Arbeidsrechter.nl  
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist

4.3.2. Realiseren van de pensioentoezegging

4.3.1. 4.3.3. Inhoud 4.3.

Reservering voor pensioen
Bij het realiseren van de pensioentoezeggingen moeten de werkgever en de pensioenuitvoerders bepaalde voorschriften in acht nemen die staan in de Pensioenwet en aanvullende regelgeving. Hierop bestaan een beperkt aantal uitzonderingen
(4.3.2.1.).

Het uitvoeren van de pensioentoezegging laat de werkgever over aan pensioenuitvoerders. Deze krijgen de middelen van de werkgever en medewerkers waarmee zij te zijner tijd de pensioentoezegging realiseren. Het gaat hier om het bedrijfstakpensioenfonds (4.3.2.2.), het ondernemingspensioenfonds (4.3.2.3.) en de verzekeringsmaatschappijen (4.3.2.4.).

Er zijn diverse pensioenregelingen waarvan de bekendste de eindloon- en middelloonregeling zijn (4.3.2.5.). De eindloonregeling brengt een bepaalde berekening van de pensioenbijdrage met zich mee (4.3.2.6.). Tot welk recht dit pensioen leidt, kan vooraf berekend (geschat) worden (4.3.2.7.).

Het realiseren van een pensioentoezegging moet aan bepaalde eisen voldoen voordat de belastingdienst de fiscaal aantrekkelijke omkeerregel toepast. Het gaat dan om de regel dat het nu gereserveerde geld geen loon is en het later uitgekeerde pensioen gezien wordt als inkomen (4.3.3.).

4.3.2.1. Uitzonderingen waarbij bepaalde voorschriften van de Pensioenwet niet gelden

Een belangrijke verplichting van de Pensioenwet is dat de werkgever gehouden is om de pensioentoezegging te realiseren door deel te nemen in een pensioenfonds of door een verzekering af te sluiten. In de hierna aan te geven gevallen geldt een dergelijke verplichting niet. Dat neemt niet weg dat de werkgever er doorgaans toe over zal gaan om de pensioentoezegging te realiseren door een professionele pensioenuitvoerder. In dat geval worden de nodige waarborgen in acht genomen, opdat de pensioenverstrekking later ook daadwerkelijk plaatsvindt. Volgens de Pensioenwet moet het ondernemingspensioenfonds gescheiden van de onderneming zijn in juridisch opzicht. Hiermee wordt voorkomen dat in geval van faillissement het pensioenfonds hierbij betrokken raakt.

Verplicht onderbrengen van het pensioen bij een spaarfonds of in een verzekering geldt niet in de volgende gevallen:
- Een toezegging die wordt gedaan bij of na het einde van de dienstbetrekking, welk pensioen terstond in zal gaan.
- Pensioentoezeggingen tegenover medewerkers die buiten Nederland (gaan) werken en geen woonplaats in Nederland hebben.
- Pensioentoezeggingen van een BV of NV (werkgever) tegenover een medewerker (bestuurder) die ook groot aandeelhouder is (>10%), en die er schriftelijk mee instemt dat de pensioentoezegging anders wordt uitgevoerd. Bovendien moet er aan bepaalde nadere regels worden voldaan. In dergelijke gevallen hoeft de vennootschap geen geld uit haar middelen te onttrekken. Het nadeel hiervan is dat, als het geld niet in een afzonderlijk fonds wordt ingebracht, er een groter risico is dat de onderneming uiteindelijk de verplichting niet kan dragen.
- Pensioentoezegging tegenover medewerkers die 51 jaar of ouder zijn. Voor deze medewerkers gelden speciale regels. Deze ontheffing geeft de werkgever de ruimte om onder eigen beheer de pensioentoezegging te realiseren, daar hij anders een te grote financiële drempel kan tegenkomen om de pensioenaanspraak uit te besteden.
- Pensioentoezeggingen waarvoor ontheffing is verleend van bovenstaande verplichte wijze van uitvoering. Deze ontheffing verleent de verzekeringskamer alleen als de pensioenregelingen met de nodige waarborgen zijn omgeven.

In voorgaande gevallen kan de werkgever (rechtspersoon) zelf de uitvoering van de pensioentoezegging op zich nemen, of anderszins verzorgen.

Ontheffing van nakoming Pensioenwet

Naast deze en andere algemene uitzonderingen binnen de Pwet, kan er van bepaalde bepalingen ontheffing verleend worden door de verzekeringskamer. Ontheffing wordt evenwel slechts verleent in bijzondere gevallen, op voorwaarde dat er voldoende waarborgen bestaan om het pensioen zeker te stellen. Het ontheffingsbeleid heeft de verzekeringskamer vastgelegd in het besluit dat is gepubliceerd in Staatscourant nummer 236 van 5 december 2000.

4.3.2.2. Het bedrijfstakpensioenfonds

Pensioenfondsen houden zich bezig met het reserveren van geld, om bij ouderdom, overlijden of invaliditeit een pensioen uit te keren. De premies worden doorgaans ingebracht door de werkgever en de werknemer. Het gaat steeds om regelingen met een collectief en solidaire karakter, die samenhangen met een arbeidsrelatie. Zij bieden de werknemer een tweede pijler om zijn pensioen op te baseren, naast de AOW als eerste en eventueel andere (privé) regelingen als derde pijler.

