|
|
| ||||||||||
4.5.4. Diverse fiscale mogelijkheden
Mogelijkheden4.5.4.1. Bewust kiezen voor bepaalde vrijgestelde vergoedingen of verstrekkingen
De werkgever kan er voor kiezen om bepaalde vergoedingen of verstrekkingen te geven die niet belast worden. Sinds de belastingherziening van 2001 is het verschil tussen vergoedingen en verstrekkingen gering. Een vergoeding is loon dat is bedoeld voor bepaalde uitgaven en verstrekkingen zijn de uitgaven zelf. Bij verstrekkingen gaat het om loon in natura, wat arbeidsrechtelijk niet onbeperkt gegeven kan worden (4.1.10.). Om die vergoedingen of verstrekkingen belastingvrij te kunnen geven dient de werkgever doorgaans rekening te houden met het moment van uitbetaling of verstrekking en het bedrag dat daarmee is gemoeid.
Voorbeelden:
Vrijgestelde vergoeding ter dekking van de kosten van kinderopvang
Aan een medewerker die bij een erkende instelling zijn kinderen laat opvangen kan de werkgever een vergoeding geven. Neemt de werkgever zelf de kosten voor zijn rekening, dan is er sprake van loon in natura, wat gewaardeerd moet worden (4.5.3.1.B.). De hoogte van de vrijgestelde bedragen staat in de tabel kinderopvang. Deze tabel vermeldt de bedragen die belast zijn, oftewel tot aan welk bedrag er loonbelasting en premies ingehouden moeten worden. Het meerdere is dus vrijgesteld. De belaste bedragen nemen toe als het inkomen hoger wordt. Voor de opvang van het tweede kind kan er ook een vergoeding toegekend worden, waarbij lagere belaste bedragen gelden. Zie voor meer informatie hoofdstuk 6. over kinderopvang (7.).
Vrijgestelde vergoeding voor studiekosten
Onder de voorwaarde dat de studie dient om bij te blijven of om weggezakte kennis op te spitten is de vergoeding van deze beroepskosten vrijgesteld (6.3.7.1.).
Geschenken bij feestdagen
Vanaf 2003 geldt er geen vrijstelling meer voor geschenken (goederen of geld) die
een werkgever geeft voor feestdagen in geval van feestdagen (verjaardag, verloving, trouwen
, geboorte kind en bijvoorbeeld ook het kerstpakket) en een sinterklaas. Over deze
verstrekkingen moeten derhalve inhoudingen plaatsvinden, waarbij goederen (loon in natura)
gewaardeerd worden tegen de waarde in het economische verkeer. Gaat het om een verstrekking
van niet meer dan € 70,-, dan kan een werkgever volstaan met 20 % eindheffing
(4.5.6.). Bij verstrekkingen van niet meer dan €
136 per stuk of € 272.- per jaar, kan er eindheffing toegepast worden op
grond van het tabeltarief (4.5.6.).
Geschenken die niet zo zeer dienen voor dagelijks gebruik maar voornamelijk een ideële waarde hebben (die als herinnering dienen) zijn op zich vrijgesteld.
Vrijstelling bij een dienstjubileum
Gaat een werkgever aan een medewerker die 25 of 40 jaar in dienst een extra maandloon toekennen, dan is die jubileumuitkering vrijgesteld van belastingheffing. Deze uitkering kan dus zowel na 25 als 40 jaar belastingvrij toegekend worden. Het gaat dan maximaal om het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen maandloon, alleen nog verhoogd met de vakantietoeslag en een evenredig deel van beloningen waarvan de hoogte vast staat, zoals een dertiende maand. Vereist is wel dat de medewerker de volle 25 jaar in dienst is geweest. Toe van deze maximaal onbelaste vergoeding mag ook op een later tijdstip.
Vrijgestelde vergoeding voor zakelijk gebruik van de privé auto van de medewerker
Voor het gebruik van de auto van de medewerker voor zakelijke ritten mag de werkgever een belastingvrije vergoeding geven van maximaal €0,19 per gereden kilometer. Dit bedrag is all-in. Het is dus niet mogelijk om daarnaast nog bijvoorbeeld kosten van parkeren en wassen in rekening te brengen. Deze vergoeding kan de werkgever berekenen per uitbetaling of over het hele fiscale jaar. Blijkt na het jaar dat de werkgever meer heeft vergoed dan € 0,19 cent per gereden kilometer, dan wordt dit meerdere in de desbetreffende maand belast als een bijzondere beloning (4.5.3.1.C.).
