Arbeidsrechter.nl  
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist

4.5.1. Berekenen van de inhoudingen en toelichting

4.5. 4.5.2. Inhoud 4.5.
Berekening en toelichting
De berekening zoals uitgewerkt in hoofdstuk 4.5.1.1.
(4.5.1.1.) wordt toegelicht in de volgende hoofdstukken:
- Inhouden werknemersverzekering (4.5.1.2.)
- Inhouden premie Zorgverzekeringswet (4.5.1.3.)
- Van overhevelingstoeslag naar brutering (4.5.1.4.)
- De (loon)heffingskorting (4.5.1.5.)
- De verminderingsbeschikking (4.5.1.6.)
- Inhouden loonbelasting en premies volksverzekering (4.5.1.7.)

4.5.1.1. Berekenen van inhoudingen

Wat behoort er tot het loon?

Bij het berekenen van de inhoudingen op het loon moet er als eerste duidelijkheid verkregen worden over de vraag wat er wel en wat er niet tot het loon behoort (4.5.3.). Datgene wat er tot het loon behoord, is het uitgangspunt voor de volgende twee berekeningen.

Berekening loonbelasting en premies volksverzekering (4.5.1.7.)

Deze berekening vindt plaats over de termijn waarover het loon wordt verstrekt, dus bijvoorbeeld over het loon over een week, maand of jaar. Hieronder worden de bedragen op jaarbasis genoemd die zo nodig omgerekend moeten worden naar een kortere tijdvak.

Loon € ..............

Werknemersdeel premies WW € ........................

€ ..............
========= -

Loon voor berekening bijdrage zorgverzekeringswet

€ ..............
Werkgeversbijdrage zorgverzekeringswet,
zijnde een verhoging van 7.05 % (2010) (4.5.1.3.) =
€ ..............
========= +

Grondslag voor berekening loonheffing

€ ..............

Er zijn nu twee mogelijkheden afhankelijk van het wel of niet toepassen van de loonbelastingtabel:
A. berekening met tabellen.
B. berekening zonder tabellen.

A. Berekening met tabellen:

Het Tussenloon wordt opgezocht in de loonbelastingtabel.

Bij een tussenloon van € ..................... is de loonheffing: € .......................

In de tabellen is de loonheffingskorting verwerkt (4.5.1.5.).

B. Berekening zonder tabellen:

Het tussenloon is de belastbare som waarover de inhoudingen plaatsvinden

Tussenloon = belastbare som van: € ........................

Toepassen percentages op belastbare som

Indien de belastbare som lager is dan € 18.218 (2010)

  Loonheffing = Belastbare som ....... x 33.45 % (2010) =

€ ..............
  Heffingskorting (4.5.1.5.)    € ..............
========= -

Inhouding      

€ ..............

Indien belastbare som hoger is dan € 18.218,- maar lager dan € 32.738,-:

  18.218,- x 33.45 % € 6093,92
  Belastbare som:
  ............ - € 18.218,- = ........... x 41.95 % =
€ ..............
========= +
  Heffingskorting (4.5.1.5.)    € ..............
========= -

Inhouding      

€ ..............

Indien belastbare som hoger is dan € 32.738,- maar lager dan € 54.367,--

  € 18.218,- x 33.45 % = € 6093,92
#
  (€ 32.738,- min € 18.218,-) x 41.95 % =€ 6091,14
========= +
  Loonheffing over € 32.738,- = € 12.185,06
  Belastbare som:
  ....... - € 54.367,- = ... ... x 42 %
€ ..............
========= +
  Heffingskorting (4.5.1.5.)    € ..............
========= -

Inhouding      

€ ..............

Indien de belastbare som hoger is dan € 54.367,-

   € 18.218,- x 33.45 % = € 6093.92
  (€ 32.738,- min € 18.218,-) x 41.95 % = € 6091,14
  (€ 54.367,- min € 32.738,-) x 42 % € 9084,18
========= +
  Loonheffing over € 54.367,- = € 21.269,24
  Belastbare som:
  ........ - € 54.367,- = ... ... x 52 % =
€ ..............
========= +
  Heffingskorting (4.5.1.5.)    € ..............
========= -

Inhouding      

€ ..............

 

4.5.1.2. Inhouden premies voor werknemersverzekeringen

De werknemersverzekeringen worden enerzijds uitgevoerd door de UWV, dat is de Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Het gaat om de Ziektewet, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet. Voor 2002 ging het om verschillende uitvoeringsinstellingen, namelijk GAK Nederland, Gemeenschappelijk Uitvoeringsorgaan (GUO), Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB UOSV), Cadans en de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (ABP-USZO). Deze uitvoeringsinstellingen werkten tot 2002 onder het toezicht van het Lisv (Landelijk instituut sociale verzekeringen), welke min of meer de rol van de bedrijfsverenigingen heeft overgenomen.

De werkgevers houden de premies voor de werknemersverzekeringen in op het brutoloon en dragen deze middels een gecombineerde loonaangifte af aan de belastingdienst. deze verplichting geldt niet in de uitzonderingssituatie waarbij de medewerker niet verplicht verzekerd is. Premie voor de Ziektewet worden doorgaans niet apart betaald, doordat deze premie is opgenomen in de premies voor de WW.

Naast voorgaande verplichte verzekeringen kan de werkgever aanvullende verzekeringen afsluiten ter dekking van de gevolgen van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid van medewerkers. Hierbij kan het om een vorm van pensioen gaan (4.3.). Voor deze aanvullende regeling wordt vaak zowel een werkgeversdeel als een werknemersdeel aan premie ingehouden en vervolgens afgedragen aan een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij. Het werknemersdeel wordt afgetrokken van het loon voor de berekening van de in te houden loonbelasting en premies volks- en werknemersverzekering, terwijl het werkgeversdeel niet bij dit loon wordt opgeteld.