(verplichte) deelname

Het deelnemen in een bedrijfstakpensioenfonds kan verplicht zijn voor bepaalde werkgevers uit een (deel van) een bedrijfstak. Een bedrijfstakpensioenfonds kan zich ook op meerdere bedrijfstakken richten of op slechts een deel van Nederland betrekking hebben. Of de medewerkers bij een werkgever verplicht moeten deelnemen, hangt af van de beschikking die voor bepaalde bedrijfstakken (branches) is afgegeven. Ook een CAO kan tot deelname verplichten.

Verplicht deelnemen kan vergeleken worden met het algemeen verbindend verklaren van CAO bepalingen (1.5.2.5.). Op de zelfde wijze wordt er eens in de vijf jaar beoordeeld of het pensioenfonds voldoende representatief is. Dat is de voorwaarde om de deelname verplicht te stellen. Door die verplichtstelling ontstaat er meer collectiviteit en solidariteit en minder onderlinge concurrentie. Medewerkers betalen doorgaans een gelijk percentage aan premie voor de opbouw van een pensioen op basis van middelloon. Op deze collectieve doorsnee premie is de leeftijd of geslacht doorgaans niet van invloed. Een andere premie betekent doorgaans dat degene bij dat pensioenfonds een ander pensioen opbouwt volgens een andere pensioenregeling. Is binnen een bepaalde bedrijfstak een pensioenfonds verplicht gesteld, dan kan een medewerker die voor een andere werkgever gaat werken binnen die bedrijfstak doorgaans bij hetzelfde pensioenfonds blijven. Dit komt de mobiliteit van medewerkers binnen die bedrijfstak ten goede.

Moet een werkgever verplicht deelnemen, dan kan het bestuur van de stichting die het bedrijfstakpensioenfonds uitvoert ontheffing verlenen. Dat is bijvoorbeeld mogelijk, wanneer de werkgever reeds 6 maanden voor het indienen van het verzoek tot verplichtstelling van de deelname een eigen pensioenvoorziening had, dan wel als de organisatie gaat behoren tot een concern dat (voor de rest) buiten de verplichte deelname valt. Een organisatie die vraagt om ontheffing zal doorgaans moeten aantonen dat de regeling waar medewerkers onder gaan vallen, minimaal gelijkwaardig is met de pensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds. Verder kan het bestuur de eis stellen dat de regeling een collectief karakter draagt en dus ook openstaat voor andere vergelijkbare medewerkers.

De verplichting tot deelname vervalt, wanneer het bestuur van een fonds geen inzicht geeft in de wijze waarop de ingelegde gelden worden belegd. De werkgever kan om een dergelijk overzicht vragen, dat vergezeld wordt door een accountantsverklaring en een toelichting (Vrijstellingswet). Wordt deze informatie niet verschaft dan kan de werkgever zich aansluiten bij andere fondsen, wanneer hij daartoe de toestemming krijgt van de betrokken werknemers- en werkgeversvereniging(en).

Er zijn een nog aantal mogelijkheden om vrijstelling te verkrijgen van de verplichting tot deelname. De vrijstelling geldt in verband met concernvorming of een eigen CAO. Verder geldt dit door bestaande pensioenvoorzieningen of vanwege onvoldoende beleggingsrendement. De werkgever zal dit moeten aanvragen voor (een deel van) zijn werknemers. Aan deze vrijstelling kan door het bedrijfstakpensioenfonds per categorie vrijstellingen voorwaarden worden gesteld.

Interne verhoudingen en toezicht door de Verzekeringskamer

Het bedrijfstakpensioenfonds is een stichting met een bestuur dat bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers, deelnemers (medewerkers) en mogelijk ook vertegenwoordigers van gepensioneerden. Dit bestuur stelt de statuten en pensioenreglementen vast en kan deze wijzigen. Hierover zal een deelnemersraad advies uitbrengen, wanneer deze is ingesteld. De deelnemersraad is een adviesorgaan van de stichting die bestaat uit vertegenwoordigers van deelnemers (medewerkers), gepensioneerden (personen die een pensioen ontvangen) en mogelijk ook uit vertegenwoordigers van "slapers" (ex-medewerkers met een premievrij pensioenrecht).

Naast de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Verzekeringskamer, kan de deelnemersraad tegen bepaalde besluiten van het bestuur in beroep gaan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam. Dat kan bijvoorbeeld wanneer het besluit zonder advies is genomen of tegen het advies in gaat. Dit laat zich vergelijken met de beroepsmogelijkheden van een ondernemingsraad (5.1.5.).

