Arbeidsrechter.nl  
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist

3.4.5. Opzegging overeenkomsten van een groep medewerkers

3.4. 3.4.4. Inhoud 3.4.5.

Collectief ontslag

Bedrijfseconomische redenen kunnen dusdanig zijn dat er een noodzaak is om de arbeidsovereenkomsten van een groep medewerkers te beëindigen.De wet melding collectief ontslag is van toepassing, als er binnen 3 maanden 20 of meer medewerkers ontslagen worden wegens bedrijfseconomische (bedrijfsorganisatorische) redenen (art 3 WMC). Dat deze 20 of meer medewerkers moeten vallen in het werkgebied van het UWV Werkbedrijf komt als criterium te vervallen.Het getalscriterium van tien medewerkers is tevens komen te vervallen. Er moet al vanaf het ontslag van 1 medewerker worden afgespiegeld (art 4:1 OB). Bij deze twintig medewerkers tellen de medewerkers niet mee die een tijdelijk dienstverband hebben dat van rechtswege eindigt, medewerkers die vervroegd uittreden of pensioengerechtigd worden, medewerkers van wie het dienstverband door de kantonrechter worden ontbonden, medewerkers die zelf hebben opgezegd, maar van wie de opzegtermijn nog niet is afgelopen en medewerkers van wie het dienstverband om een andere reden is opgezegd.

De volgende medewerkers tellen (dus) niet mee:
- Medewerkers voor wie een ontbindingsverzoek is ingediend om andere dan bedrijfseconomische redenen. Ontbindingsverzoeken om bedrijfseconomische redenen tellen ook niet mee, wanneer het gaat om minder dan 5 medewerkers.
- Medewerkers voor wie een vergunning bij het UWV Werkbedrijf wordt aangevraagd om andere dan bedrijfseconomische redenen.
- Medewerkers wiens arbeidsovereenkomsten van rechtswege (3.2.) of met wederzijds goedvinden (3.1.) zal eindigen, of welke contracten eindigen door opzegging tijdens de proeftijd (3.4.1.), dan wel medewerkers die op staande voet worden ontslagen (3.4.2.).
- Seizoensmedewerkers die arbeid verrichten dat wordt beëindigd door het aflopen van het seizoen (art 2 WMC). In dit geval gaat het doorgaans om een contract voor bepaalde tijd, dat van rechtswege eindigt op de overeengekomen datum (3.2.).
- Medewerkers die in een ander werkgebied van een ander UWV werken (art 3 WMC).

Vroeger werden de ontslagvergunningen aangevraagd bij de regionale directeur van de arbeidsvoorzieningsorganisatie (RBA).

Verplichtingen in geval van collectief ontslag

Een werkgever die het voornemen heeft om tot collectief ontslag over te gaan, moet (als eerste) in overleg treden met de betrokken werknemersverenigingen (3.4.5.1.). Dit voornemen is aanwezig, als de werkgever meent dat de situatie met zich meebrengt dat er tot collectief ontslag overgegaan moet worden, ook al heeft hij hierover nog geen besluit genomen. Blijkt na mededeling (en overleg) dat ontslagen niet voorkomen kunnen worden, dan volgt een mededeling aan de betrokken districtsmanager van het UWV Werkbedrijf, die daarbij of daarna verzoeken ontvangt tot het verlenen van individuele ontslagvergunningen (3.4.5.2.). Bij de keuze van medewerkers die voor ontslag in aanmerking komen moet de werkgever bepaalde voorschriften naleven (3.4.5.3.).

Is de werkgever failliet (3.4.6.) dan geldt onderstaande alleen voor wat betreft de melding aan de werknemersvereniging (3.4.5.1.).

 

Inhoudsopgave

3.4.5. Opzegging overeenkomsten van een groep medewerkers
 
3.4.5.1. Melding en overleg
 
3.4.5.2. Melding aan de betrokken districtsmanager UWV Werkbedrijf
 
3.4.5.3. Behandeling van de ontslagverzoeken

 

3.4.5.1. Melding en overleg

Voordat de werkgever stappen onderneemt om tot collectief ontslag over te gaan, zal hij hierover met de betrokken werknemersverenigingen in overleg treden (art 3-2 WMC). De werkgever moet ook advies aan de ondernemingsraad vragen (5.1.5.).De werkgever dient aan de vakbonden uit te leggen waarom ontslagen volgen.