Vrijgestelde reiskostenvergoeding
De vergoeding van reiskosten is tot een bepaald bedrag vrijgesteld van inhouding van loonbelasting. Doordat een medewerker een belastingvrije reiskostenvergoeding krijgt, dient een medewerker die per openbaar vervoer reist, bij zijn aangifte inkomstenbelasting geen of een lager reiskostenaftrek in acht te nemen (4.5.3.2.C.).
Winstuitkeringen vanaf 2003 belast
Winstuitkeringen zijn uitkeringen die afhankelijk zijn van de winst, waarbij het ook om de fiscale winst mag gaan. Tot 2003 hoefden er over dergelijke uitkering die belastingvrij uitgekeerd werden geen inhoudingen plaats te vinden, voor zover zij niet kwamen boven een bepaald bedrag (de werkgever betaalde vroeger een eindheffing). Tegenwoordig worden winstuitkeringen belast. Daarover moeten derhalve zowel premies loonbelasting en premies volks- en werknemersverzekering ingehouden te worden door de werkgever. Het is wel mogelijk de winstuitkeringen vast te leggen in een spaarloonregeling, voor zover het bedrag niet hoger wordt dan het maximum voor die spaarloonregeling (4.5.4.2.).
Bij de winstdeling moet de werkgever zijn medewerkers gelijk behandelen voor zover zij gelijk zijn. Zo kan een lagere beoordeling, een lager loon, een andere functie tot een lagere deel van de winst leiden. Vindt de toedeling van winst aan medewerkers rechtvaardig plaats, dan zal de ondernemingsraad hiermee instemmen. Deze instemming hoeft de werkgever niet altijd te vragen (5.1.6.). Instemming van de ondernemingsraad is niet voldoende, aangezien een medewerker zelf schriftelijk met de winstdelingsregeling dient in te stemmen.
4.5.4.2. Spaarloonregeling
Spaarloon is een spaarregeling die een werkgever heeft opgezet en vastgelegd in een reglement, waar medewerkers aan deel kunnen nemen. Het gaat om een regeling waarbij een deel van het loon op een fiscaal gunstige wijze wordt vastgelegd en later tot uitkering komt. De spaargelden worden bij een bank of verzekeringsmaatschappij ondergebracht, doorgaans op een geblokkeerde rekening op naam van de medewerker.
De spaarloonregeling mag alleen toegepast worden voor medewerkers die op 1 januari reeds in dienst zijn, oftewel geldt niet voor medewerkers die gedurende het jaar in dienst treden. Bovendien mag er slechts bij één werkgever deelgenomen worden aan een spaarloonregeling. Op deze wijze wordt voorkomen dat een medewerker bij verschillende werkgevers aan een spaarloonregeling deelneemt. Deze aanvullende voorwaarden gelden vanaf 2005.
De uitkering van het geld van de geblokkeerde rekening zal plaatsvinden door overmaking op een persoonlijke (spaar)rekening van de medewerker, mogelijk bij dezelfde bank. Voortijdige opname kan toegestaan zijn onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde doelen (aandelen, woning, levensverzekering of pensioen, start onderneming, verlof, scholing, kinderopvang etc. ). Deze bestedingsdoelen dienen in het reglement opgenomen te zijn, anders kan het geld daarvoor niet gebruikt worden. Ook als de arbeidsovereenkomst eindigt, mag de werknemer over het tot dan opgebouwde bedrag beschikken.
Bij spaarloon wordt op het brutoloon een bedrag in mindering gebracht dat wordt gespaard. Dit bedrag wordt voor minimaal vier jaar op een geblokkeerde rekening gezet waarover rente wordt genoten. Na deze periode van vier jaar wordt het ingelegde geld uitgekeerd, zonder dat hierop loonbelasting of premies volksverzekering ingehouden worden. Het gebruik van deze regeling wordt nog aantrekkelijker wanneer het vrijgekomen spaarloon wordt aangewend voor een lijfrenteverzekering.
