Arbeidsrechter.nl  
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist

4.3.6. Einde van de arbeidsovereenkomst

4.3.5. 4.3.7. Inhoud 4.3.
Einde contract
De arbeidsovereenkomst kan eindigen omdat de medewerker met pensioen gaat
(4.3.6.1.) of voordat een medewerker met pensioen gaat (4.3.6.2.). Mogelijk wordt er een (extra) pensioentoezegging gedaan in een laat stadium, zoals bij of na het einde van de arbeidsovereenkomst (4.3.6.3.). Afstand van het recht op pensioen is in beginsel niet mogelijk (4.3.1.4.)

4.3.6.1. Bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

Een medewerker die met pensioen gaat zal gewoonlijk samen met de werkgever en met wederzijds goedvinden een einde aan de arbeidsovereenkomst maken. Gaat het echter om deeltijdpensioen, dan zullen partijen tesamen de arbeidsovereenkomst wijzigen naar een kortere duur per week. Het is ook mogelijk dat de arbeidsovereenkomst eindigt wanneer partijen zijn overeengekomen dat deze zal eindigen bij het bereiken van een bepaalde (pensioengerechtigde) leeftijd. Een beëindiging die bijvoorbeeld plaatsvindt op de eerste dag van de maand dat de medewerker 65 wordt (3.5.2.).

Zeker 3 maanden voordat de arbeidsovereenkomst eindigt vraagt een medewerker zijn pensioen aan bij de pensioenuitvoerder, om er voor te zorgen dat het pensioen op tijd ingaat. Heeft een medewerker meerdere pensioenen opgebouwd, dan betekent dat voor de medewerker dat hij deze aanvraagt bij meerdere uitvoerders en per pensioen de daarbij behorende regeling in acht neemt. Vervolgens dient een medewerker zich te houden aan de voorschriften die gelden om recht te blijven maken op het pensioen, waarover de medewerker geïnformeerd zal worden.

4.3.6.2. Einde van de arbeidsovereenkomst (terwijl de medewerker nog geen recht op pensioen heeft)

Bij het einde van arbeidsovereenkomst eindigt doorgaans ook de verplichting voor de werkgever om mede het pensioen van de medewerker op te bouwen. De werknemer kan zijn pensioenrecht verder opbouwen bij een andere werkgever (4.3.5.). Gebeurt dit niet, dan heeft hij alleen het pensioenrecht dat is opgebouwd bij zijn vorige werkgever(s), naast voorzieningen die hij privé heeft getroffen. Het pensioen van zijn voormalige werkgever komt pas tot uitkering wanneer bepaalde voorwaarden zich voordoen, zoals het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Tot die tijd kent het pensioenrecht een slapend bestaan. De medewerker betaalt over dit verworven pensioenrecht geen premie meer, wat een premievrij pensioen wordt genoemd.

Affinanciering en afstand van het recht op pensioen

Bij het einde van de arbeidsovereenkomst kan een medewerker er mogelijk aanspraak op maken dat de werkgever het pensioen affinanciert. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als er sprake is van een eindloonregeling en de medewerker door promotie meer ging verdienen, zonder dat het aan dit hogere loon gekoppelde pensioen reeds volledig is gefinancierd. Het komt er op neer dat de werkgever de toename van het recht op pensioen door promotie (de backservice), nog voor een deel moet financieren door het betalen van inhaalpremies in termijnen (inhaalfinanciering). Bij het einde van de arbeidsovereenkomst moet de werkgever deze resterende pensioenaanspraak affinancieren met een afkoopsom.

Het is sinds 1 januari 2000 niet meer toegestaan om inhaalfinanciering (de inhaalpremies in termijnen) te laten doorlopen over periodes na het einde van het arbeidscontract. Deze uitstelfinanciering is verboden. Er geldt een overgangsregeling voor uitstelfinanciering die reeds voor het jaar 2000 werden toegepast (4.3.2.5.). De pensioenuitvoerder kan voor de werkgever en werknemer nagaan of het recht op pensioen is gerealiseerd, zoals de werkgever dat heeft toegezegd. Wanneer dat nog niet het geval is dan dient de werkgever doorgaans een afkoopsom te storten bij het einde van de arbeidsovereenkomst, waarmee hij zijn verplichting nakomt door affinanciering.

Heeft een medewerker een bepaalde aanspraak op pensioen (recht op affinanciering), dan kan hij hiervan geen afstand doen. Afspraken tussen de werkgever en medewerker dat zij tegenover elkaar tot niets meer gehouden zijn, hebben nimmer betrekking op de affinanciering. Een werkgever die een medewerker een (behoorlijke) vergoeding geeft, opdat hij de medewerker niets meer hoeft te betalen, kan later te maken krijgen met de vordering van de medewerker tot affinanciering van het pensioen. De medewerker kan van dit recht geen afstand doen, maar mogelijk wel onredelijk handelen door alsnog de affinanciering te vorderen. Daarmee verdient het aanbeveling om de affinanciering te onderscheiden van het toekennen van (schade)vergoedingen aan medewerkers (7.). Oftewel, de werkgever moet duidelijk aangeven dat het bedrag dat hij betaald (voor een deel) dient ter affinanciering van het pensioen.