Volgens de werkloosheidswet moet de werkgever zowel een werkgevers- als een werknemersgedeelte inhouden, waarbij de werkgever ook een wachtgeldpremie betaalt. De wachtgeldpremies komen ten goede aan het wachtgeldfonds per sector, welke premies dienen ter dekking van de eerste zes maanden van de werkloosheid. Dit deel wordt ook wel "eigenrisico" genoemd.

Voor de WIA geldt dat alleen de werkgever de WIA-premie afdraag. Vanaf 2007 wordt dat een premie WGA. Bij de WIA-premie gaat het om een basispremie, waarboven doorgaans een gedifferentieerde premie komt. Bij de basispremie gaat het in beginsel om 5.7 % (in 2010), waarop in bepaalde gevallen een korting wordt toegepast (1.10.4.). De hoogte van de gedifferentieerde premie is afhankelijk van de grote van het bedrijf. Werkgevers krijgen een beschikking van de belastingsdienst waarin het percentage wordt opgenomen. (2.2.5.1.B.).

Berekeningsvoorschriften

De belastingdienst voert de heffing en inning van de premies werknemersverzekeringen uit volgens de regeling Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). De premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage van de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden berekend volgens de methode van voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR)

Er kan gekozen worden voor twee berekeningsmethodes, namelijk de grondslagaanwasmethode en de de cumulatieve premiemethode. In beide gevallen wordt niet het loon over een maand voor de berekening tot uitgangspunt genomen, maar meerdere achterliggende maanden. Het is niet mogelijk om gedurende het jaar van rekenmethode te verwisselen. Aan het begin van ieder kalenderjaar kan voor een bepaalde rekenmethode gekozen worden.

Genoemde rekenmethodes gelden alleen voor de premies werknemersverzekering en derhalve niet voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen.

Korting WIA-premie van oudere medewerkers
De werkgever heeft recht op vrijstelling van de basispremie WAO/WIA voor de volgende oudere werknemers:
- werknemers die 50 jaar of ouder zijn op het moment dat zij bij de werkgever in dienst treden;
- werknemers die op 1 januari 2008 bij de werkgever in dienst zijn en 54.5 jaar of ouder zijn.

Met ingang van 1 januari 2009 wordt de premievrijstelling voor oudere werknemers vervangen door de premiekorting voor oudere werknemers. Het is vanaf 1 januari 2006 de Belastingdienst die zorgt voor het innen van de premies sociale verzekeringen.

Berekening WW-premie

De verschuldigde WW-premie wordt vastgesteld door twee berekeningen. In eerste instantie gaat het om een premie van 4.20 % (2010) voor het Algemeen Werkloosheidsfonds, waarvan 0.00 % als werknemersdeel en 4.20 % als deel voor de werkgever (2010). Bij deze berekening moet rekening gehouden worden met een premievrij gedeelte (franchise) van € 63,00 (2009). Dat wil zeggen dat er over het dagloon, dat niet hoger is dan het maximum premiedagloon van maximaal € 187,77 (juli 2010) een bedrag in mindering komt: dagloon ..... - € 63,00 = ..... x de premie. De tweede berekening betreft de premie ten gunste van de wachtgeldfondsen. De hoogte van deze tweede premie verschilt per sector, bijvoorbeeld een grootwinkelbedrijf en of een schildersbedrijf. Bij de berekening van deze wachtgeldpremie wordt geen franchise in mindering gebracht.

4.5.1.3. Ziekte kosten (Zorgverzekeringswet)

Ter dekking van de kosten van (medische) zorg zijn verzekeringen nodig. Het zorgstelsel is vanaf 2006 dusdanig aangepast dat iedereen verplicht een zorgverzekering moet afsluiten bij een zorgverzekeraar; het basispakket. Daarmee is het verschil tussen ziekenfonds- en particuliere verzekerden verdwenen. Alleen militairen en gemoedsbezwaarden zijn uitgezonderd. Een ieder betaalt premie voor het basispakket, zijnde nominale premie en degene met een inkomen betalen daarnaast een inkomensafhankelijke bijdrage betalen. De heffing en inning van deze bijdrage gebeurt door de Belastingdienst.

Het basispakket

De verplichte verzekering ziet op een pakket aan zorgkosten waarmee de meest voorkomende vormen van zorg worden gedekt. Het basispakket is wettelijk vastgelegd en geldt voor iedereen. Het kan worden afgesloten bij een zorgverzekeraar naar keuze, waarvoor premie wordt betaald. Eventueel kan worden gekozen voor een polis waarin bepaalde (om ethische of levensbeschouwelijke redenen) controversiële vormen van zorg buiten dekking vallen. Hier gaat het dan over een pro-life polis. Eenmaal per jaar kan er van zorgverzekeraar gewisseld worden. Dit moet wel voor 1 januari geregeld worden.

Per 1 januari 2010 zit in het basispakket:
- Geneeskundige zorg, waaronder zorg verleend door huisartsen, ziekenhuizen, medisch specialisten en verloskundigen;;
- Geneesmiddelen;
- ivf (reageerbuisbevruchtingen) tot drie behandelingen;
- Kraamzorg;
- Medische hulpmiddelen;
- Paramedische zorg: beperkt fysiotherapie/oefentherapie, logopedie, ergotherapie, dieetadvisering;
- Tandheelkundige zorg tot 22 jaar;
- Specialistische tandheelkunde en het kunstgebit;
- Ziekenhuisverblijf;
- Ziekenvervoer per ambulance en zittend vervoer.

Soort polis

De zorgverzekeraar kan het basispakket in meerdere vormen (polissen) en verschillende voorwaarden aanbieden. Dit zal per zorgverzekeraar verschillen. Er kan gekozen worden tussen twee hoofdvormen of een mix daarvan.

De Naturapolis: Een zorgverzekeraar sluit voor zijn verzekerden voldoende contracten met zorgaanbieders (zoals ziekenhuizen) om de verzekerde zorg te leveren. De zorgverzekeraar betaalt de rekening rechtstreeks aan de zorgaanbieder. Er kan bij alle zorgaanbieders waarmee de zorgverzekeraar voor deze polisvorm een contract heeft gesloten,zorg worden genoten. Word er toch zorg genoten bij een zorgaanbieder waar de zorgverzekeraar geen contract mee heeft gesloten, dan worden mogelijk niet alle kosten vergoed.