De dagelijkse leiding over een bedrijfstakpensioenfonds ligt in de handen van minimaal twee personen, die wat betreft deskundigheid, integriteit en te voeren beleid voldoen aan de eisen van de Verzekeringskamer. De kamer ziet er op toe dat de dagelijkse bestuurders handelen in belang van de deelnemers, gewezen deelnemers en andere belanghebbenden, zodat zij zich op een evenwichtige wijze vertegenwoordigt voelen door dat bestuur. Wijziging in het dagelijkse bestuur mogen slechts doorgevoerd worden als de Verzekeringskamer daartegen geen bezwaar maakt. Zij wordt hierover geïnformeerd waarna een wachttijd van zes weken ingaat voordat het dagelijks bestuur mag veranderen. Veranderingen in de antecedenten van deze personen worden ook schriftelijk medegedeeld. De verzekeringskamer kan bovendien regels stellen voor de gedragscodes die het pensioenfonds hanteert, opdat belangenverstrengeling wordt voorkomen van bestuurders en andere medewerkers en de informatie waarover het fonds beschikt niet wordt misbruikt.

Uit het pensioenreglement blijkt wie er deelnemers zijn en wie er recht heeft op pensioen, onder welke voorwaarden. Doorgaans is er een beleggingscommissie die adviseert over de wijze waarop het beschikbare kapitaal belegd wordt. Daarnaast vervult een actuaris een belangrijke rol door het bestuur te adviseren, als ook de hoogte van het vermogen en de (gewenste) bijdrage van de werkgever vast te stellen. Dit is van belang om uiteindelijk de pensioenverplichting na te kunnen komen (kapitaaldekking). Ook de bedrijfstechnische en actuariële nota die iedere pensioenfonds opstelt en aan de Verzekeringskamer opstuurt, dient het nakomen van de pensioenverplichting beter te waarborgen. Uit die nota kan onder andere afgeleid worden wat de verhouding is tussen de beschikbare gelden, toekomstige inkomsten en de pensioenverplichting, alsmede op welke wijze de beschikbare gelden belegd worden en of die pensioenverplicht herverzekerd wordt. De Verzekeringskamer krijgt inzicht in de financiële situatie door het bestuderen van de jaarrekening, het jaarverslag, het actuarieel verslag en de overige gegevens, welke het pensioenfonds binnen zes maanden na ieder boekjaar (na 31 december) toestuurt. De jaarrekening wordt gecontroleerd door een accountant. Treft de accountant of actuaris omstandigheden aan die in strijd zijn met de Pensioenwet of die het nakomen van de pensioenverplichtingen in gevaar brengen, dan dienen zij dit direct aan de Verzekeringskamer te melden.

De mogelijkheden van de Verzekeringskamer om toezicht uit te oefenen zijn belangrijk uitgebreid per 1 januari 2000. Toezicht op zich zal evenwel weinig indruk maken, als er geen mogelijkheden bestaan om in te grijpen. In dat kader komt de Verzekeringskamer verschillende maatregelen toe, welke ondersteund worden door de verplichting van betrokken om desgewenst informatie te verlenen en mee te werken. De Verzekeringskamer kan aan het bestuur aanwijzingen geven, als dat noodzakelijk is met het oog op het belang van (gewezen) deelnemers en andere betrokkenen. Wordt die aanwijzing niet gevolgd, dan kan de Verzekeringskamer het bestuur onder curatele stellen, waardoor het bestuur slechts mag handelen met toestemming van de kamer. In geval onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk is, kan de Verzekeringskamer ook tot curatele stelling besluiten zonder dat er eerst een aanwijzing wordt gegeven. Verder kan de verzekeringskamer bepaalde overtredingen tegengaan door opdrachten te geven, op straffe van het verschuldigd worden van een dwangsom. Zij kan bepaalde overtredingen ook bestraffen met een boete, tenzij het gaat om een strafbaar feit welke het Openbaar Ministerie vervolgt.

Pensioenfonds heeft collectieve producten

Anders dan het individuele maatwerk van verzekeraars, richten pensioenfondsen zich op een collectief. Daar waar een verzekeringsproduct volledig persoons- en omstandigheden gebonden kan zijn, daar gaat het bij de pensioenfondsen om meer uniforme producten. Juist de solidariteit tussen de deelnemers, die voor dezelfde premie hetzelfde pensioen ontvangen, rechtvaardigt de bijzondere positie van pensioenfondsen. Die positie biedt het pensioenfonds voordelen, waarvoor aan hun producten wel eisen worden gesteld. Zo dient een werkgever in beginsel minimaal 10 % bij te dragen, naast de bijdrage van de medewerker. De bijdrage van de medewerkers is een gelijk bedrag of gelijk percentage van het loon waarover zij pensioen opbouwen.

4.3.2.3. Het ondernemingspensioenfonds

Een ondernemingspensioenfonds kan dienen als uitvoerder voor één of meer pensioenregelingen voor één onderneming of meerdere verwante ondernemingen (concern / groepsmaatschappijen). Er bestaat een verwantschap tussen de onderneming(en) en het pensioenfonds, bijvoorbeeld als deze de aanzet heeft gegeven tot oprichting van het fonds. Gaat het om een concern met ondernemingen in verschillende bedrijfstakken, dan zullen bepaalde ondernemingen verplicht moeten deelnemen in bepaalde bedrijfstakpensioenfondsen in die bedrijfstak, tenzij er vrijstelling is verleend (4.3.2.2.).