Het maximale bedrag dat er gespaard kan worden is € 613,-- per jaar. De werkgever is over het bedrag dat jaarlijks wordt gespaard (het spaarloon) 25 % loonbelasting verschuldigd, wat een eindheffing is. Dit mag hij niet in mindering brengen op het brutoloon van medewerkers (4.5.6.). Wordt er per jaar meer gespaard, dan wordt er loonbelasting en premies volksverzekering ingehouden op datgene dat € 613,-- te boven gaat. De werkgever moet dan € 153,25 (25 % van € 613,--) als eindheffing betalen.
Voorgaande komt er op neer dat de werkgever van het brutoloon het spaarloon in mindering brengt (max. € 613,-- per jaar). Deze inhouding wordt gestort op een geblokkeerde rekening. Over dit spaarloon is daarom geen loonbelasting en premies volksverzekering verschuldigd. De werkgever dient echter wel 25 procent als eindheffing te betalen, in het jaar dat er loon wordt ingehouden voor de spaarloonregeling. Deze eindheffing is de werkgever evenwel niet verschuldigd, als de medewerkers geen geld maar aandelen sparen van de rechtspersoon waarvoor zij werken (hun werkgever).
Door deelname aan de spaarloonregeling wordt het loon voor de berekening van de loonbelasting en premies volksverzekering lager. Voor het loon waarover het pensioen (en VUT) wordt berekend geldt vaak (dus niet altijd) dat het gaat om het loon inclusief spaarloon. In die gevallen zal een latere pensioen- en VUT-uitkering eveneens van het normale loon (loon inclusief spaarloon) afhankelijk zijn.
De rente die de medewerker over het spaarloon ontvangt van de bank is extra vrijgesteld van inkomstenbelasting tot een bedrag van maximaal € 454,00 euro. Het gaat om een vrijstelling naast de € 454,00 euro die in beginsel voor alleenstaanden geldt en de € 908,00 euro die voor gehuwden of partners geldt.
In de inkomstenbelasting geldt een vrijstelling in box 3 van maximaal € 17.025 voor geblokkeerde spaartegoeden in het kader van een spaarloonregeling.
Instemming
De werkgever dient de spaarloonregeling aan medewerkers uit te leggen en de deelname schriftelijk vast te leggen. In het algemeen staat het een medewerker vrij om wel of niet deel te nemen aan de spaarloonregeling (7.). Hij kan er daarom ook voor kiezen om de vergoeding direct te ontvangen bij zijn brutoloon. Door echter deel te nemen in een spaarregeling kan hij fiscaal profiteren.
Als er een ondernemingsraad is ingesteld, dan dient de werkgever deze om instemming te vragen, aangezien de spaarregeling voor een groep medewerkers zal gaan gelden. Deze instemming hoeft niet gevraagd te worden, als de regeling is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst. Een cao kan ook een verplichte deelneming met zich meebrengen (5.1.6.).
Doen alle medewerkers die kunnen deelnemen ook daadwerkelijk mee, dan moet het gaan om minimaal 75 % van alle medewerkers met een arbeidsovereenkomst. De spaarloonregeling is niet bedoeld voor personen die als enige in de onderneming werken en die zelf of waarvan de partner of directe bloedverwanten een derde van de aandelen bezitten. Deze personen worden in het reglement uitgesloten.
Premiespaarregeling
Voor 2003 kon er ook gebruik gemaakt worden van de premie-spaarregeling, die evenwel thans is afgeschaft. Bij de premie-spaar-regeling werd er gespaard van het nettoloon (dus na inhouding loonbelasting en premies) en werd er bij het uitbetalen van de gespaarde gelden een onbelaste extra vergoeding door de werkgever gegeven. Van deze regeling werd in vergelijking met de spaarloonregeling weinig gebruik gemaakt.
De bedragen die voor 2002 volgens de premiespaarregeling zijn gespaard, kunnen nu (vanaf 1 januari 2003) belastingvrij opgenomen worden, inclusief de premies (extra vergoeding) die daarbij wordt geboden. Voor de in 2002 gespaarde bedragen geldt dat vanaf 1 januari 2004. Over die extra vergoeding betaalt de werkgever 25 % eindheffing (5.1.6.).
