Arbeidsrechter.nl  
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist

3.7.3. Duur en hoogte van de uitkering

3.7.2. Inhoud 3.7.

Uitkering
Is de medewerker "werkloos" volgens hoofdstuk 3.7.1.
(3.7.1.) en voldoet hij aan de voorwaarden van hoofdstuk 3.7.2. (3.7.2.), dan heeft deze werkloze recht op een uitkering. De hoogte en duur van deze uitkering zijn afhankelijk van het arbeidsverleden.

Als u al voor 1 oktober 2006 een WW-uitkering had, verandert er niets in de hoogte of de duur van uw WW-uitkering. U behoudt uw recht op een kortdurende, loongerelateerde of vervolguitkering voor de eerder vastgestelde duur.

Arbeidsverleden

Om vast te stellen op welke uitkering de medewerker recht heeft, dient hij de uitvoeringsinstelling inzicht te geven in zijn arbeidsverleden. Dat doet hij door het verstrekken van statusoverzichten, loon- of uitkeringsafschriften en dergelijke, voor zover het arbeidsverleden niet uit de eigen administratie van de uitvoeringsinstelling blijkt. Het arbeidsverleden bestaat uit twee onderdelen, namelijk het arbeidsverleden in de laatste 5 jaar en het fictieve arbeidsverleden. Dit laatste wordt alleen meegeteld, als de medewerker een arbeidsverleden heeft van 4 jaar in de laatste 5 voorafgaande jaren.

Bij onderstaande moet bedacht worden dat als werkloosheid voor een werknemer dreigt, het financieel van zeer groot belang kan zijn dat het ontslag na 1 januari plaatsvindt, als de medewerker anders niet aan de 4-uit-5-eis voldoet.

Arbeidsverleden in de laatste 5 jaar

Bij het eigenlijke arbeidsverleden wordt er gekeken naar de laatste 5 voorafgaande jaren (dus voor 1 januari). Een jaar telt volledig mee, wanneer de medewerker in dat jaar over 52 of meer dagen loon ontving. Hij hoeft dus niet het hele jaar gewerkt te hebben. Bij deze dagen kan het ook gaan om dagen waarop de medewerker loon ontving voor bereikbaarheidsdiensten of loon kreeg doorbetaald in verband met ziekte, dan wel om dagen waarbij hij een Ziektewet-uitkering of volledige WIA-uitkering kreeg.

Om discriminatie van ouders (vrouwen) te voorkomen telt een jaar ook volledig mee, wanneer degene in dat jaar niet (volledig) werkzaam was om haar een kind te verzorgen. Jaren vóór 2005 tellen mee als u een kind onder de 12 jaar heeft verzorgd. In 2005 en de jaren daarna telt alleen de verzorging van kinderen jonger dan vijf jaar mee.

Vanaf het jaar 2007 kunnen ook jaren waarin u niet heeft gewerkt maar wel mantelzorg heeft verleend, meetellen voor uw arbeidsverleden. De zorg moet in dat geval worden bekostigd uit een persoonsgebonden budget in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Verhoging met een fictief arbeidsverleden, als er is voldaan aan de 4-uit-5-eis

Alle jaren vanaf het kalenderjaar waarin u achttien jaar werd tot en met 1997, tellen mee als arbeidsverleden. Dit heet het fictieve arbeidsverleden. Vanaf het kalenderjaar 1998 worden de daadwerkelijk gewerkte jaren meegeteld (feitelijke arbeidsverleden). Een jaar telt mee voor uw arbeidsverleden als u in dat jaar over 52 of meer dagen loon hebt ontvangen. U moet zelf kunnen aantonen wat uw feitelijke arbeidsverleden is.

Diverse uitkeringsvormen

Over de uren dat een medewerker werkloos is geworden ontvangt hij een werkloosheidsuitkering. De hoogte van de uitkering is dus in eerste instantie afhankelijk van het aantal arbeidsuren dat de medewerker verliest. Daarbij tellen de uren mee waarover loon werd doorbetaald (dus inclusief uren over vakantiedagen, ziektedagen en uren voor feestdagen). Voor medewerkers die een variabel aantal uren werken per week, wordt het verlies aan arbeidsuren berekend door het gemiddelde te berekenen over de laatste 26 weken. Mogelijk vertoont het arbeidspatroon een cyclus, denk aan een medewerker die 2 maand veel werkt afgewisseld met 2 maanden met minder werk of een medewerker die 4 maanden per jaar weinig werkt. Een berekening over de laatste 26 weken kan dan een vertekend beeld geven, bijvoorbeeld als er in die zes maanden 4 maanden met weinig werk zitten. In gevallen waarbij de medewerkers in een wisselend arbeidspatroon werken, waarin een bepaalde cyclus is te achterhalen, wordt het gemiddelde berekend over een volledige cyclus. Deze cyclus wordt maximaal berekend over een periode van 1 jaar.

