|
|
| ||||||||||
5.1.2. De interne gang van zaken bij de ondernemingsraad
Interne organisatie5.1.2.1. Opstellen reglement
Een reglement bindt de (huidige) ondernemingsraad
De ondernemingsraad is gehouden bepaalde onderwerpen in een reglement te regelen (art 14 WOR). Door het opstellen van het reglement bindt de ondernemingsraad niet de ondernemer maar alleen zichzelf. De ondernemer geeft slechts zijn mening over het reglement voordat de ondernemingsraad zelfstandig het reglement vaststelt (art 8 WOR). Zowel de ondernemer als de bedrijfscommissie ontvangen een exemplaar van het reglement, wanneer deze wordt vastgesteld of gewijzigd (art 8-1 WOR). Heeft het reglement een inhoud die strijdig is met de wet op de ondernemingsraden, dan kan de ondernemer zich tegen het reglement verzetten door wijziging te vorderen (5.1.11.5.).
Bepalingen van het reglement die samenstelling van de volgende ondernemingsraad beïnvloeden
Ondanks bovenstaande is het reglement niet alleen beperkt tot de zittingsduur van de huidige ondernemingsraad, doordat bepaalde onderwerpen de volgende ondernemingsraad binden. Dat geldt bijvoorbeeld bij de wijziging van het aantal leden van de ondernemingsraad (art 6 WOR) en het met instemming van de ondernemer wijzigen van de duur van de zittingsperiode (art 12 WOR).
Inhoud van het reglement
Als uitgangspunt bij het vaststellen van een reglement kan het modelreglement dienen welke verkrijgbaar is bij de Sociaal Economische Raad.
De volgende onderwerpen moeten in het reglement geregeld worden
- Onderwerpen zoals genoemd in artikel 14 van de wet (art 14 WOR) over de werkwijze van de raad. Daar wordt als laatste punt het jaarverslag genoemd. Dit wordt bekend gemaakt aan de ondernemer, aan andere in de onderneming en bovendien verzonden naar de bedrijfscommissie en (op verzoek) de inspectiedienst (I-SZW).
- Artikel 14 lid 2 geeft in sub f en h een regeling die geldt voor de vergaderingen van de raad zelf, waarbij het dus niet gaat om de overlegvergaderingen met de ondernemer. Doordat de ondernemer een week voor de vergadering op de hoogte wordt gebracht van de agendapunten, weet hij wat de raad gaat bespreken (art 14 WOR).
- Regeling voor de kandidaatstelling; wanneer en hoe dient de werknemersvereniging hun lijsten in en wanneer en hoe kunnen vervolgens anderen een lijst indienen (art 10 WOR).
- Bepalingen over de inrichting van de verkiezingen; hoeveel stemmen kan een kiezer uitbrengen, op welke wijze kiest hij, wie regelt en controleert de verkiezingen, wat voor lijst(en) worden er gebruikt en hoe wordt er bepaald wie er gekozen is (art 10 WOR).
- De wijze waarop de plaatsvervanging van leden plaatsvindt, alsmede de wijze waarop vrijgevallen plaatsen worden opgevuld. Bij plaatsvervanging gaat het om het waarnemen van een plaats voor een lid dat afwezig is. Deze plaatsvervangers worden samen met het lid gekozen die zij vervangen. Voorgaande is slechts mogelijk, als de ondernemer hiermee instemt (art 6-1 WOR). Voor het opvullen van vrijgevallen plaatsen dient de ondernemingsraad een regeling te treffen, opdat de omvang van de raad gelijk blijft gedurende de zittingsduur (art 10 WOR).
- Regeling over hoe de raad informatie verstrekt aan commissies en hoe de geheimhouding van bepaalde gegevens gewaarborgd wordt.
De volgende onderwerpen moeten slechts dan in het reglement geregeld worden, als de raad daarvoor kiest:
- Afwijking van de normale zittingsperiode van drie jaar, die mogelijk op twee of vier jaar wordt gesteld voor de volgende zittingsperiode. Het is bovendien mogelijk dat de regeling inhoudt dat iedere twee jaar de helft van de ondernemingsraad aftreedt. Voor de plaatsen die openvallen vinden verkiezingen plaats.
- De wijze waarop deelverkiezingen plaatsvinden (5.1.1.3.) (art 9 lid 3 WOR).
5.1.2.2. Vaststellen uren (voor overige werkzaamheden)
Voor welke werkzaamheden worden er uren vastgesteld?