De stichting is ook voor dit pensioenfonds de aangewezen rechtsvorm, daar deze geen winstoogmerk heeft en geen leden kent. Zij heeft wel een bestuur dat de statuten bepaalt en wijzigt binnen de grenzen van de wet. Dit bestuur moet er voor zorgen dat de aanspraken van deelnemers en gepensioneerden gerealiseerd worden, door een goed beheer van de beschikbaar gestelde financiële middelen. Het bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers. Daarnaast uit vertegenwoordigers van deelnemers (medewerkers) en mogelijk ook uit vertegenwoordigers van gepensioneerden. Het verschil met het bedrijfstakpensioenfonds is dat hier de werkgeversvertegenwoordigers vaak in de minderheid zijn. Bij het bedrijfstakpensioenfonds zullen zij in gelijke getale vertegenwoordigd zijn.

Het beschikbare geld moet zorgvuldig belegd worden in leningen, aandelen, onroerend goed en dergelijke, waarover meestal een beleggingscommissie en actuaris adviseert. De actuaris is een functionaris die een belangrijke rol heeft bij het bepalen van de hoogte van het vermogen en de bijdrage van de werkgever. Dat is van belang om de pensioenverplichting na te kunnen komen. In dat kader dient ook de bedrijfstechnische en actuariële nota die iedere pensioenfonds opstelt en aan de Verzekeringskamer opstuurt. Hieruit blijkt onder andere wat de verhouding is tussen de beschikbare gelden, toekomstige inkomsten en de pensioenverplichtingen, hoe de premies belegd worden en of die pensioenverplichtingen herverzekerd zijn. Inzicht in de financiële situatie krijgt de verzekeringskamer door het bestuderen van de jaarrekening, het jaarverslag, het actuarieel verslag en de overige gegevens, welke het fonds binnen zes maanden na ieder boekjaar (na 31 december) toestuurt. De jaarrekening wordt gecontroleerd door een accountant. Treft de accountant of actuaris omstandigheden aan die in strijd zijn met de Pensioenwet, of die het nakomen van de pensioenverplicht in gevaar brengen, dan dienen zij dit direct aan de Verzekeringskamer te melden. Pensioenfondsen dienen vanaf 1 januari 2007 te voldoen aan de eisen van het nieuwe Financiële Toetsingskader (FTK). Doel van het FTK is pensioenfondsen in staat te stellen om financiële tegenvallers op te vangen zonder dat dit ten koste gaat van de deelnemers. Het uitgangspunt van het FTK is dus risicobeheersing. Pensioenfondsen zijn verplicht om volgens de richtlijnen van het FTK zorg te dragen voor de kapitaaldekking en een verantwoorde bedrijfsvoering. Hieruit volgt in de eerste plaats een strenge bewaking van de dekkingsgraad en in de tweede plaats een evenwichtig indexatiebeleid. De Nederlandsche Bank (DNB) ziet erop toe dat pensioenfondsen aan voornoemde punten voldoen.

Over besluiten die het bestuur kan nemen zoals de wijziging van het pensioenreglement wordt mogelijk advies gevraagd aan een deelnemersraad, wanneer deze is ingesteld. Deze deelnemersraad bestaat uit vertegenwoordigers van deelnemers (medewerkers), gepensioneerden (personen die een pensioen ontvangen) en mogelijk ook uit vertegenwoordigers van "slapers" (ex-medewerkers met een premievrij pensioenrecht). Het pensioenreglement geeft aan wie er deelnemers zijn en wie er onder welke voorwaarden voor een pensioen in aanmerking komt. Naast de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Verzekeringskamer, kan de deelnemersraad tegen bepaalde besluiten van het bestuur in beroep gaan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam. Dat kan bijvoorbeeld wanneer het besluit zonder advies is genomen of tegen het advies in gaat. Dit laat zich vergelijken met de beroepsmogelijkheden van een ondernemingsraad (5.1.5.).

De dagelijkse leiding over (het administratiekantoor dat) een ondernemingspensioenfonds (uitvoert), ligt in de handen van minimaal twee personen. Zij behoren voor wat betreft deskundigheid, integriteit en te voeren beleid te voldoen aan de eisen die de Verzekeringskamer daarvoor stelt. De kamer ziet er op toe dat de dagelijkse bestuurders handelen in belang van de deelnemers, gewezen deelnemers en andere belanghebbenden, zodat zij zich op een evenwichtige wijze vertegenwoordigt voelen door dat dagelijks bestuur. Wijzigingen in de dagelijkse leiding mogen slechts doorgevoerd worden als de Verzekeringskamer daartegen geen bezwaar maakt. Zij wordt hierover geïnformeerd waarna een wachttijd van zes weken ingaat voordat de dagelijkse leiding mag veranderen. Veranderingen in de antecedenten van deze personen worden ook schriftelijk medegedeeld. De verzekeringskamer kan bovendien regels vaststellen voor de gedragscodes die het pensioenfonds hanteert, opdat belangenverstrengeling wordt voorkomen van bestuurders en andere medewerkers en de informatie waarover het fonds beschikt niet wordt misbruikt.