De Restitutiepolis: Hierbij kan er vrij gekozen worden voor een zorgaanbieder, maar moet in principe de rekening van de zorgaanbieder eerst betaald worden voordat de kosten door de zorgverzekeraar vergoed wordt. De polis moet de genoten zorg uiteraard wel dekken. De zorgverzekeraar en de zorgaanbieder kunnen wel afspreken dat de zorgverzekeraar de rekening betaalt.

Van de bovengenoemde polissen is het mogelijk om een mix te maken welke door de zorg-verzekeraar naar eigen invulling wordt aangeboden. Deze mix wordt een combinatiepolis genoemd.

Eigen risico

Afhankelijk van het aanbod van de zorgverzekeraar moet er minimaal gekozen worden voor een eigen risico van €165,- (2010) dit kan verhoogd worden met 100, 200, 300, 400 tot maximaal 500 euro. Met een eigen risico moeten de eerste 165 (2010) tot 500 euro van de zorgkosten door de verzekeringsnemer betaald worden. Daar staat tegenover dat er minder premie betaalt hoeft te worden.

Nominale premie

Iedereen van 18 jaar en ouder moet een nominale premie aan de zorg­verzekeraar betalen. De premie verschilt per verzekeraar en per verzekering.Dit komt omdat de voorwaarden per zorgverzekeraar en per polis verschillen. De gemiddelde premie voor het wettelijk verzekerde pakket bedraagt ongeveer € 1.100 euro per jaar. Deze €1.100 euro is inclusief een no-claim van € 255 euro. Als er geen zorgkosten gemaakt worden in een jaar, wordt er € 255 euro geretourneerd door de zorg-verzekeraar. Als er minder dan € 255 euro kosten maakt, wordt het verschil geretourneerd.

De verplichte zorgverzekering brengt kosten met zich mee, die voor medewerkers met een laag inkomen te hoog kunnen zijn. Daartoe kunnen zij voor een zorgtoeslag in aanmerking komen. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van het inkomen van degene zelf, maar ook het inkomen van de partner. Een alleenstaande met een toetsingsinkomen tot € 25.068 bruto heeft maximaal recht op ongeveer € 400 zorgtoeslag per jaar. Samenwonenden met een gezamenlijk toetsingsinkomen tot € 40.120 per jaar, hebben maximaal recht op € 1.155 zorgtoeslag per jaar. Boven genoemde bedragen bestaat er geen aanspraak op een toeslag.

Tot 18 jaar zijn kinderen verplicht verzekerd, zonder dat er premie voor de zorgverzekering betaald word.

Inkomensafhankelijke bijdrage

Iedereen is verplicht over zijn inkomen een bijdrage van 7,05 % (2010) te betalen. (In 2009 was dit 6,9 %.) Daarbij geldt een maximum waarboven geen percentage van 7,05 % is verschuldigd, namelijk een maximum bijdrage-inkomen van € 33.189,- (2010) (2009: € 32.369,-). De maximale bijdrage is derhalve € 2.339,82- in 2010. Wettelijk is bepaald dat deze bijdrage moet worden ingehouden door de werkgever of uitkeringsinstantie, maar ook dat dezelfde werkgever of instantie deze bijdrage veelal moet vergoeden aan zijn werknemer of uitkeringsgerechtigde. De bijdrage wordt, samen met de andere inhoudingen aan de Belastingdienst afgedragen.

Voor bepaalde groepen verzekeringsplichtigen geldt, voor de inkomensafhankelijke bijdrage, een verlaagd tarief van 4.95 % (2010). Het maximum bijdrage-inkomen is € 33.189,- (2010) (2009: € 32.369,-). De maximale bijdrage bedraagt € 1.642,- in 2010. Het verlaagde tarief geldt voor een aanvullend pensioen, de meeste uitkeringen voor vervroegd uittreden, inkomsten van zelfstandigen, inkomsten van freelancers, alfahulpen, alimentatie die op of na 1 januari 2006 is ingegaan, bijstand voor mensen vanaf 65 jaar en directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) die niet verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.

Voor alimentatie is de inkomensafhankelijke bijdrage op 0% gesteld. Voor dit nultarief dient de alimentatie rechtstreeks van de ex-partner te worden ontvangen. Dit geldt alleen als u de alimentatie al ontving op 1 januari 2006. De maatregel is bedoeld als overgangsmaatregel voor een periode van 11 jaar. Ook voor de onderhoudsbijdrage voor uw kind geldt het nultarief. Deze bijdrage is geen belastbaar inkomen. Ten slotte geldt het nultarief ook voor uw inkomen als zeevarende.

Werkgever vergoedt bijdrage

Een werkgever is gehouden een bijdrage van 7,05 % (2010) te betalen, over maximaal € 33.189,-. Daartoe wordt eerst het brutoloon van een medewerker verhoogd met 7,05 %. Daarover zijn dan de inhoudingen verschuldigd (4.5.1.1.). Op het loon plus de verhoging houdt de werkgever 7,05 % in (over maximaal € 33.189,-), welk bedrag afgedragen wordt aan de belastingdienst.

De beschikkingen van de belastingdienst aangaande de inkomensafhankelijke bijdrage zijn aan de werkgever gericht, hoewel de werknemer wel een afschrift ontvangt. Bij een teruggaaf aan de werkgever wordt dit als negatief loon aangemerkt. Het negatief aanmerken van het loon is nodig, daar op het loon van de werknemer te veel bijdrage is ingehouden. De teruggaaf betekent dat er een te hoge verhoging en inhouding heeft plaatsgevonden, waardoor tegenover de teruggaaf staat dat de werkgever minder verhoging was verschuldigd. Deze teruggaaf komt daarmee niet bij de werknemer terecht, maar komt wel op de loonstrook als negatief loon te staan. Als er een teruggave is dan gaat deze rechtstreeks naar de werkgever. Voor de medewerker is het dan niet meer dan een administratieve verwerking.