De duur van een WW-uitkering kan variëren van 3 maanden tot 38 maanden (3 jaar en 2 maanden). Hoe lang de werkloze heeft gewerkt en hoe oud hij is, bepaalt de periode waarin de werkloze een WW-uitkering kan ontvangen.

Minimum-loon-gerelateerde basis uitkering

Iemand die wel voldoet aan de wekeneis (26 van de laatste 36 weken hebben gewerkt), maar niet voldoet aan de jareneis (4 van de laatste 5 jaar hebben gewerkt) krijgt een basisuitkering van drie maanden.De werkloze ontvangt de eerste twee maanden 75 % van het dagloon, de derde maand wordt de uitkering 70 % van het dagloon. Dit dagloon is evenwel maximaal € 187,77 (juli 2010).

Loongerelateerde WW-uitkering

De uitkering wordt gebaseerd op het brutoloon dat werd verdiend voordat de medewerker werkloos werd. Het (gemiddelde) maandloon wordt omgerekend naar een dagloon. Het gaat om het loon dat de medewerker gemiddeld heeft verdiend met werken in de laatste 52 weken voor het verlies van uren. Daarbij wordt evenwel alleen gekeken naar volledige betalingsperiodes in die 52 weken, dat zijn doorgaans periodes van een maand of vier of vijf weken. Het loon is inclusief een evenredig deel van de vakantietoeslag en eventueel een dertiende maand of eindejaarsuitkering. Ziektedagen waarover het loon niet volledig werd doorbetaald, worden zowel wat betreft loon als tijd buiten de berekening gehouden. Dat geldt ook voor een verlofperiode, welke tot maximaal 78 weken buiten beschouwing blijft. De loongegevens die de uitvoeringsinstelling nodig heeft om het vast te stellen, worden door de werkgever verstrekt.

De WW-uitkering bedraagt vanaf 1 oktober 2006 de eerste twee maanden 75 % van het dagloon; vanaf de derde maand wordt de uitkering 70 % van het dagloon voor de resterende maanden van de WW-uitkering.

Dit dagloon is evenwel maximaal € 187,77 (juli 2010), waardoor de uitkering niet meer is dan 75 % van € 187,77 bruto gedurende de eerste twee maanden, ook al is het eigen dagloon hoger. De maximale uitkering per maand is derhalve (187,77 x 0.75 x 21.75 dagen=) € 3063,00 bruto per maand gedurende de eerste twee maanden en (187,77 x 0.70 x 21.75 dagen=) € 2858,80 bruto per maand gedurende de resterende maanden. Voor medewerkers die na het bereiken van de 55-jarige leeftijd meewerkten aan demotie met loonsverlaging, wordt een hoger dagloon in aanmerking genomen (6.3.2.2.).

Voldoet de werkloze wel aan de jareneis, dan krijgt hij een langere WW-uitkering. De duur van deze uitkering is afhankelijk van het aantal jaren dat de werkloze heeft gewerkt. De uitkering duurt in maanden even lang als het arbeidsverleden in jaren. Met een maximum van 38 maanden.

De periode waarover er recht bestaat op deze loongerelateerde uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden.

In de onderstaande tabel vindt u een paar voorbeelden:

Arbeidsverleden   Recht op uitkering
4 jaar   4 maanden
18 jaar   18 maanden
38 jaar   38 maanden
40 jaar   38 maanden

Werkloos vóór 1 oktober 2006

Minimum-loon-gerelateerde uitkering

Dit is een uitkering voor 6 maanden, van 70 % van het minimumloon zoals dat voor de betrokken persoon geldt (4.1.6.). Na deze korte uitkering volgt de bijstand. Voor parttimers kan de situatie zich voordoen, dat hun loon dat zij ontvangen in dienstverband, lager is dan dit (fulltime) minimumloon. In dat geval wordt dit lagere loon de grondslag waarover de 70 % wordt genomen, wat dan de uitkering van de werkloze wordt.