De mogelijkheden van de Verzekeringskamer om toezicht uit te oefenen zijn belangrijk uitgebreid per 1 januari 2000. Toezicht op zich zal evenwel weinig indruk maken, als er geen mogelijkheden bestaan om in te grijpen. In dat kader komt de Verzekeringskamer verschillende maatregelen toe, welke ondersteund worden door de verplichting van betrokken om desgewenst informatie te verlenen en mee te werken. De Verzekeringskamer kan aan het bestuur aanwijzingen geven, als dat noodzakelijk is met het oog op het belang van (gewezen) deelnemers en andere betrokkenen. Wordt die aanwijzing niet gevolgd, dan kan de Verzekeringskamer het bestuur onder curatele stellen, waardoor het bestuur slechts mag handelen met toestemming van de kamer. In geval onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk is, kan de Verzekeringskamer ook tot curatele stelling besluiten, zonder dat er eerst een aanwijzing wordt gegeven. Verder kan de verzekeringskamer bepaalde overtredingen tegengaan door opdrachten te geven, op straffe van het verschuldigd worden van een dwangsom. Zij kan bepaalde overtredingen ook bestraffen met een boete, tenzij het gaat om een strafbaar feit welke het Openbaar Ministerie vervolgt.

4.3.2.4. De verzekeringsmaatschappij

Bij verzekeringsmaatschappijen heeft de werkgever grofweg twee mogelijkheden die worden aangeduid als de B-polis of de C-polis. Bij een B-polis is de werkgever de partij die de verzekering sluit ten gunste van een medewerker (en/of zijn nabestaanden). Bij de C-polis sluit de medewerker zelf de verzekering, waartoe hij in staat wordt gesteld door de werkgever. Dit individueel afsluiten van verzekeringsovereenkomsten komt voornamelijk voor bij kleine werkgevers.

De producten van verzekeringsmaatschappijen hoeven niet collectief van aard te zijn, wat wel geldt voor het pakket dat pensioenfondsen aanbieden. Daardoor kunnen verzekeringsmaatschappijen een breder assortiment voeren, dat zich minder gemakkelijk laat vergelijken. De verzekeringsovereenkomsten dienen vaak als derde pijler, namelijk naast de AOW en het pensioen dat wordt (is) opgebouwd bij een pensioenfonds. Toezicht op verzekeringsmaatschappijen is in handen van de Verzekeringskamer, die bij overtreding van bepaalde voorschriften bestuurlijke boetes kan opleggen.

Verzekeringsnemer, verzekerde en begunstigde

De verzekeringsnemer is de partij die de verzekering heeft afgesloten, die de premies verschuldigd is en die bedingt onder welke omstandigheden de verzekeringsmaatschappij tot uitkering moet overgaan. Deze omstandigheden zullen doorgaans afhankelijk zijn van de medewerker die verzekerde wordt genoemd. De verzekerde is de partij van wie het afhankelijk is of er tot uitkering van het pensioen wordt overgegaan, namelijk als hij overlijdt, ziek wordt of een bepaalde leeftijd bereikt. Degene die de uitkering ontvangt is (zijn) de begunstigde(n), waarbij het doorgaans om de verzekerde zelf gaat of om diens nabestaanden.

De werkgever sluit zelf een verzekering af voor een medewerker of een groep medewerkers: de B-polis

In een (voor)overeenkomst maakt de werkgever en verzekeringsmaatschappij afspraken over de wijze waarop en de voorwaarden waartegen de werkgever verzekeringen voor zijn medewerkers afsluit. Het is ook mogelijk dat de werkgever voor iedere medewerker een eigen verzekering afsluit, eventueel bij verschillende verzekeringsmaatschappijen. Er moet altijd goed opgelet worden dat de verzekering (realisatie) overeenkomt met de toezegging, dat is datgene wat de werkgever een medewerker als pensioenrecht heeft toegezegd.

De werkgever (de verzekeringsnemer) verzekert een werknemer(verzekerde) die de begunstigde van de verzekering is, tenzij de nabestaanden dat zijn. Er zijn in beperkte mate veranderingen mogelijk in de persoon van de verzekeringsnemer of begunstigde (4.3.4.1.). Voor de B-polis geldt dat zij in beginsel niet overdraagbaar en ook niet afkoopbaar is (afkoopverbod). De werkgever kan zichzelf later niet tot begunstigde aanwijzen.

Een werkgever die de pensioenverzekering die voor een groep medewerkers geldt of gaat gelden wil aangaan, beëindigen of wijzigen heeft de instemming van de ondernemingsraad nodig (5.1.6.).

De werkgever stelt een medewerker in staat om zelfstandig een verzekering af te sluiten: de C-polis

Nadat de Pensioen en Spaarfondsenwet is komen te vervallen en de nieuwe Pensioenswet van kracht is gegaan op 1 januari 2007 is het niet meer mogelijk een C-polis af te sluiten. Bestaande C-polissen kunnen worden gehandhaafd, maar bij overgang naar een nieuwe werkgever wordt de C-polis omgezet in een B-polis.

4.3.2.5. Diverse pensioenregelingen

Om de opgebouwde pensioenrechten te kunnen dekken dient er kapitaal beschikbaar te zijn waarmee de pensioenuitvoerder de pensioenverplichtingen kan betalen (kapitaaldekking). Teneinde later de uitkeringen te kunnen realiseren, dient er gereserveerd te worden.