Medewerkers die geen werkgever hebben die de bijdrage betalen op hun inkomen, die betalen de bijdrage zelf. Wanneer de werknemer voor de verplichte bijdrage van 7,05 % geen vergoeding ontvangt, dan gaan de beschikkingen en de teruggaaf naar de werknemer zelf.

Meerdere arbeidsrelaties

Als het inkomen een som is van meerdere dienstbetrekkingen of uitkeringen, dan moet elke werkgever of uitkerende instantie de inkomensafhankelijke bijdrage van 7,05 % over het loon tot en met € 33.189,- inhouden en verplicht vergoeden. Het kan dan voorkomen dat het gezamenlijke afgedragen bedrag het maximumbedrag van 7,05 % over € 33.189,- overschrijdt. De belastingdienst controleert na afloop van het kalenderjaar aan de hand van de loonaangifte of er te veel is betaald. Is dit het geval, dan wordt het verschil tussen het te veel afgedragen bedrag en het maximumbedrag terugbetaald. De teruggaaf vindt plaats naar evenredigheid over de verschillende werkgevers.

Wat te doen met de oude afspraken over ziektekosten in (collectieve) arbeidsovereenkomsten?

Werkgevers die afspraken over ziektekosten in de (collectieve) arbeidsovereenkomst hebben opgenomen, blijven daaraan gebonden. In dat geval dient de werkgever een vergelijkbare bijdrage te blijven leveren zoals in het voorgaande jaar het geval was, evenwel nooit minder dan het wettelijke minimum.

Een wettelijke salderingsregeling dient te voorkomen dat boven op deze (collectieve of individuele) afspraken, de werkgever de inkomensafhankelijke bijdrage (7,05 %) moet betalen. Zolang de arbeidsovereenkomst van kracht blijft, dient de werkgever de daarin opgenomen vergoeding voor ziektekosten te betalen, echter hiervan wordt de verplichte inkomensafhankelijke bijdrage afgetrokken.

De werkgever betaalt de overeengekomen vergoeding, maar wel minimaal de inkomensafhankelijke bijdrage. De werkgever die met deze overeengekomen vergoeding meer betaalt dan het wettelijke minimum, hoeft naast dat overeengekomen bedrag niet de 7,05 % te betalen. Dat betekent dat een werkgever eerst alle bijdragen die hij aan ziektekostendekking betaalde (in 2008) bij elkaar optelt, dus inclusief premies die werden afgedragen, maar wel exclusief de dekking van aanvullende verzekeringen. Dat bedrag wordt uitgedrukt in een percentage van het loon. De werkgever betaalt dat percentage (minimaal 7,05 %) en hoeft daarnaast niet de 7,05 % wettelijke verhoging te betalen.

De salderingsregeling laat de overeengekomen bijdrage voor aanvullende ziektekosten buiten beschouwing. Is overeengekomen dat de werkgever de bijdrage voor de aanvullende dekking van de ziektekosten betaalt, dan blijft de werkgever daartoe gehouden.

Deze ingrijpende wijziging in het systeem van ziektekostenverzekering maakt het noodzakelijk dat er een nieuwe regeling wordt opgenomen in (collectieve) arbeidsovereenkomsten.

Dat kan de volgende regeling zijn:
“Werkgever draagt bij in de ziektekostenverzekering van de medewerker tot … % van het loon van de medewerker, waarin het wettelijke percentage aan af te dragen bijdrage in de ziektekostenverzekering is begrepen. De bijdrage boven het wettelijke percentage dient ter dekking van de door de medewerker verschuldigde basisverzekering. Deze bovenwettelijke bijdrage is niet hoger dan de door de medewerker (red: eventueel…voor zijn gezin ..) verschuldigde nominale basispremie, uitgaande van het landelijk gemiddelde van de nominale premies (de standaardpremie) voor de basisverzekering. Naast genoemd percentage zijn geen andere bijdrages voor ziektekosten verschuldigd, waardoor bijvoorbeeld aanvullende ziektekostenverzekering voor rekening van de medewerker komt.”

Aanvullingen:
- De extra bijdrage kan dienen voor het dekken van de kosten van de basispremie per gezin in plaats van per medewerker
- Natuurlijk kan er ook bedongen worden dat een aanvullende verzekeringen ook gedekt worden, maar dan is een individuele afspraak per medewerker noodzakelijk.

4.5.1.4. Van overhevelingstoeslag naar brutering

Tot 1 januari 2001 werd er over het loon een overhevelingstoeslag berekend. Dat was een toeslag van 2.15 % op het loon dat de werkgever aan de medewerker (15-65 jaar) moet betalen. Dit bedrag aan overhevelingstoeslag was maximaal € 830.42 per jaar. De toeslag werd niet meegerekend bij het loon waarover de premies werknemersverzekeringen werden berekend, alsmede buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de verschuldigde pensioenpremies.

Voor sommige (ex)werknemers kon er een hoger percentage van 5.45 % gelden met een maximum van € 2105,54, wanneer dit reeds in 1998 werd toegepast. Het ging daarbij om gepensioneerd overheidspersoneel (ABP), om personen met een VUT-uitkering, alsmede om medewerkers die een WIA- of WW-uitkering ontvangen welke door hun werkgever wordt aangevuld, op voorwaarde dat de uitkering en / of aanvulling reeds voor 1 januari 1999 werd betaald.

Tot 1998 was de overhevelingstoeslag een toeslag van ongeveer 10 % op het loon, dat diende ter vergoeding van de overheveling van werknemersverzekeringen, waaronder de WAO, die de medewerker moest betalen in plaats van de werkgever. Later betaalde de werkgever weer de WIA-premie waardoor de overhevelingstoeslag werd verlaagd.