4.5.4.3. Afdrachtsverminderingen
In bepaalde omstandigheden hoeft de werkgever de ingehouden loonbelasting en premies volksverzekering niet volledig af te dragen.
Hij kan dan afdrachtsverminderingen toepassen, waardoor de ingehouden bedragen die niet afgedragen hoeven te worden, bij de opbrengsten van de onderneming komen. Het wordt daarmee aantrekkelijk voor de werkgever om bepaalde medewerkers in dienst te nemen. De medewerkers zelf profiteren doordat zij sneller worden aangenomen. De inhoudingen op hun loon worden evenwel niet lager.
Het bedrag aan afdrachtsverminderingen is niet hoger dan het totaal van de ingehouden loonbelasting en premies volksverzekering. De werkgever krijgt dus geen geld terug. Het is wel mogelijk dat een werkgever in een bepaald tijdvak veel uitgaven voor scholing, arbo-investeringen en kinderopvang heeft gedaan. Hij kan de afdrachtsverminderingen die daarbij horen doorschuiven naar volgende tijdvakken, wanneer er in het tijdvak te weinig loonheffing is ingehouden om deze afdrachtsverminderingen volledig te verrekenen. Voor andere afdrachtsverminderingen geldt dat niet.
Met de afdrachtsverminderingen tracht de overheid het personeelsbeleid van werkgevers te sturen, bijvoorbeeld door scholing, ouderschapsverlof, arbo-investeringen en kinderopvang fiscaal aantrekkelijk te maken. Het sturen van het personeelsbeleid doet de overheid ook door het hanteren van een laag BTW-tarief (6 % omzetbelasting) voor arbeidsintensieve diensten. Het gaat hier om een proef welke loopt tot 31 december 2002 en die geldt voor kappers, reparateurs van schoeisel en lederwaren (zoals tassen, handschoenen en portemonnees), reparateurs van fietsen of kleding. Aan de proef doen ook schilders, behangers en stukadoors mee, voor zover zij aan particuliere woning werken die meer dan 15 jaar geleden zijn gebouwd (Staatscourant nummer 55 van 17 maart 2000).
Hieronder geldt als uitgangspunt de jaarlijkse afdrachtsverminderingen van medewerkers die 36 (32) uur per week werken.
Dat betekent dat de jaarlijkse bedragen omgerekend moeten worden naar het tijdvak waarover het loon wordt betaald (bijvoorbeeld per maand), als ook naar evenredigheid verminderd moeten worden, wanneer de medewerker over minder dan 36 (32) uur loon ontvangt. In beginsel wordt bij het omrekenen naar een evenredig deel de overeengekomen deeltijduren gebruikt. Is vooraf duidelijk dat een medewerker meer dan overeengekomen gaat werken, dan kan de uren die hij heeft gewerkt gebruikt worden voor het berekenen van het evenredig deel. Dit geldt ook voor medewerkers die een flexibel aantal uren werken.
Bepaalde medewerkers krijgen niet per tijdseenheid betaalt, maar naar resultaat. Het omrekenen naar uren is dan niet mogelijk, waardoor er aansluiting wordt gezocht bij het loon dat de medewerker ontvangt voor zijn prestatie. Verdient hij (per betalingstijdvak) minder dan het minimum(jeugd)loon, dan wordt het deel dat hij minder verdiend uitgedrukt in een percentage, welke wordt afgetrokken van de afdrachtsvermindering.
Vaak geldt de voorwaarde dat het loon van de medewerker niet boven een bepaald bedrag mag komen (€ 1483,84).
Het is natuurlijk van belang te weten om welk "loon" het gaat. Dat is het loon verminderd met incidentele beloningen (dertiende maand, eindejaarsuitkering, tantièmes, gratificaties, vakantietoeslag, etc. ). Een vergoeding voor overwerk blijft eveneens buiten beschouwing. Onregelmatigheidstoeslagen tellen wel mee. Het loon dient per betalingstijdvak niet hoger te zijn dan het maximum dat in dat tijdvak geldt. De jaarlijkse maxima worden naar evenredigheid toegerekend.