Loongerelateerde uitkering

Deze uitkering wordt gebaseerd op het brutoloon dat werd verdiend voordat de medewerker werkloos werd. Het (gemiddelde) maandloon wordt omgerekend naar een dagloon. Het gaat om het loon dat de medewerker gemiddeld heeft verdiend met werken in de laatste 52 weken voor het verlies van uren. Daarbij wordt evenwel alleen gekeken naar volledige betalingsperiodes in die 52 weken, dat zijn doorgaans periodes van een maand of vier of vijf weken. Het loon is inclusief een evenredig deel van de vakantietoeslag en eventueel een dertiende maand of eindejaarsuitkering. Ziektedagen waarover het loon niet volledig werd doorbetaald, worden zowel wat betreft loon als tijd buiten de berekening gehouden. Dat geldt ook voor een verlofperiode, welke tot maximaal 78 weken buiten beschouwing blijft. De loongegevens die de uitvoeringsinstelling nodig heeft om het vast te stellen, worden door de werkgever verstrekt.

70 % van het dagloon, wordt de basis voor de uitkering per dag. Dit dagloon is evenwel maximaal € 187,77 (juli 2010), waardoor de uitkering niet meer is dan 70 % van € 187,77 bruto. De maximale uitkering per maand is derhalve (187,77 x 0.70 % x 21.75 dagen=) € 2858,80 bruto per maand, dat is € 34.305,58 bruto per jaar. Voor medewerkers die na het bereiken van de 55-jarige leeftijd meewerkten aan demotie met loonsverlaging, wordt een hoger dagloon in aanmerking genomen (6.3.2.2.).

De periode waarover er recht bestaat op deze loongerelateerde uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden.

Arbeidsverleden   Recht op uitkering
4 jaar   6 maanden
5 tot 10 jaar   9 maanden
10 tot 15 jaar   1 jaar
15 tot 20 jaar   1.5 jaar
20 tot 25 jaar   2 jaar
25 tot 30 jaar   2.5 jaar
30 tot 35 jaar   3 jaar
35 tot 40 jaar   4 jaar
40 tot meer   5 jaar

Na deze uitkering komt er eventueel een vervolguitkering van 2 jaar, wat 70 % bedraagt van het minimumloon zoals dat geldt voor de betrokken persoon. De minimum-loon-gerelateerde vervolguitkering is vaak aanmerkelijk lager dan de loongerelateerde uitkering (nooit hoger). Wordt een medewerker werkloos nadat hij 57.5 jaar oud is geworden, dan duurt de vervolguitkering (maximaal) 3.5. jaar. De vervolguitkering is plotseling per 11 augustus 2003 afgeschaft door de regering, waardoor medewerkers die na die datum werkloos worden daarvoor niet meer in aanmerking komen. Dat kan eventueel wel als hun arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is ontbonden en het verzoek daartoe voor 11 augustus 2003 is ingediend. Over de afschaffing van de vervolguitkering moet de tweede kamer nog beslissen. Dat laat een kleine kans dat de vervolguitkering behouden blijft en met terugwerkende kracht alsnog wordt toegekend.

De WW-uitkering wordt gevolgd door de bijstand op grond van de Wet Werk en bijstand die per 1 januari 2004 in werking is getreden. Deze wet is gericht op het aan het werk krijgen van bijstandsgerechtigden, in het bijzonder door een sollicitatieplicht in te voeren e n stimulerende maatregelen te treffen waarmee werken sneller mogelijk wordt. De bijstandsuitkering is per juli 2010 € 1304,37 (incl. vakantiegeld) per maand voor gehuwden of samenwoners, € 913,06 (incl. vakantiegeld) voor alleenstaande met kinderen; € 652,19 (incl. vakantiegeld) voor alleenstaanden. Om voor die uitkering in aanmerking te komen geldt er onder andere een vermogenstoets, dat wil zeggen dat het opgebouwde vermogen niet meer mag bedragen dan € 10.960,00 voor gehuwden / samenwoners en € 5.480,00 voor een alleenstaande. Voor mensen met een eigen woning, geldt een extra vrijstelling tot maximaal € 46.200,00.

Voor medewerkers die een loongerelateerde uitkering hadden en vervolgens werkzaam en weer werkloos worden, geldt dat zij mogelijk aanspraak maken op voortzetting van de eerdere loongerelateerde uitkering. Medewerkers die een gedeeltelijke of volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering kregen kunnen mogelijk ook voor een dergelijke uitkering in aanmerking komen.