De opbouw van de reserves vindt plaats door het betalen van premies door de werkgever en een medewerker en door de ontvangsten uit diverse beleggingsvormen. Bij collectieve regelingen wordt de opbouw gekoppeld aan het loon van medewerkers, waarbij de ingelegde gelden collectief en doorgaans gespreid worden belegd. Uitgangspunt is doorgaans dat er geprobeerd wordt een welvaartsvast, dan wel waardevast pensioen te realiseren. Deze zal, als daarvoor de financiële ruimte bestaat, met de lonen of prijzen meegroeien (indexering door loonindex of prijsindex). Regelt een medewerker zelf zijn (aanvullend) pensioen, dan kan de verleiding ontstaan om nu meer geld te besteden en minder te sparen, waardoor later een lager pensioen resteert. In dat geval kiest de medewerker mogelijk ook voor risicovolle beleggingen, waarmee hij met het oog op meer opbrengst, de hogere risico's voor lief neemt.

Middelloonregeling (gemiddeld-loonsysteem)

Het pensioenrecht wordt in de loop der jaren opgebouwd door de opbouw per jaar afhankelijk te stellen van het in dat jaar verdiende salaris, tot maximaal 2.25 % per jaar. Hierdoor wordt er een gemiddeld pensioen ontvangen over de dienstjaren. Deze regeling wordt ook wel het gemiddeld-loonsysteem of de gemiddeld-salarisregeling genoemd.

Eindloonregeling

Het pensioenrecht is bij deze regeling afhankelijk van het laatst verdiende loon. Bij een eindloonregeling brengt een loonstijging daardoor een stijging van het pensioenrecht met zich mee dat de pensioenuitvoerder moet dekken door een extra reservering van kapitaal. Teneinde het pensioenrecht met kapitaal te kunnen dekken is er dan een kapitaal-inpuls nodig. Doordat er in het verleden te weinig kapitaal is gereserveerd, om het nieuwe hogere pensioenrecht te dekken, is er een extra financiering noodzakelijk. Promotie brengt een hoger loon en een hoger pensioen met zich mee, waarvoor vroeger te weinig is gereserveerd. Door dit te compenseren is er sprake van backservice. Dat is dus een kapitaal-inpuls voor in het verleden te weinig gereserveerde geld, gezien de stijging van het loon en daaraan gekoppelde pensioenrecht. Hoe langer het arbeidsverleden van een medewerker is, hoe kostbaarder deze extra financiering wordt.

De financiering van backservice, kan in beginsel in termijnen (inhaalpremies) of ineens (koopsom) voldaan worden. Bij de financiering in termijnen gaat het om betalen van inhaalpremies in de komende jaren, waarmee de verhoging van het (toegezegde) pensioen wordt gedekt. Deze inhaalfinanciering is slechts mogelijk zolang de medewerker in dienst is (verbonden is met de onderneming). Bij vertrek van de medewerker, komt er in plaats van inhaalfinanciering (termijnen van inhaalpremies) een affinanciering (koopsom). Een backservice die nog niet volledig door inhaalpremies is gedekt bij het einde van een arbeidscontract, wordt gecompenseerd door het betalen van een koopsom. Sinds 1 januari 2000 is het niet meer toegestaan om de toename van het recht op pensioen door een salarisstijging, in termijnen (met inhaalpremies) te voldoen over periodes waarbij de medewerker niet meer in dienst is. Het uitstellen van financiering tot na het einde van het dienstverband is verboden. Als overgangsregeling geldt er dat deze uitstelfinanciering (65-X-financiering) slechts is toegestaan, in gevallen waarbij deze financiering reeds voor het jaar 2000 werd toegepast. De uitstelfinanciering moet dan wel in gelijke bedragen per jaar plaatsvinden en afgerond worden voor het jaar 2010, derhalve door de jaarlijkse storting van 1/10-de deel aan inhaalpremies. Met toestemming van de Verzekeringskamer is uitstelfinanciering tot het jaar 2015 mogelijk.

Een eindloonregeling beperkt de mobiliteit van medewerkers die daardoor meer honkvast worden. Door een loonstijging neemt het recht op pensioen toe, niet alleen over het toekomstige loontijdvakken, maar ook voor de verstreken diensttijd bij de huidige werkgever. Dat kan zelfs betekenen dat een kleine loonstijging bij de huidige werkgever, voor het pensioen gunstiger uitpakt dan een grotere loonstijging door het veranderen van werkgever ( pensioenbreuk). De loonstijging bij de huidige werkgever levert namelijk een pensioenstijging op, te berekenen over de volledige diensttijd bij de huidige werkgever.

Het systeem van een eindloonregeling brengt met zich mee dat een promotie vlak voor dat iemand met pensioen gaat, vooral aantrekkelijk is om een hoger pensioen te krijgen. Daardoor wordt dit pensioenpromotie genoemd (6.3.2.2.). Dat is tegen te gaan door in de regeling op te nemen dat het gemiddelde loon van de laatste twee of meer jaren als uitgangspunt dient. Fiscaal wordt een pensioenpromotie gezien als een verhoging van het loon dat plaatsvindt binnen vijf jaar voor de ingang van het pensioen, oftewel de vijf jaar voor de pensionering. Dit wordt slechts in beperkte mate geaccepteerd, niet meer dan 2 % boven de gemiddelde loonstijging, tenzij het gaat om een promotie die past bij een normaal carrièreverloop.