Eenmalige verhoging van het loon in 2001: brutering

De overhevelingstoeslag is per 1 januari 2001 vervallen. Het is niet de bedoeling dat daardoor het inkomen van medewerkers en de loonkosten van werkgevers dalen. Deze inkomens- en loonkostenneutraliteit worden bereikt door een eenmalige brutering. Per 1 januari 2001 werd de loonsom van medewerkers verhoogd met 1.9 % (2.05 %), evenwel niet meer dan € 791,85 euro berekent over een jaar. Het gaat om een verhoging van het brutoloon, omgerekend naar de loonsom per jaar. De werkgever en medewerker kunnen van deze brutering schriftelijk afwijken, hetgeen natuurlijk ook geldt voor afwijkingen die opgenomen zijn in de CAO.

Bepaalde personen die op een hoge overhevelingstoeslag recht hadden, kregen een verhoging van 5.6 % van hun brutoloon per jaar met een maximum van € 2066,97 euro. Deze hogere brutering is van belang voor een WW- of WIA-aanvulling die een werkgever betaalt, als die aanvulling reeds op 1 januari 1999 inging en wanneer daarover geen WIA-premie verschuldigd is. Een hoge brutering geldt eveneens voor pensioen- of VUT-uitkeringen die ten laste van de overheid of het ABP komen, voor zover die uitkeringen reeds op 1 januari 1999 werden verstrekt.

Het is niet de bedoeling dat de pensioenopbouw stijgt door de brutering, waardoor deze verhoging wordt gecorrigeerd over de periode 2001 t/m 2005. Vanaf 1 januari 2005 blijft deze correctie achterwege en bestaat de kans dat de brutering wel leidt tot een hogere pensioengrondslag. Tot die tijd kan een werkgever met werknemers afwijkende afspraken maken, bijvoorbeeld door de verhoging door de brutering ongedaan te maken.

4.5.1.5. Loonheffingskorting

Sinds 1 januari 2001 is het belastingsysteem hervormd en zijn de tariefgroepen met belastingvrije sommen vervangen door heffingskortingen. De werkgever bepaalt voor het huidige personeel voor welke heffingskortingen zij in aanmerking komen, aan de hand van de indeling naar tariefgroepen. Nieuwe medewerkers vullen een loonbelastingverklaring in, waaruit blijkt met welke heffingskortingen de werkgever rekening moet houden. Deze heffingskortingen verminderen de in te houden en af te dragen loonbelasting en premies volksverzekering, waardoor de werkgever minder belasting en premies inhoudt en afdraagt. Voorheen verlaagde de belastingvrije sommen het belastbare loon waarover de verschuldigde loonbelasting werd verrekend.

Tegenwoordig berekent de werkgever de verschuldigde belasting en premies volksverzekering, daarop brengt hij de (loon)heffingskorting in mindering, waarna hij het meerdere inhoudt en afdraagt.

Niet alle heffingskortingen worden door de werkgever verwerkt. De werkgever houdt namelijk alleen rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en bij hoge uitzondering de (aanvullende) ouderenkorting of Wajong-korting. De heffingskortingen die de werkgever verwerkt, worden samen de loonheffingskorting genoemd. Het systeem betekent voor werkgevers dat zij voor iedere medewerker (jonger dan 65 jaar) slechts rekening houden met een loonheffingskorting van maximaal € 3.664,- , Deze loonheffingskorting bestaat uit de algemene heffingskorting van € 2.007,- en de arbeidskorting van doorgaans maximaal € 1.657,-. De heffingskortingen zijn overigens verwerkt in de loontabellen die de belastingdienst verstrekt. Een werkgever dient er wel op bedacht te zijn dat een medewerker die ook elders werkt, de loonheffingskorting niet bij meerdere werkgevers in mindering kan laten brengen. Een heffingskorting kan slechts bij èèn werkgever verwerkt worden.

Loonheffingskorting

De volgende heffingskortingen kan de werkgever verwerken, als de medewerker daarop recht heeft gezien zijn persoonlijke omstandigheden:
- De algemene heffingskorting
- De arbeidskorting
- De ouderenkorting (65+)
- De Jonggehandicapte korting (Wajong)
- De levensloopverlofkorting

Gezamenlijk heten deze kortingen "de loonheffingskorting".

Algemene heffingskorting

Het gaat hier om een heffingskorting die voor iedereen geldt. De korting bedraagt € 1.987,- in het jaar 2010. Voor personen die 65 jaar of ouder zijn, geldt een lager bedrag van € 925,-.

De algemene korting geldt voor iedere partner afzonderlijk, waarbij het niet mogelijk is om deze heffingskorting over te dragen aan de ander. Mocht een partner geen inkomen hebben, dan betaalt de belastingdienst de heffingskorting aan degene uit. Een partner die weinig inkomen heeft krijgt de heffingskorting voor een deel betaald door de belastingdienst. Dat is het deel dat de medewerker niet heeft kunnen gebruiken, doordat het bedrag van de korting groter is dan de belasting die hij verschuldigd is. Voor uitbetaling van de algemene heffingskorting aan èèn van de partners geldt wel de voorwaarde dat die uitbetaling lager is dan de belastingen die de andere partner moet betalen. Bovendien moeten partijen minimaal zes maanden elkaars partner zijn. De uitbetaling kan de partner aanvragen door het "verzoek voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting" in te dienen.

Arbeidskorting

Deze heffingskorting krijgt iedereen die inkomsten met werk verdient. Naast loon, kan het bij die inkomsten gaan om winst uit onderneming of andere verdiensten met werk. Dus niet inkomsten uit voormalige arbeid, waardoor mensen die alleen pensioen, WW- of WIA-uitkering ontvangen, geen arbeidskorting krijgen.

Bij de berekening van de arbeidskorting geldt het volgende:

A. Een medewerker verdient niet meer dan € 9.041,- (50% WML) per jaar:
De arbeidskorting bedraagt 1.737 % van het loon, maximaal € 157,04,- per jaar.