Aannemen van langdurig werklozen (vervallen)
Deze mogelijkheid is reeds meerdere jaren vervallenDe afdrachtsvermindering langdurig werklozen is komen te vervallen en geldt derhalve niet meer vanaf 1 januari 2003. Medewerkers waarvoor reeds een afdrachtsvermindering wordt verkregen behouden deze tot vier jaar na de aanvang van hun arbeidsovereenkomst. Het gaat om een vermindering van de afdracht van € 2352,-- op jaarbasis (€ 196,- per maand), over een periode van 4 jaar, als de werkgever een langdurig werkloze in dienst neemt. Dit bedrag is lager, wanneer het aantal uren per week ook lager is, waarbij het minimum 15 uur per week is en omrekening van het bedrag plaatsvindt met de grondslag van 36 uur. Het loon dat de medewerker voor zijn arbeid ontvangt mag niet hoger zijn dan € 1668,92 euro per maand. Voor medewerkers van 50 jaar of ouder geldt dat het loon niet hoger mag zijn dan € 1917,92 euro per maand.
Een langdurig werkloze is een medewerker die langer dan een jaar, als werkloze staat ingeschreven bij het UWV Werkbedrijf. Voor medewerkers van 50 jaar en ouder geldt deze eis niet. Zes maanden is voldoende binnen de gemeenten Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Heerlen, Nijmegen, Utrecht en voor de provincies Drenthe, Friesland en Groningen. Om de langdurige werkloosheid aan te tonen diende de werkgever een "verklaring langdurige werklozen" aan te vragen bij het UWV. Deze verklaring wordt niet meer afgegeven als deze na 1 januari 2003 is aangevraagd. Draagt de werkgever zijn onderneming over aan een ander (2.8.), dan geeft hij het origineel van deze verklaring aan de werknemer en bewaart hij zelf een kopie. De overnemer van de onderneming ontvangt de verklaring van de werknemer en heeft daarmee recht op voortzetting van deze afdrachtsvermindering over de resterende periode (ook al komt er in feite geen werkloze bij hem in dienst). De afdrachtsvermindering voor 4 jaar geldt ook voor medewerkers die werkloos en ouder dan 57.5 jaar zijn. Het geldt eveneens voor medewerkers die gesubsidieerde arbeid verrichten (1.10.).
Aannemen van laag betaalde medewerkers (vervallen)
Deze mogelijkheid is per 1 januari 2006 vervallenVan een laag betaalde medewerker is sprake, indien hij minder dan € 17806,08 per jaar ontvangt. Is de medewerker 23 jaar of ouder dan komt de werkgever in aanmerking voor een afdrachtsvermindering lage lonen (SPAK). Vanaf 2003 geldt de afdrachtsvermindering lage lonen niet meer voor medewerkers die jonger dan 23 zijn. Het gaat bij deze afdrachtsvermindering om een vermindering van maximaal € 1093,- per jaar (€ 91,09 per maand), wanneer de medewerker in dat jaar minimaal 36 uur per week werkt. Dit bedrag is naar evenredigheid lager als de medewerker over minder uren werkt. Het is toegestaan om deze afdrachtsvermindering per medewerker te combineren met de afdrachtsvermindering voor reeds aangenomen langdurig werkloze medewerkers, zoals hierboven wordt behandeld.
Het recht op deze afdrachtsvermindering vervalt, zodra het inkomen van de medewerker tot boven de genoemde bedragen groeit. Er geldt per 1 januari 2001 geen overgangsregeling meer, welke voor die tijd als doorstroomvermindering werd toegepast.
Afdrachtsvermindering voor medewerkers die naast arbeid, onderwijs volgen
In beginsel gaat het om medewerkers die een HBO-opleiding volgen met de combinatie leren-werken (maximale afdracht van € 2500,-- euro per jaar), dan wel om medewerkers die beroepspraktijkvorming (7.) krijgen (maximale afdracht van € 1500,-- euro per jaar). De afdrachtsvermindering is € 1500,-- euro per jaar, als de medewerker 36 uur per week werkt (naast de beroepsopleiding). Werkt de medewerker minder uren, dan gaat het om een evenredig deel van € 1500,-- euro. De duur waarvoor deze vermindering geldt is in beginsel 24 maanden. Verder geldt de voorwaarden dat de medewerker nog geen 25 jaar is geworden en hij niet meer ontvangt dan 130 % van het voor hem geldende minimumloon (€ 1740,17 per maand).
