|
|
| ||||||||||
5.2. Arbeidsomstandigheden
Inleiding en indelingIn de hoofdstukken 5.2.5 t/m 5.2.9 leest u dat de werkgever niet alleen staat, aangezien hij dient samen te werken met medewerkers (5.2.6.), arbodiensten en andere deskundigen (5.2.7.) en met bedrijfshulpverleners (5.2.8.). Daarnaast kan de Arbeidsinspectie toezicht houden, waarbij zij kan sturen en ingrijpen (5.2.5.). Hierbij is nog van belang dat individuele medewerkers (incl. thuiswerkers en uitzendkrachten) bepaalde rechten en plichten hebben (5.2.9.).
De lerende organisatie
Ter realisering van goede arbeidsomstandigheden is de werkgever gehouden om van zijn organisatie een lerende organisatie te maken. Dat wil zeggen dat de organisatie moet leren te leren, waarvoor iedere betrokkene binnen de organisatie medeverantwoordelijk is. De organisatie dient te leren van haar eigen fouten en van de kennis in de maatschappij, teneinde te zorgen voor het continue verbeteren van de arbeidsomstandigheden. Leren te leren brengt met zich mee dat de organisatie zich bewust is van de leercyclus die voortdurend en volledig doorlopen wordt. De leercyclus is; bezinnen, bedenken, beslissen en doen; en vervolgens weer; bezinnen, bedenken, beslissen en doen. Doordat het om een cyclus gaat is er geen eindpunt voor de organisatie, die daardoor in beweging blijft. In het "zo goed mogelijk" waarborgen van de arbeidsomstandigheden, zal de organisatie steeds een uitdaging vinden.
Bezinnen (evalueren), bedenken, beslissen en doen
Ter indeling van de eerste vier hoofdstukken zal er per hoofdstuk één van de elementen van de leercyclus centraal staan. De inhoud van de hoofdstukken wordt als volgt samengevat.
1. Bezinnen (evalueren) (5.2.1.)
De werkgever moet het arbobeleid evalueren. Alle risico's die bij de arbeid spelen worden in kaart gebracht met de risico-inventarisatie, waarna er wordt gekeken of het gevoerde arbobeleid in voldoende mate met deze risico's rekening houdt (5.2.1.).
2. Bedenken (5.2.2.)
Vervolgens worden er alternatieven voor het beleid bedacht, die tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden kunnen leiden. Het kan gaan om voorlichting, investering, organisatorische maatregelen, ziekteverzuimbeleid, arbeidsgezondheidskundig onderzoek etc. Van de alternatieven dient de werkgever de voor- en nadelen uit te werken, voordat hij komt tot een beslissing (5.2.2.).
3. Beslissen (5.2.3.)
Na het afwegen van de voor- en nadelen kiest de werkgever voor een bepaald beleid, dat hij vastlegt in het plan van aanpak. Dit kan hij of dat kunnen anderen nader invullen, bijvoorbeeld door te bepalen wie er wat voor maatregelen, waar en wanneer, op wat voor wijze gaat toepassen. Het streven naar zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden betekent voor de werkgever dat hij maatregelen moet nemen als werknemers dat in redelijkheid kunnen verlangen (5.2.3.).
4. Doen (5.2.4.)
Beslissingen worden gevolgd door het daadwerkelijk toepassen van het arbobeleid. Dit gebeurt doorgaans op een geplande wijze. Daarvoor krijgen de betrokken partijen taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden toebedeelt. De coördinatieproblemen die zich voor zullen doen moeten opgelost worden. Over de uitvoering dient de werkgever ieder jaar een rapportage te maken, waarover hij met de ondernemingsraad overlegt (5.2.4.).
De leercyclus
Het bezinnen, bedenken, beslissen en doen, wordt op beleidsniveau doorlopen, als ook op het niveau waar de concrete maatregelen worden genomen. Zo kan de organisatie leren van het beleid om bijvoorbeeld zieke medewerkers intensief te begeleiden, terwijl zij ook kan leren van de invulling van dit beleid. Bij dat laatste gaat het bijvoorbeeld om maatregelen als registratie, contact houden, medische bijstand, reïntegratieplannen etc.
Inhoudsopgave
|
|
| ||||||||||
| Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten. |
![]() |