B. Een medewerker verdient meer dan € 9.041,- (50% WML) per jaar:
Over het loon tot aan € 9.041,- krijgt de medewerker een arbeidskorting van € 157,04,-.
Over het meerdere een korting van 11,888 %, tot maximaal € 1.489,- per jaar.

C. Hogere arbeidskorting voor medewerkers van 57 jaar en ouder
- Medewerkers die 57, 58 en 59 jaar zijn op 1 januari
Over het loon tot aan € 9.041,- (50% WML) is de korting 1.737 %
Over het loon boven € 9.041,-- is de korting 14.235 %, tot een arbeidskorting van in totaal maximaal € 1.752,-.
- Medewerkers die 60 en 61 jaar zijn op 1 januari
Over het loon tot aan € 9.041,-- is de korting 1.737 %
Over het loon boven € 9.041,-- is de korting 16.555 %, tot een arbeidskorting van in totaal maximaal € 2.012,-.
- Medewerkers die 62,63 en 64 jaar zijn op 1 januari
Over het loon tot aan € 9.041,-- is de korting 1.737 %
Over het loon boven € 9.041,-- is de korting 18.884 %, tot een arbeidskorting van in totaal maximaal € 2.273,-.
- Medewerkers die 65 jaar en ouder zijn op 1 januari
Over het loon tot aan € 9.041,-- is de korting 0.807 %
Over het loon boven € 9.041,-- is de korting 8,779 %, tot een arbeidskorting van in totaal maximaal € 1.057,-.

Bovenstaande regeling geldt per 1 april 2002 (de bedragen gelden vanaf 2010).

In 2009 wordt de arbeidskorting voor personen met een inkomen tot € 42.509 verhoogd met € 32 tot € 1.475. Hierbij wordt het opbouwtraject van de arbeidskorting verlengd. Hierdoor daalt de marginale druk op dit inkomenstraject met 12,6%. Daartegenover wordt vanaf een inkomen vanaf € 42.509 de arbeidskorting met 1,25% afgebouwd tot op het niveau van het huidige maximum van de arbeidskorting, maar maximaal met € 24. In 2010 stijgt de arbeidskorting verder tot € 1.505. In 2011 wordt de arbeidskorting nog eens verhoogd tot € 1.565..

Bij het loon waarover de arbeidskorting wordt berekend gaat het niet om bijzondere beloningen (vakantiegeld, dertiende maand, etc. ) en niet om WIA-uitkeringen of andere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Tot dat loon behoort wel een aanvullingen van het loon op een WIA-uitkering, alsmede doorbetaling van loon gedurende het eerste ziektejaar en uitkeringen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking (6.3.7.5.).

(Alleenstaande) ouderenkorting

Ouderen die 65 jaar worden, komen vanaf de loonbetalingsperiode waarin zij de 65-jarige leeftijd bereiken in aanmerking voor een ouderenkorting. Dat gaat evenwel alleen op als het totale inkomen (waaronder niet alleen loon valt) niet meer bedraagt dan € 34.934,-(2010). Bij deze loonheffingskorting gaat het om een bedrag van € 684,- (2010) per jaar. Per 1 januari 2006 is de aanvullende ouderenkorting van € 287,- euro per jaar vervangen door een alleenstaande ouderenkorting van € 418,- (2010). De alleenstaande ouderenkorting kent geen inkomensgrens.

Wajong-korting

Jonggehandicapten die een Wajong-uitkering ontvangen, kunnen een korting van € 691,- (2010) laten verwerken. Doorgaans zal de instelling die de uitkering betaald die korting in minder brengen op de berekende loonbelasting en premies volksverzekering. Mogelijk wordt deze uitkering door of via de werkgever betaald en dient de werkgever rekening met deze extra heffingskorting te houden.

Levensloopverlofkorting

De levensloopregeling geeft de mogelijkheid te sparen voor verlofdagen (2.4.8.. Bij een reguliere opname van levenslooptegoed is er recht op een korting. Deze korting verlaagt het brutoloon, waarover dan geen loonheffing verschuldigd is. Dit is de levensloopverlofkorting. Deze is gelijk aan het bedrag van het opgenomen levenslooptegoed, met een maximum van € 199,- per jaar van het jaar waarin gestort is in de levensloopregeling. Bedragen aan levensloopverlofkorting die in voorafgaande jaren al zijn genoten worden in mindering gebracht.

Andere heffingskortingen die verband houden met kinderen

Naast de loonheffingskortingen hoeft de werkgever geen rekening te houden met andere heffingskortingen, die alleen gelden voor mensen die kinderen verzorgen. Die andere kortingen regelt de belastingdienst. Met deze kortingen kan degene rekening houden bij de aangifte van de inkomstenbelasting. Het is ook mogelijk om maandelijks een percentage van die korting te krijgen, als degene om een voorlopige teruggaaf vraagt bij de belastingdienst met het "verzoek voorlopige teruggaaf heffingskortingen".

Kind gebonden budget

Vanaf 1 januari 2008 bestond er de kindertoeslag echter met ingang van 1 januari 2009 is deze regeling opgeheven en komt er een nieuwe regeling voor in de plaats. Het kindgebonden budget.

(Aanvullende) Combinatiekorting

De combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting zijn per 1 januari 2009 komen te vervallen. De vervangende regeling die daar nu voor geldt is de inkomensafhankelijke combinatiekorting. U heeft recht op deze korting als de inkomsten die uit uw werk heeft, meer bedragen dan € 4.619,-. De voorwaarden voor het krijgen van de inkomensafhankelijke combinatiekorting zijn :
- In 2009 hoorde minstens 1 kind bij uw huishouden. Dat was voor ten minste 6 maanden en op 31 december 2008 was het kind jonger dan 12 jaar,
- Dit kind was in die periode ingeschreven op uw woonadres. Bij co-ouders mag dat ook op het woonadres van de co-ouder zijn,
- Uw inkomsten uit uw werk in 2009 (loon, winst of bijvoorbeeld freelance-inkomsten) waren hoger dan € 4.619 of u kreeg de zelfstandigenaftrek (of u kon deze krijgen). dat kind in dit jaar minimaal zes maanden op hetzelfde woonadres staat ingeschreven,
- U had in 2009 geen fiscale partner. Of u had in 2009 wel een fiscale partner, maar uw inkomsten uit uw werkzaamheden in 2009 waren lager dan die van uw fiscale partner

Anders dan de kinderkorting geldt deze combinatiekorting voor iedere partner afzonderlijk, als degene maar aan de voorwaarden voldoet. Tweeverdieners kunnen dus beide voor een combinatiekorting in aanmerking komen. Het gaat om een heffingskorting van € 112,- (2008) per jaar, dat de belastingdienst betaalt. Personen van 65 jaar of ouder krijgen een korting van € 54,- (2008) per jaar.