Algemene opmerkingen over de uitkering

De uitvoeringsinstelling is inhoudingsplichtig en moet daarom loonbelasting en premies inhouden en afdragen. De uitkering wordt in beginsel op een vaste dag en achteraf betaalt over een periode van vier weken. Dat betekent doorgaans dat de eerste uitkering lager is doordat deze over een kortere periode wordt berekend dan de volgende uitkering die wel de volledige vierweken bestrijkt. Het per week uitbetalen van de uitkering behoort grotendeels tot het verleden, hoewel hiervoor redenen kunnen zijn als de medewerker anders in (ernstige) financiële problemen geraakt.

Voordat de uitkering ingaat, ontvangt de medewerker mogelijk een voorschot. Het voorschot wordt doorgaans verrekend met het recht op uitkering, dat wordt vastgesteld vanaf de eerste dag van werkloosheid. Komt er evenwel vast te staan dat de medewerker geen recht op een uitkering heeft, dan wordt het bedrag van het voorschot teruggevorderd. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor indien later blijkt dat de medewerker niet werkloos is en nog loon ontvangt of verwijtbaar werkloos is geworden (3.7.1.).

Per uitkering wordt er 8 % vakantietoeslag gereserveerd, dat in mei wordt uitbetaald aan de uitkeringsgerechtigde (4.2.). Vindt hij werk, dan eindigt doorgaans de uitkering, waardoor de gereserveerde vakantietoeslag direct wordt uitgekeerd.

De uitkering op grond van de werkloosheidswet kan samen met andere inkomsten dusdanig laag zijn dat de uitkeringsgerechtigde niet komt aan een sociaal minimum, zoals dat voor hem geldt gezien zijn persoonlijke omstandigheden. In dat geval heeft hij doorgaans recht op een toeslag. Deze toeslag vraagt de uitkeringsgerechtigde aan bij de uitvoeringsinstelling. Dat doet hij binnen zes weken na het ontstaan van het recht op toeslag, doorgaans te rekenen vanaf het moment dat zijn inkomen onder het sociaal minimum daalt of te rekenen vanaf de definitieve vaststelling van zijn WW-, ZW-, WIA- of andere (loondervings)uitkering. Aan de andere kant geldt dat bepaalde inkomsten weer in mindering komen op het recht op uitkering zoals een ouderdomspensioen.

Heeft de uitvoeringsinstelling aan een werkloze te veel aan uitkeringen betaald, dan wordt dit teruggevorderd. Dat blijft alleen achterwege wanneer een dringende reden terugvordering onaanvaardbaar maakt. Naast het terugvorderen kan er een boete opgelegd worden, voorzover het te veel uitbetalen aan de werkloze is toe te rekenen. Denk in het bijzonder aan situaties waarbij er niet aan de inlichtingenplicht is voldaan. In veel gevallen zal terugvordering betekenen dat partijen een betalingsregeling overeenkomen. Nadat de schuldenaar die regeling vijf jaar nakomt, wordt mogelijk het restant van de schuld kwijtgescholden. Kwijtschelding kan zich ook voordoen bij achterstallige betalingen waaraan alsnog wordt voldaan, dan wel als de vorderingen van de uitvoeringsinstelling in die vijf jaar oninbaar blijken te zijn. Het gaat om drie in plaats van vijf jaar als het inkomen van de schuldenaar in die periode niet hoger is dan de beslagvrije voet (4.1.8.). De termijn van drie jaar gaat niet op als terugvordering het gevolg is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht.

Voor werklozen ouder dan 40 jaar die deelnamen aan een pensioenvoorziening geldt dat zij mogelijk in aanmerking komen voor een bijdrage in de pensioenopbouw. Hierover kan de uitvoeringsinstelling meer informatie geven (de fonds voorheffing pensioenverzekering is per 1 januari 1998 opgeheven en overgeheveld naar de sociale partners). Dan kan de pensioenopbouw mogelijk enigszins voortgezet worden bij de huidige pensioenuitvoerder.