Deze vermindering van het afdragen van belasting kan per medewerker gecombineerd worden met de afdrachtsvermindering lage lonen, echter alleen tot maximaal € 3480,- euro per jaar en € 290,-- per maand. Deze combinatie is alleen mogelijk voor medewerkers die op of na 1 januari 2000 onder de afdrachtsvermindering onderwijs vallen. Een combinatie met de afdrachtsvermindering langdurig werklozen behoort niet tot de mogelijkheden.
Een werkgever mag de afdrachtsvermindering ook toepassen als hij langdurig-werkloze-medewerkers in dienst neemt en degene een opleiding geeft om aan het vereiste opleidingsniveau te komen. Deze opleiding wordt gevolgd bij een onderwijsinstelling (met een door de ministerie van OCW afgegeven licentie) die na het afronden van die opleiding daarover een verklaring verstrekt aan de werkgever.
De afdrachtsvermindering geldt ook voor bepaalde wetenschappelijke instituten en universiteiten, waarbij een termijn van 48 maanden geldt. In dat geval wordt de grens van 130 % van het minimumloon niet gesteld.
Inzetten van onderzoekers
De wet vermindering afdracht speur- en ontwikkelingswerk brengt een afdrachtsvermindering met zich mee welke het inzetten van onderzoekers bij bedrijven stimuleert. Innovatie is vaak een sterk wapen om de concurrentie aan te gaan, hoewel het doorgaans kostbaar is om tot innovatie te komen. Het dient te gaan om werkgevers die (zelf) in Nederland onderzoekers tewerkstellen, die zich volledig richten op technisch wetenschappelijk onderzoek of "innovatief" onderzoek voor producten, software of productieprocessen. Ook het uitvoeren van technisch-wetenschappelijk onderzoek naar technische haalbaarheid of op de technische mogelijkheden van speur- en ontwikkelingswerk komen in aanmerking. De vermindering komt neer op 42 % (startende werkgever 60 %) van het loon van deze medewerkers tot aan € 110.000,-- euro en 14 % over het meerdere (maximaal 8.000.000,-- per organisatie). Om van deze vermindering gebruik te kunnen maken dient de werkgever contact op te nemen met SenterNovem (voorheen Senter), welke naast brochures uiteindelijk een S&O-verklaring kan afgeven (telefoonnummer 070-3610313). SenterNovem behoort tot het ministerie van Economische zaken en is bijvoorbeeld ook belast met het afgeven van subsidies voor samenwerkingsverbanden (bedrijfsleven-onderwijs), gericht op het ontwikkelen of implementeren van innovatieve leermiddelen en leermethoden.
Conform een uitspraak van het Europese Hof, komen ook speur- en ontwikkelingswerk (S&O) die plaatsvinden in andele lidstaten van de Europese Unie voor deze afdrachtsvermindering in aanmerkingen. Het is evenwel niet mogelijk om terug te komen op afrekeningsaangiften van voor de datum van deze uitspraak (10 maart 2005).
Betalen van de kosten van kinderopvang voor medewerkers
De afdrachtsvermindering kinderopvang is komen te vervallen en geldt derhalve niet meer vanaf 1 januari 2005. Deze afdrachtsvermindering is komen te vervallen door de invoering van de Wet kinderopvang. Een werkgever die bijdraagt in een fonds voor kinderopvang, medewerkers een onkostenvergoeding voor kinderopvang geeft of zelf deze kosten voor zijn rekening neemt, kan 50 % (30 %) van deze kosten in mindering brengen op de loonbelasting en premies volksverzekering die hij moet afdragen. Meer informatie in hoofdstuk 7 (7.).
Doorbetalen loon als de medewerker ouderschapsverlof neemt (vervallen)
Betaalt een werkgever over de verlofuren van een medewerker het loon door, dan komt de werkgever in aanmerking voor de afdrachtsvermindering ouderschapsverlof (2.4.5.).
Als gevolg van de invoering van de levensloopregeling (2.4.8.) en de ouderschapsverlofkorting is op 1 januari 2006 de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof afgeschaft. De werknemer houdt wel tot 31 december 2006 recht op de afdrachtvermindering voor loon dat wordt doorbetaald op grond van een regeling die al op 31 december 2005 bestaat.