(Aanvullende) alleenstaande-ouderkorting

Alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een heffingskorting van € 1459,- per jaar. Het gaat om personen die geen partner hebben en die in het onderhoud van een kind voorzien voor minimaal zes maanden. Dat kind dient op 1 januari van dit jaar jonger te zijn dan 27 jaar. Voor alleenstaande ouders die reeds 65 jaar zijn geworden gaat het om een korting van € 683,- per jaar. De alleenstaande-ouderkorting wordt aangevuld, als de ouder betaald werk verricht en minimaal 1 thuiswonend kind heeft dat jonger was dan 16 jaar op 1 januari van dit jaar en dit kind langer dan 6 maanden bij de ouder in huis woont en op dit adres staat ingeschreven. Voor deze aanvulling geldt dat deze afhankelijk is van het inkomen, het gaat om 4.3 % van de inkomsten tot een aanvulling van maximaal € 1459,- (of € 683,- bij 65 jaar en ouder) euro per jaar.

(extra) ouderschapsverlofkorting

De afdrachtvermindering ter stimulering van het opnemen ouderschapsverlof (2.4.8. is vervangen door een ouderschapsverlofkorting. Iedere belastingplichtige die gebruik maakt van zijn of haar wettelijke recht op ouderschapsverlof en deelneemt aan de levensloopregeling heeft recht op deze ouderschapsverlofkorting. Over ieder uur dat een medewerker ouderschapsverlof opneemt, mag degene 50 % van het bruto minimumuurloon als korting opvoeren. Dat komt in het jaar 2010 neer op een bedrag van € 32,48 per opgenomen dag. Een medewerker kan in een kalenderjaar maximaal aanspraak maken op dertien weken ouderschapsverlof. Als hij dit verlof volledig opneemt, bedraagt de totale ouderschapsverlofkorting 13 maal 5 dagen maal € 32,48 = € 2.211,20.

4.5.1.6. Voorlopige teruggaaf

Hoewel de werkgever de loonbelasting en premies volksverzekeringen inhoudt, gaat het om bedragen die de medewerker verschuldigd is. Oftewel, de loonheffing is een schuld van de medewerker, dat is anders als de premies werknemersverzekering waarbij het om een schuld van de werkgever zelf gaat.

De loonheffing wordt gedurende het jaar ingehouden en afgedragen als voorheffing op de inkomstenbelasting die de medewerker na het jaar betaalt. Op deze inkomstenbelasting komt de reeds betaald loonbelasting in mindering. Is het loon voor de loonbelasting nagenoeg gelijk aan het inkomen van de medewerker, dan zal de voorheffing van loonbelasting, doorgaans niet gevolgd worden door een naheffing van inkomstenbelasting. In dat geval hoeft de medewerker geen aangifte van inkomstenbelasting te doen. Dat is niet alleen eenvoudig voor de medewerker, maar ook eenvoudig voor de belastingdienst.

In bepaalde gevallen wordt er meer loonbelasting ingehouden dan er aan inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn, waardoor de medewerker belasting kan terugvragen. Hierbij wordt gedacht aan de situatie dat de medewerker te maken heeft met een hypothecaire lening die hoger is dan de bijtelling wegens het genot van een eigen woning. Daarnaast gaat het om bijzondere lasten of persoonlijke verplichtingen, als ook om hoge aftrekbare kosten.

Per 1 juli 1998: de voorlopige teruggaaf loonbelasting

In plaats van de beschikkingen werkt de belastingdienst tegenwoordig met voorlopige teruggaven, waardoor de te veel ingehouden loonbelasting tussentijd wordt terugbetaald. Werkgevers hoeven bij de berekening van de loonbelasting niet meer met de verminderingsbeschikkingen rekening te houden. Voor medewerkers betekent dit, dat wanneer zij aantonen dat zij door omstandigheden minder inkomstenbelasting verschuldigd zullen zijn, zij in aanmerking kunnen komen voor een tussentijdse teruggaaf van loonbelasting. De medewerker neemt hiervoor contact op met de belastingdienst.

4.5.1.7. Inhouden loonbelasting en premies volksverzekering

Loonbelasting

Het inhouden van loonbelasting en premies volksverzekering doet de werkgever op het moment dat het loon uitbetaald wordt (4.5.8.4.). Het gaat om bedragen die de medewerker aan de belastingdienst verschuldigd is, dat zijn de bedragen die de werkgever inhoudt en afdraagt. De loonbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Het is goed mogelijk dat de medewerker nog andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld via een andere werkgever of inkomsten uit vermogen (rente). Over zijn totale inkomen moet de medewerker inkomstenbelasting betalen. Op deze af te dragen inkomstenbelasting komt de reeds betaalde loonbelasting in mindering. Heeft de medewerker (nagenoeg) geen andere inkomsten, dan betekent dit vaak dat de medewerker geen inkomstenbelasting verschuldigd is en mogelijk dat hij niet eens aangifte voor de inkomstenbelasting hoeft te doen. De loonbelasting is dan niet alleen een voorheffing (op de inkomstenbelasting) maar bovendien eindheffing (er volgt geen heffing inkomstenbelasting).