Voortzetting van de pensioenopbouw, ondanks het einde van de arbeidsovereenkomst

Niet altijd eindigt de pensioenopbouw met het einde van de arbeidsovereenkomst. De medewerker kan er voor kiezen om de pensioenopbouw vrijwillig voort te zetten, soms heeft de medewerker zelfs recht op een voortgezette opbouw.

Vrijwillige voortzetting van het pensioen behoort vaak tot de mogelijkheden, zeker als het pensioen is ondergebracht bij een verzekeraar. Voor pensioen dat wordt gerealiseerd bij een pensioenfonds dient bedacht te worden dat dit fonds hoort bij een bepaalde werkgever of bedrijfstak. Eindigt de binding van de medewerker met die werkgever of bedrijfstak, dan is voortzetting niet zonder meer mogelijk. Vrijwillige voortzetting bij een pensioenfonds kan wel wanneer de medewerker een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid krijgt, als ook wanneer hij valt onder een afvloeiingsregeling uit een sociaal plan (7.), of valt onder een wachtgeld-, Vut- (4.4.) of FVP-regeling. Bij gebreke van dergelijke inkomsten is vrijwillige voorzetting bij een pensioenfonds tot 3 jaar mogelijk, als de medewerker aan de volgende voorwaarden voldoet. De medewerker heeft reeds 3 jaar aan de pensioenregeling deel genomen, hij zet die regeling ongewijzigd voort, het duurt langer dan 3 jaar voordat het (ouderdoms)pensioen ingaat en hij doet niet mee aan een andere collectieve pensioenregeling.

Naast de mogelijkheid om de pensioenopbouw voort te zetten, bestaat er mogelijk ook recht op voortzetting. Dat betekent dat de voormalige werkgever of derde een bijdrage levert in de opbouwpremies. Dat recht kan bestaan als de medewerker arbeidsongeschikt of werkloos is geworden, geheel afhankelijk van de pensioenregelingen, cao's en individuele overeenkomsten waarop de medewerker een beroep kan doen. Zo kunnen bepaalde medewerkers die ouder dan 40 jaar zijn en werkloos worden aanspraak maken op gedeeltelijke voortzetting van de pensioenopbouw volgens de FVP-regeling. De uitvoeringsinstelling of pensioenuitvoerder zal een medewerker over dergelijke voortzettingen kunnen informeren.

4.3.6.3. Pensioentoezegging in een laat stadium

Bij pensioentoezegging in een laat stadium gaat het in eerste instantie om het toezeggen van een recht op pensioen dat zich ook uitstrekt over de voorgaande periode waarin een medewerker werk heeft verricht. Het gaat als het ware om een pensioen met terugwerkende kracht. Daarnaast gaat het om het toekennen van pensioen in het kader van het einde van de arbeidsovereenkomst of nadat de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd.

De centrale vraag hierbij is hoe de belastingdienst deze regeling behandelt. Wordt de inbreng belast, wat ongunstig is, of wordt de latere pensioenuitkeringen belast. Daarbij speelt de vraag of de toekenning als een schenking wordt gezien.

Schenking

Schenking doet zich voor als de werkgever uit vrijgevigheid een pensioen realiseert. In dat geval wordt de pensioentoekenning belast en de uiteindelijke pensioenuitkeringen niet belast voor zover deze door ingelegde gelden gedekt zijn.

Geen schenking als er een tegenprestatie wordt geleverd

Van vrijgevigheid is geen sprake, als een medewerker voor het pensioen een reële tegenprestatie levert. De tegenprestatie kan er in gelegen zijn dat een medewerker afstand doet van het recht om een loonvordering of schadevergoeding in te dienen (7.). Dergelijke vorderingen zijn mogelijk, als er sprake is van een nietig, vernietigbaar of onregelmatig ontslag (3.4.3.4.). Er is geen schenking, wanneer datgene waar een medewerker afstand van doet in verhouding staat tot het toekennen van pensioen door de werkgever.

Ook geen schenking, als er wordt voldaan aan een natuurlijke verbintenis

Vrijgevigheid doet zich niet voor, wanneer de werkgever een dringende morele verplichting voelt om voor een medewerker een pensioen te regelen. Een morele verplichting die van oudsher een belangrijke reden is om een pensioentoezegging te doen en te realiseren. Hoewel een werkgever hiertoe niet verplicht is tegenover de medewerker, kan het voldoen aan een dergelijke verplichting niet als een schenking worden gezien. Er wordt dan gesproken van een natuurlijke verbintenis om voor een medewerker een pensioen te verzorgen. Een dringende morele verplichting zal aanwezig zijn:
- Als het pensioen wordt gerealiseerd voor een medewerker die bij de werkgever gedurende lange tijd in dienst is (geweest).
- Wanneer het pensioen wordt gerealiseerd ter verzachting van de ernstige gevolgen van het onvrijwillig en zonder schuld werkloos worden.

Een dergelijke natuurlijke verbintenis kan een medewerker niet afdwingen. Het nakomen van een dergelijke verbintenis geschiedt evenwel niet onverplicht en is dus geen schenking. De werkgever en de medewerker kunnen overeenkomen dat zij de natuurlijke verbintenis omzetten in een (voor de rechter) afdwingbare verbintenis.

4.3.5. 4.3.7. Inhoud 4.3.
   
   Arbeidsrechter.nl
 
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist
Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord
met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten.
 
 
       
Auteursrecht voorbehouden           2010