De ondernemer en ondernemingsraad bepalen het aantal uren dat de ondernemingsraadleden en de commissieleden per jaar krijgen voor overleg tussen elkaar en overleg met andere medewerkers en derden, als ook voor kennisneming van de arbeidsomstandigheden in de onderneming (art 18 WOR). Het gaat hier niet om vergaderingen van de ondernemingsraad of commissies zelf en ook niet om vergadering met de ondernemer. De ondernemingsraad of commissies bepalen zelf hoe vaak en hoelang zij die vergaderingen houden (binnen redelijke grenzen). Dit is niet altijd goed voorspelbaar. Verder dienen er uren vastgesteld te worden voor werkzaamheden, zoals het voorbereiden van voorstellen (voorbesprekingen), bestuderen van besluiten en andere vormen van het verwerken van informatie. Deze uren moeten eveneens doorbetaald worden, echter over hoeveel uren zal dit gaan? Gaat het hier om zo veel uren als nodig of slechts om een beperkte voorbereidingstijd?
Teneinde een gecompliceerde regeling te voorkomen kunnen er uren vastgesteld worden voor alle werkzaamheden naast de overlegvergaderingen om. Dit wordt hierna aangeduid als alle overige werkzaamheden. De regeling kan dusdanig zijn dat er ingeval van bijzondere omstandigheden er meer uren vrijkomen, bijvoorbeeld wanneer de ondernemer het voornemen heeft een ingrijpende reorganisatie door te voeren. Naast deze vastgestelde uren voor overige werkzaamheden kunnen dagen toegekend worden voor scholing en vorming (5.1.2.3.).
Vaststellen van de uren voor alle overige werkzaamheden
De ondernemingsraad stelt samen met de ondernemer de uren vast voor de ondernemingsraad zelf en de commissies. De vastgestelde uren kunnen per lid verschillen. Bijvoorbeeld wanneer dat lid een bepaalde functie vervult of wel of niet lid is van een commissie. Het uitgangspunt hierbij is datgene wat het lid redelijkerwijze nodig heeft voor de vervulling van zijn taak. Voor een ondernemingsraadlid van grote ondernemingen kan dit bijvoorbeeld 8 uur per week zijn plus 4 uur voor het lidmaatschap van een commissie. Stelt de ondernemer zich bij de vaststelling van uren niet redelijk op, dan kan dat leiden tot een procedure bij de kantonrechter (5.1.11.5.).
Over de vastgestelde uren krijgen de leden van de ondernemingsraad en commissie hun loon doorbetaald. Hoe de leden deze uren invullen is een vraag die zij zelf (of samen met de ondernemer) oplossen. Voorkomen moet worden dat medewerkers die in deeltijd werken, voor dezelfde hoeveelheid werk in de raad of commissie, minder betaald krijgen dan werknemers die fulltime werken. Door niet dezelfde vergoedingen te geven kan er een onrechtmatig onderscheid naar arbeidsduur ontstaan, welke doorgaans niet objectief gerechtvaardigd wordt (2.6.1.).
De uren die een medewerker toegekend krijgt voor OR-werkzaamheden, zijn uren waarover degene niet meer zijn normale werkzaamheden hoeft te vervullen. Naast de uren voor OR-werkzaamheden, gaat degene als het ware als parttimer in de onderneming werken. Voorgaande betekent bijvoorbeeld dat een medewerker met een contract voor 25 uur per week, die 15 uur voor OR-werkzaamheden krijgt toegekend, 10 uur parttime overhoudt voor zijn normale werkzaamheden. Voorheen kon degene van zijn werkgever geen contract voor bijvoorbeeld 30 uur per week verlangen, als hij zelf 15 uur parttime wil werken. Thans zal dit wel kunnen op grond van het recht tot aanpassing van de arbeidsduur (2.1.). Daarentegen kan een ondernemer (in beginsel) niet verlangen dat de medewerker bijvoorbeeld 30 uur per week gaat werken.
Ondernemers dienen er voor te waken dat het werk voor de medezeggenschap niet leidt tot benadeling, zodat parttime werk in beginsel niet tot consequentie heeft dat de medewerker op een lager niveau gaat werken (art 18 WOR). Dat laatste wordt anders als bepaalde functies of werkzaamheden redelijkerwijze niet parttime vervuld kunnen worden.
Raadplegen medewerkers in de onderneming
Een ondernemer is gehouden de raad en commissies in staat te stellen om deze medewerkers te raadplegen, terwijl de ondernemer deze medewerkers in de gelegenheid dient te stellen om hieraan mee te kunnen werken. Gaat het om het gericht vragen van advies aan bepaalde personen (interne deskundigen), dan zal dit gedurende de normale arbeidstijd gebeuren, waarbij de personen hun loon krijgen doorbetaald. Gaat het om het raadplegen van een grote groep medewerkers om "hun" mening te vernemen, dan kan het bezwaarlijk zijn om dit gedurende de normale arbeidstijd te doen. Vindt dit raadplegen niet gedurende de normale arbeidstijd plaats, dan is de werkgever in beginsel niet gehouden om deze tijd als arbeidstijd aan te merken en hoeft hij hierover geen loon te betalen aan de geraadpleegde medewerkers.