Fictieve opzeggingstermijn als de medewerker een ontslagvergoeding kreeg

De arbeidsovereenkomst kan op verschillende manier op korte termijn eindigen, namelijk door ontbinding, met wederzijds goedvinden of wanneer de werkgever een te korte opzegtermijn in acht heeft genomen. In deze omstandigheden komt het geregeld voor dat de werkgever een ontslagvergoeding (schadevergoeding) betaalt of moet betalen. Een vergoeding dat in zekere zin een tegemoetkoming is voor het op korte termijn eindigen van de arbeidsovereenkomst, namelijk door niet de (volledige) opzeggingstermijn in acht te nemen. Voor de medewerker betekent het dat hij op een eerder tijdstip geen recht op loon heeft, waardoor hij eerder op een WW-uitkering aanspraak wil maken.

Het is evenwel mogelijk dat het recht op een WW-uitkering niet direct ingaat, aangezien de uitvoeringsinstelling een fictieve opzeggingstermijn in acht kan nemen (art 16-3 WW). Dat heeft tot gevolg dat de werkloosheidsuitkering pas na die fictieve termijn wordt uitgekeerd. Het is dan de bedoeling dat de medewerker over deze periode inteert op zijn ontslagvergoeding, waarvan bekent is dat hij deze bij het einde van de arbeidsovereenkomst heeft ontvangen. Bij ontbinding kent de kantonrechter vaak een schadevergoeding toe, terwijl een medewerker gewoonlijk niet zonder financiële tegenprestatie aan werkloosheid meewerkt. Dat er een fictieve opzeggingstermijn in acht wordt genomen, is meestal geen reden voor kantonrechters om bij ontbinding een hogere schadevergoeding toe te kennen of de ontbinding op een later tijdstip te laten ingaan. Zou de ontbinding wel later ingaan, dan wordt een deel van de fictieve opzegtermijn gedekt doordat de werkgever het loon tot die tijd moet doorbetalen. Mogelijk wordt de schadevergoeding wel verhoogd wanneer die vergoeding bij uitzondering lager is dan het loon dat de medewerker zou hebben ontvangen als er een opzegtermijn in acht wordt genomen.

De lengte van de fictieve opzeggingstermijn, is gelijk aan de opzeggingstermijn die de werkgever in acht had moeten nemen. Het gaat om de periode volgens de wettelijke regeling die per 1999 geldt, derhalve niet de termijn volgens een CAO of termijn zoals die voor bepaalde oudere medewerkers kan gelden (3.4.3.2.). Deze fictieve opzeggingstermijn kan op iedere datum eindigen, afhankelijk van de datum waarop het arbeidscontract eindigt. Anders dan bij de normale opzegging vaak gebruikelijk is, hoeft de fictieve opzeggingstermijn dus niet op het einde van de maand af te lopen. Helaas is over de lengte van de fictieve opzegtermijn nog een discussie gaande. Dat kan tot gevolg hebben dat een uitvoeringsinstelling een langere termijn hanteert, bijvoorbeeld tot aan het einde van de maand of de termijn die de werkgever voor bepaalde oudere medewerkers in acht moeten nemen.

Tot een ontslagvergoeding wordt iedere vergoeding gerekend welke de medewerker ontvangt bij het ontslag, ook al wordt deze vergoeding gebruikt om een recht op pensioen op te bouwen of ook al gaat het om een maandelijkse vergoeding over een bepaalde periode. Niet relevant is het of de medewerker op de vergoeding aanspraak heeft ingevolge een afvloeiingsregeling, sociaal plan of (andere) cao. Onder dit bedrag valt evenwel niet het geld dat tot de normale eindafrekening behoort. Het gaat dus niet om het loon waarvoor de medewerker gewerkt heeft, alsmede niet om de uitbetaling van opgebouwde vakantierechten en de vergoeding voor proceskosten.

Het recht op een WW-uitkering wordt beoordeeld op het moment dat de uitkering wordt aangevraagd, waardoor de fictieve opzegtermijn waarover de medewerker reeds werkloos is op deze beoordeling geen invloed heeft. Verder is van belang dat de fictieve termijn niet in mindering komt op de duur van de uitkeringen waarop de medewerker recht heeft na die termijn. De termijn is dus geen korting op de uitkering, maar een verschuiving van de datum waarop de uitkering ingaat. Hoewel de medewerker over deze fictieve periode geen uitkering ontvangt, is hij wel verzekerd volgens de ZW en WIA, alsof de uitkering wel reeds was ingegaan.

3.7.2. Inhoud 3.7.
   
   Arbeidsrechter.nl
 
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist
Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord
met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten.
 
 
       
Auteursrecht voorbehouden           2010