minister geregeld.
Artikel 99a (WAO)
(Vervallen)
Artikel 100 (WAO)
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel «Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering».
Artikel 100a (WAO)
Na de plaatsing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in het Staatsblad wordt de tekst van die wet, zo nodig, door de zorg van Onze Minister van Justitie, opnieuw in het Staatsblad geplaatst, waarbij vernummeringen en daarmede verband houdende wijzigingen in aanhalingen worden aangebracht.
Artikel 101 (WAO)
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een door
Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld
Deze wettekst wordt u aangeboden door ArbeidsConsultancy. De wetsartikelen van de wetten worden aangepast aan de wetswijzigingen, zoals de overheid (de minister) dat in het Staatsblad laat publiceren. Een wet is derhalve in ontwikkeling. Een wetswijziging kan er toe leiden dat slechts een enkel lid (bepaling) van een artikel of
meerdere leden (bepalingen) van een wetsartikel worden aangepast, alsook dat meerdere artikelen (wetsartikelen) veranderen.
| Arbeidsrechter.nl |
Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten. |
 |
|
Auteursrecht voorbehouden 2009