Volksverzekeringen

De volksverzekeringen wordt uitgevoerd door de sociale verzekeringsbank. Bij de volksverzekeringen gaat het om de Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene Kinderbijslagwet (AKW) Algemene Nabestaandewet (ANW) en de Algemene Wet bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De verschuldigde premies worden samen met de loonbelasting aan de belastingdienst afgedragen, als onderdeel van de loonheffing.

Berekening

De werkgever bepaalt zelf hoeveel belasting en premies volksverzekering hij moet inhouden en afdragen (4.5.1.). Daarbij houdt hij rekening met de heffingskortingen. Vervolgens doet hij zelfstandig aangifte en maakt hij de verschuldigde bedragen over. Hij wacht dus niet op een aanslag.

Bij de berekening van het loon waarover de loonbelasting en premies volksverzekering worden berekend telt het werknemersgedeelte van het loon dat ingehouden wordt voor de WW niet mee. Dit geldt ook voor bedragen die de medewerker bijdraagt in een (aanvullende) verzekering bij arbeidsongeschiktheid of vergelijkbare verzekering (4.5.1.2.). De vergoeding van de werkgever voor de premie Zorgverzekeringswet (ZVW) worden bij het loon opgeteld, waarover loonbelasting en premies volksverzekeringen worden ingehouden. Over deze verhoging i.v.m. ziektekosten zijn geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd (4.5.1.3.).

Tarieven

Er zijn verschillende tabbellen waarmee de verschuldigde loonheffing (loonbelasting + premies volksverzekering) worden berekend (4.5.3.2.A.).

Het gaat in eerste instantie om twee soorten tabellen:

De witte tabellen

Deze tabellen gelden voor medewerkers met een (fictieve) arbeidsovereenkomst, die loon ontvangen van een werkgever als tegenprestatie voor hun werk. Deze witte tabellen gelden ook voor medewerkers die op grond van hun arbeidscontract loon doorbetaald krijgen gedurende het eerste jaar waarin zij ziek zijn. In het volgende ziektejaar gelden de witte tabellen alleen voor medewerkers die voor dat jaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen, dat bovendien door hun werkgever wordt aangevuld. De witte tabellen gelden derhalve niet voor medewerkers met een WIA-uitkering dat niet wordt aangevuld of voor medewerkers die langer dan een jaar een WIA-uitkering hebben ontvangen.

De groene tabellen

Voor de groene tabellen geldt dat zij worden toegepast op loon uit een vroegere dienstbetrekking, denk aan pensioen of VUT. Daarnaast gelden zij voor medewerkers die een WIA- of WIA-uitkering ontvangen welke niet wordt aangevuld door de werkgever, als ook voor medewerkers die reeds langer dan een jaar een WIA-uitkering hebben ontvangen. Bij een uitkering volgens de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) wordt er voor het uit te keren bedrag gebruik gemaakt van de groene tabellen. Bij een inkomen uit werk naast deze WIA –uitkering zal een werkgever de witte tabelen gebruiken.

In de berekening zoals uitgewerkt in 4.5.1.2. wordt er uitgegaan van de witte tabellen. Voor het loon uit vroegere dienstbetrekking geldt dat daarop geen premies werknemersverzekering worden ingehouden en dat de loonheffingskorting lager is doordat er geen arbeidskorting in mindering gebracht wordt. Personen van 65 jaar en ouder kan in aanmerking komen voor extra vrijgesteld bedragen, namelijk de (alleenstaande) ouderenkorting (4.5.1.5.).

De overgang van witte naar groene tabellen

Het komt geregeld voor dat een medewerker voor een deel van het jaar met de witte tabellen te maken heeft en voor een ander deel met de groene tabellen. Bijvoorbeeld in geval van pensionering (4.3.) en vut (4.4.). De werkgever is inhoudingsplichtig tot dat de medewerker uit dienst treedt. Vervolgens wordt een ander de inhoudingsplichtige, zoals de pensioen- en VUT-uitvoerder.

De overgang van witte naar groene tabellen doet zich ook voor, wanneer een medewerker na twee jaar ziekte een WIA- / WIA-uitkering krijgt welke niet wordt aangevuld, als ook nadat hij langer dan tweede jaar arbeidsongeschikt is. De werkgever dient dan voor een deel van het jaar de witte en voor een ander deel de groene tabellen toe te passen.

Tarieven van loonheffing voor witte en groene tabellen

De hoogte van het loon bepaalt met welke tarieven de medewerker te maken krijgt.

Tarieven volgens de witte tabellen:
- Tot aan het tabelloon van € 17.878,- geldt er een loonheffing van 33.50 % (bij deze 33.50 % gaat het voor 2.35 % om loonbelasting en voor 31.15 % om volksverzekeringen, namelijk 12.15 % AWBZ, 1,10 % ANW en 17,90 % AOW)
- Over het meerdere van € 17.878,- tot aan € 32.127,- wordt 42.00 % loonbelasting geheven.
- Over het meerdere van € 32.127,- tot aan € 54.776,-- wordt 42 % loonbelasting geheven.
- Over het meerdere van € 54.776,-- wordt 52 % loonbelasting geheven.

Tarieven voor de groene tabellen: (geld vanaf 65 jaar en ouder)
- Tot aan € 17.878,- geldt er een loonheffing van 15.6 % (bij deze 15.6 % gaat het voor 2.35 % om loonbelasting en om 12.15 % AWBZ en 1,10 % ANW. Hier wordt in beginsel geen premies AOW-geheven).
- Over het meerdere van € 17.878,- tot aan € 32.127,- wordt 24.1 % loonbelasting geheven.
- Over het meerdere van € 32.127,- tot aan € 54.776,-- wordt 42 % loonbelasting geheven.
- Over het meerdere van € 54.776,-- wordt 52 % loonbelasting geheven.

Het voorbeeld van 4.5.1.1. gaat uit van de witte tabellen (4.5.1.1.).

4.5. 4.5.2. Inhoud 4.5.
   
   Arbeidsrechter.nl
 
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist
Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord
met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten.
 
 
       
Auteursrecht voorbehouden           2010