Arbo-investeringen binnen de non-profitsector
De afdrachtsvermindering arbo non-profit is komen te vervallen en geldt derhalve niet meer vanaf 1 januari 2005. De regeling voor het vervreemden van arbo-bedrijfsmiddelen (desinvesteren) blijft nog wel bestaan. U moet de afdrachtvermindering terugbetalen als u de arbo-bedrijfsmiddelen vervreemdt binnen 36 maanden na aanvang van het kalenderjaar waarin u de afdrachtvermindering heeft ontvangen. Bepaalde investeringen door werkgevers in de non-profitsector worden fiscaal gestimuleerd door afdrachtsverminderingen, als die investeringen behoren tot de lijst van aanschaffingen of verbeteringen die de belastingdienst publiceert (5.2.2.2.).
Afdrachtsvermindering scholingskosten voor non-profitorganisaties
Non-profitorganisaties die niet onder de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting vallen kunnen een percentage van hun scholingskosten in mindering brengen op hun afdracht van loonheffing (6.3.7.1.).
4.5.4.4. Vrijstelling marginale seizoenarbeid
Voor arbeid welke niet langer duurt dan 6 weken hoeven geen premies werknemersverzekeringen ingehouden en afgedragen te worden, als het gaat om seizoenarbeid door uitkeringsgerechtigden of om werk in de agrarische sector.
Marginale arbeid door uitkeringsgerechtigden
Een werkgever die voor niet langer dan 6 weken (per jaar) een arbeidsovereenkomst aangaat met een uitkeringsgerechtigde, hoeft geen premies werknemersverzekering in te houden en af te dragen. Daarvoor geldt wel dat de medewerker die dit seizoenwerk verricht, daarvoor werkloos was en slechts inkomsten kreeg in de vorm van een uitkering (WAZ, Wajong, WAO, WW, ABW, IOAW of IOAZ). Bovendien geldt dat de medewerker in het jaar niet eerder bij dezelfde werkgever heeft gewerkt, als ook dat hij niet bij een andere werkgever heeft gewerkt die reeds premievrijstelling kreeg.
De vrijstelling geldt niet als een medewerker na het begin van zijn werkzaamheden bij de werkgever, na zes weken nog steeds voor die werkgever werkt. Dat betekent dat een medewerker die bijvoorbeeld eerst 3 weken heeft gewerkt, vervolgens twee weken niet werkt, daarna nog maar één week mag werken zonder dat de vrijstelling vervalt. Wil de werkgever de medewerker langer in dienst houden, dan dient hij de premies af te dragen over de gehele periode. Dat hoeft niet als de medewerker na een vrijgestelde periode, vervolgens 3 maanden niet heeft gewerkt en daarna weer in dienst treedt. De eerste vrijstelling blijft dan gehandhaafd, terwijl de medewerker vervolgens na die onderbreking van 3 maanden weer gaat werken, evenwel nu zonder vrijstelling.
Marginale arbeid in de agrarische sector
Onder bepaalde voorwaarden is er geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd voor seizoenarbeid binnen de agrarische sector. De werkgever dient dan een arbeidsovereenkomst of overeenkomsten aan te gaan voor niet meer dan in totaal 8 weken per jaar per medewerker.
Premievrij werken kan door een arbeidsovereenkomst aan te gaan met:
- scholieren en studenten, die een volledige dagopleiding volgen op 1 januari van het jaar waarin zij seizoenwerk gaan doen
- huisvrouwen / huismannen, als degene geen uitkering heeft en slechts gelegenheidswerk doet doordat degene in de laatste 31 dagen niet heeft gewerkt in de agrarische sector.
- vreemdelingen die alleen voor korte duur arbeid mogen verrichten (1.7.).
- zelfstandige boeren die ingeleend worden.
De medewerker mag niet reeds eerder in het jaar voor een andere werkgever gewerkt hebben die vrijstelling kreeg. Voor nadere informatie over in welke piekperiodes bepaalde groepen medewerkers premievrij ingeschakeld kunnen worden, wordt verwezen naar de uitvoeringsinstelling.
|
|
| ||||||||||
| Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten. |
![]() |