Eindloonregelingen zijn doorgaans gebaseerd op vrij stabiele loonbestanddelen. Gezien de toename van variabele beloningen, zal ook de wens naar andere pensioensystemen groeien, waarin deze beloningen die niet regelmatig terugkeren wel goed tot uiting kunnen en mogen komen. Een compromis is het eindloonstelsel als basis nemen voor het grootste deel van het inkomen, terwijl voor variabele loonbestanddelen die meer dan marginaal variëren er een ander stelsel wordt gevolgd, zoals een beschikbare-premie-stelsel.

Gematigde eindloonregeling

Door de bovengenoemde backservice is de eindloonregeling voor werkgevers en pensioenuitvoerders erg duur geworden. Daarom zijn er gematigde eindloonregelingen in het leven geroepen. Deze regeling houdt in dat na een afgesproken leeftijd (meestal 55 of 60 jaar) salarisverhogingen voor het pensioen niet meer mee tellen. Hierdoor wordt het pensioen in de laatste jaren dat een werknemer werkt, niet meer bijgetrokken, een hoger salaris verhoogd dan de pensioengrondslag niet. Dit houdt in dat voor de laatste jaren dat de werknemer werkt een gemiddelde loonregeling wordt aangehouden.

Andere regelingen

Naast bovenstaande komen er nog vaste-bedragen-regelingen voor, waarbij de pensioenopbouw een vast bedrag is per jaar. Dit is eventueel geïndexeerd door de hoogte van de opbouw aan de loon- of prijsstijging te koppelen. Bij een beschikbare-premiestelsel wordt er een vast percentage over het inkomen genomen en gereserveerd als pensioen.

Evenredige opbouw, zonder achterstand in de financiering van het pensioen

Iedere regeling dient aan de voorwaarde te voldoen dat het recht op pensioen evenredig wordt opgebouwd en gefinancierd over de tijd dat er premies worden betaald. Deze eis van evenredige verdeling over de deelnemerschap moet achterstand voorkomen bij het opbouwen en financieren van pensioenaanspraken. Dat betekent bijvoorbeeld dat een regeling er niet toe mag leiden dat er eerst een klein deel van het loon wordt gereserveerd voor het pensioen, met de bedoeling om deze achterstand in te lopen door later meer pensioenpremies te gaan betalen. Een achterstand kan mogelijk niet ingehaald worden, in het bijzonder niet als de werkgever bedrijfseconomische problemen krijgt. Het voorkomen van deze risico's heeft er ook toe geleid dat uitstelfinanciering (65-x-financiering) niet meer wordt toegestaan, hetgeen hierboven wordt toegelicht bij de eindloonregeling.

4.3.2.6. Berekening van de pensioenbijdragen

De bijdrage van een medewerker en werkgever is doorgaans bepaalt in een (collectieve) arbeidsovereenkomst, andere overeenkomst of (pseudo)reglement.

Deze bijdragen worden berekend over het brutoloon exclusief de AOW-franchise:

........ (brutoloon) - .......... (AOW-franchise)_= .......... (bijdrage grondslag)

Over dit bedrag wordt .... % berekend wat in mindering komt op het loon, waarover daarom geen loonbelasting wordt ingehouden. De werkgever houdt dit bedrag in en draagt het af aan het pensioenfonds of de verzekeringsmaatschappij samen met zijn werkgeversbijdrage. Is er geen andere termijn overeengekomen, dan moeten de bijdragen plaatsvinden binnen tien dagen na het einde van het kwartaal.

Brutoloon

Dat is het loon uitgekeerd in geld, waarbij het van de regeling afhangt wat hier onder valt en welk loon wordt genomen. Dit loon is doorgaans inclusief vakantiebijslag en exclusief overhevelingstoeslag en ongebruikelijke uitkeringen zoals uitbetaalde vervangingstoeslagen. Het verschilt of overwerktoeslag en toeslagen voor ploegendienst, bij dit brutoloon meegerekend worden.

AOW-franchise

Het gedeelte waarover geen pensioen opgebouwd hoeft te worden omdat een medewerker een AOW-uitkering zal krijgen op 65-jarige leeftijd. Slechts over het meerdere wordt pensioen opgebouwd (aanvullend pensioen). Bij de berekening van de AOW-franchise wordt uitgegaan van een individuele benadering, dat is het AOW-deel voor een ongehuwde. Een ongehuwde AOW-er krijgt later een uitkering van 70 % van het netto minimumloon, een gehuwde ontvangt 50 %. I.p.v. een AOW-franchise kan er ook op een andere wijze met de AOW rekening gehouden worden.

Bijdragegrondslag

Het is mogelijk dat de bijdragegrondslag boven een bepaald maximum komt waarover geen, dan wel een lager of hoger werknemers- en werkgeversbijdrage berekend moet worden. Dan moet dit deel afgezonderd worden, waarna het daarvoor geldende tarief hierop wordt toegepast.

4.3.2.7. Berekening van de pensioenuitkering

Bij de berekening van het pensioen geldt de volgende formule:

Deelnemingstijd x pensioenpercentage x pensioengrondslag = het opgebouwde pensioen

Deelnemingstijd

De deelnemingstijd is de tijd waarbij er is deelgenomen in de opbouw van het pensioen. Bijvoorbeeld 40 dienstjaren bij deze werkgever na het bereiken van de 21-jarige leeftijd.