5.1.2.3. Scholing en training
De ondernemer en ondernemingsraad stellen samen het aantal dagen vast waarop de leden van de raad en leden van commissies scholing en vorming ontvangen. Het gaat minimaal om 3 dagen voor leden van een vaste of onderdeel commissie en om 5 dagen voor leden van de ondernemingsraad. Leden van de raad die tegelijk lid zijn van een vaste of onderdeel commissie krijgen dus minimaal 8 dagen scholing per jaar (art 18-3 WOR). Op commissies gaat hoofdstuk 5.1.3. nader in (5.1.3.1.). Het is de raad en commissie zelf die bepaalt hoe zij hun dagen voor scholing en vorming invullen (art 18 WOR).
Over dagen dat een medewerker met cursus is krijgt hij zijn loon doorbetaald alsof hij op die dag voor de in de onderneming gebruikelijke uren had gewerkt. Dat betekent dat iedere medewerker voor het volgen van dezelfde cursus hetzelfde aantal uren uitbetaald krijgt. De in hoofdstuk 5.1.2.3. behandelde regeling voor uren voor overige werkzaamheden, zal dusdanig zijn dat de dagen voor scholing hieronder niet zijn begrepen (5.1.2.2.).
De ondernemer die gehouden is een ondernemingsraad in te stellen betaalt aan de uitvoeringsinstelling een heffing dat via de Sociaal Economische Raad, uiteindelijk terechtkomt bij het Gemeenschappelijk Begeleidingsinstituut Ondernemingsraden (GBIO) (art 46a en 46b WOR). Deze door de Stichting van de Arbeid (STAR) opgerichte stichting, coördineert en stimuleert het werk van instellingen die zich bezighouden met het scholen en vormen van (commissie)leden van ondernemingsraden. Zij kan leden van ondernemingsraden voorzien van informatie over de mogelijkheden om gesubsidieerde scholing en vorming te ontvangen.
5.1.2.4. Kosten en ter beschikking stellen van voorzieningen
De onderneming draagt de kosten die de raad en commissies redelijkerwijze moeten maken bij de uitvoering van hun taak (art 22 WOR). De ondernemingsraad en commissies zullen in beginsel gebruik moeten maken van de voorzieningen die in de onderneming voor handen zijn. Is dit onvoldoende, dan mogen zij voorzieningen bij derden betrekken op kosten van de onderneming. In beide gevallen moet het gebruik redelijkerwijze nodig zijn ter vervulling van de taak van de raad (art 17 WOR).
Het is mogelijk dat de ondernemer en de ondernemingsraad een bepaald bedrag overeenkomen waarover de ondernemingsraad en commissies vrij kunnen beschikken bij het maken van bepaalde kosten (art 22-3 WOR). Een voordeel voor de ondernemer is dat hiermee de kosten in beginsel beperkt blijven. Het staat de ondernemer vrij om in te stemmen met het overschrijden van dit budget. Een nadeel is mogelijk dat er een neiging is om het bedrag op te maken, met het oog op het budget voor de komende jaren.
5.1.2.5. Voorzitter en secretariaat
De ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en plaatsvervangend voorzitter (art 7 WOR). De verkiezingen brengen dus niet reeds een voorzitter met zich mee. De plaatsvervanger van het lid dat voorzitter wordt, is niet tevens plaatsvervangend voorzitter. De gekozen voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter vertegenwoordigt de ondernemingsraad steeds wanneer de raad in rechte gaat optreden (5.1.11.5.).
In de grote ondernemingen is het gebruikelijk dat de ondernemer de ondernemingsraad een secretaris toevoegt, welke voor de raad werkzaam is en mogelijk aan andere medewerkers leiding geeft van het secretariaat. Over het toevoegen en intrekken van een secretaris dienen de raad en de ondernemer in overleg te treden. Centrale vraag daarbij is of de ondernemingsraad en commissies de secretaris redelijkerwijze nodig hebben voor de vervulling van hun taak (art 22-1 WOR).
De ondernemer is gehouden om ook aan de secretaris de nodige voorzieningen ter beschikking te stellen (art 17-1 WOR). Deze aan de raad toegevoegde secretaris maakt geen onderdeel uit van de ondernemingsraad, maar geniet wel een vergelijkbare bescherming tegen benadeling en ontslag als leden van de raad zelf (5.1.8.).
|
|
| ||||||||||
| Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten. |
![]() |