Pensioenpercentage

Dit percentage bepaalt het jaarlijks opgebouwde pensioen, waarbij het bijvoorbeeld gaat om 1.75 % (eindloonregeling) of 2.25 % (middelloonregeling) per dienstjaar (opbouwsysteem).

Pensioengrondslag

De pensioengrondslag is het laatste genoten jaarsalaris (eindloonregeling) of gemiddelde salaris (middelloonregeling) waarop een AOW-franchise wordt ingehouden. Het pensioen is aanvullend op de AOW. Daardoor vindt er slechts pensioenopbouw plaats over het gedeelte dat de AOW niet dekt, dus dat de AOW-franchise te boven gaat.

Bij de pensioengrondslag wordt rekening gehouden met vakantiebijslag en mogelijk ook met andere jaarlijkse vergoedingen die een vast en vrij constant onderdeel van de arbeidsvoorwaarden zijn (geweest). Tot de pensioengrondslag hoort (meestal) niet de overhevelingstoeslag en toeslagen voor bezwarende omstandigheden, onregelmatige arbeidstijden, overwerk en dergelijke. Worden dergelijke variabele loonbestanddelen wel meegerekend, dan zal het vaak niet gaan om een eindloonsysteem (4.3.2.5.). Fiscale eisen bepalen dat een auto van de zaak niet tot het loon behoort waarover pensioen wordt berekend. Ook andere vormen van loon in natura tellen doorgaans niet mee. De bijdrage van de werkgever zal minimaal 50 % bedragen.

Aanpassing van de deelnemingstijd in de volgende gevallen:

Parttime werken

Een parttimer die bijvoorbeeld 25 uur per week werkt krijgt een evenredig deel van de deelnemingstijd van een fulltimer. De parttimer krijgt dan per volledig dienstjaar een deelnemingstijd van bijvoorbeeld 0,65 terwijl de fulltimer een deelnemingstijd van 1 krijgt. Op deze wijze wordt de opbouw per jaar gecorrigeerd. Daardoor zal de verhoging of verlaging van het aantal gewerkte uren in de loop der jaren naar evenredigheid doorwerken in de aanspraak op pensioen.

(Ouderschaps)verlof

Is een medewerker met ouderschapsverlof geweest, dan wordt de deelnemingstijd evenredig verlaagd, afhankelijk van het wel gewerkte aantal uren. Deze correctie vindt niet plaats, wanneer daarvoor een regeling is getroffen. Dan wordt het ouderschapsverlof niet berekend over het deeltijdwerk dat de ouder verricht, maar fictief toegekend als ware er geen verlof. Verricht een medewerker echter totaal geen werk gedurende het verlof en duurt het verlof meerdere maanden, dan wordt deze pensioentoekenning mogelijk niet door de belastingdienst geaccepteerd. Elders wordt nader ingegaan op ouderschapsverlof (7.).

De VUT-regeling

In de VUT-regeling vinden eveneens veranderingen plaats vanaf 1 januari 2006, door het belastingvoordeel op te heffen. Dit is eveneens in het kader van het ontmoedigen van het eerder stoppen met werken. Voor degene die vóór 1 januari 2006 al met de VUT zijn gegaan of die vóór 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren veranderd er niets. Hun huidige regeling blijft geldig (4.4).

Jaren waarin de medewerker met de vut is (vervroegd is uitgetreden)

Eén medewerker die vervroegd uittreed krijgt over deze jaren te maken met een minder hoge pensioenopbouw door een correctie van de deelnemingstijd.

De deelnemingstijd bij een vorige werkgever

Een medewerker die bij verschillende werkgevers heeft gewerkt kan de pensioenopbouw per werkgever berekenen. Dat betekent dat een medewerker meerdere kleinere pensioenen opbouwt. De medewerker heeft dan een veelvoud aan kleine "potjes" in plaats van dat zijn pensioen uitsluitend wordt opgebouwd bij één pensioenfonds. Het is ook mogelijk dat de pensioenopbouw bij de ene werkgever wordt overgedragen naar het pensioenfonds van de volgende werkgever, waardoor de opbouw verder kan gaan. De medewerker koopt zich als het ware in bij het nieuwe pensioenfonds. Hij krijgt fictief een deelnemingstijd door de inbreng van zijn opgebouwde pensioenrecht dat is opgebouwd bij de vorige werkgever (4.3.5.).

Individuele pensioenverzekeringen

De zogenaamde derde pijler in het Nederlandse pensioenstelsel wat een aanvulling op het AOW inhoud, waarin zelf kan worden voorzien. Het kan wenselijk zijn om hiervoor te sparen als er niet genoeg pensioenrechten zijn opgebouwd. Dit kan bijvoorbeeld door bij een verzekeraar een levensverzekering of lijfrente af te sluiten. Andere mogelijkheden kunnen zijn: zelf geld sparen of beleggen.

4.3.1. 4.3.3. Inhoud 4.3.
   
   Arbeidsrechter.nl
 
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist
Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord
met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten.
 
 
       
Auteursrecht voorbehouden           2010