Melding aan de vakbonden

De melding bevat het volgende (art 4 WMC);
- Dat de werkgever voornemens is om de arbeidsovereenkomst met een bepaald aantal medewerkers onderverdeeld naar beroep of functie, leeftijd en geslacht te beëindigen op het volgende tijdstip of de volgende tijdstippen (3.4.5.2.).
- De reden waarom een dergelijke beëindiging noodzakelijk is. Het zal er op neer komen dat het belang van de continuïteit of goed functioneren van de onderneming het noodzakelijk maakt dat de overtollige medewerkers afvloeien. Oftewel dat een doelmatige bedrijfsvoering het verval van de arbeidsplaatsen met zich mede brengt. De oorzaak van deze reden kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een verminderde vraag of verandering in de productie of wijze van dienstverlening. Voorgaande zal de werkgever met de nodige stukken moeten onderschrijven.
- Bovendien moet een vermelding plaatsvinden over: het totaal aantal medewerkers, de criteria die gebruikt zullen worden bij het selecteren van de voor het ontslag in aanmerking komende medewerkers (3.4.5.2.) en een voorstel voor een afvloeiingsregeling. Uitgangspunt is daarom dat nog niet vaststaat (of vast hoeft te staan) welke medewerkers er voor ontslag in aanmerking zullen komen.

Geheimhouding van informatie over het voornemen tot ontslag

Vertegenwoordigers en medewerkers van de werknemersvereniging moeten datgene wat aan hen wordt medegedeeld geheimhouden, als de werkgever hierop staat, wat de werkgever dient te motiveren. Door geheimhouding kan mogelijk (te vroege) onrust bij de werknemers, afnemers en toeleveranciers voorkomen worden. Deze geheimhoudingsverplichting eindigt zodra de districtsmanager de individuele aanvragen voor een ontslagvergunning in behandeling neemt, of voor die tijd als de werkgever de betrokkene van de verplichting tot geheimhouding ontslaat (art 8 WMC).

Overleg met de werknemersvereniging

Naast de bespreking van de redenen die tot overtolligheid hebben geleid, zal het overleg met de werknemersvereniging ten minste betrekking hebben op de mogelijkheden om de collectieve ontslagen zo veel mogelijk te voorkomen. Pas daarna gaat het overleg over maatregelen waarmee de werkgever gevolgen van de beëindiging kan verzachten. Dit laatste wordt mogelijk vastgelegd in een sociaalplan waarin onderwerpen worden geregeld als; uitkering, omscholing, herplaatsing, begeleiding etc. (7.).

Verklaring

Na de melding, het verschaffen van informatie en overleg, kan het de vakbond duidelijk worden dat om bedrijfseconomische redenen er ontslagen dienen te vallen. Dan zou de vakbond ook kunnen verklaren, dat het door de werkgever voorgestelde arbeidsplaatsen op die grond vervallen. De werkgever kan deze verklaring van de vakbond aan het UWV Werkbedrijf verstrekken. Het overleggen van die verklaring betekent dat het UWV Werkbedrijf zelf niet meer toetst of door bedrijfseconomische redenen er arbeidsplaatsen dienen te vervallen, dat wordt dan als uitgangspunt genomen. De vakbond heeft dan als het ware reeds getoetst of die redenen aanwezig zijn. Een medewerker kan dan alleen nog op nieuwe feiten die zich voordoen na de verklaring van de vakbond, bezwaar aantekenen over de aanwezigheid van die bedrijfseconomische redenen. Wat het UWV Werkbedrijf steeds toetst is of het afspiegelingsbeginsel goed wordt toegepast. Tegen het niet goed toepassen van dat beginsel kan een medewerker zich dus ook verweren.

3.4.5.2. Melding aan het betrokken UWV Werkbedrijf

De informatie die de districtsmanager van het UWV Werkbedrijf ontvangt komt overeen met de gegevens die hoorde bij de melding aan de betrokken werknemersvereniging. Daarnaast ontvangt de districtsmanager een uitwerking van de melding aan deze organisaties met het verloop het overleg, als dat laatste reeds heeft plaatsgevonden. Een afschrift van de melding aan de betrokken werknemersverenigingen wordt gevoegd bij datgene dat de werkgever aan het UWV Werkbedrijf doet toekomen. Hierbij wordt bovendien aangegeven of er een ondernemingsraad is, of deze advies moet uitbrengen en wanneer dit advies is gevraagd of reeds is gegeven. De melding wordt vergezeld of gevolgd door de verzoeken om ontslagvergunningen voor bepaalde medewerkers. Van de melding aan de districtsmanager van het UWV Werkbedrijf wordt een afschrift gestuurd naar de betrokken werknemersverenigingen.

Wachttijd na melding aan het UWV Werkbedrijf

Niet altijd begint het UWV Werkbedrijf meteen met het in behandeling nemen van de individuele ontslagaanvragen. Dat is namelijk alleen het geval, wanneer de werkgever het voornemen om tot collectief ontslag over te gaan aan de betrokken werknemersvereniging heeft medegedeeld, terwijl deze bovendien reeds is geraadpleegd en die vereniging(en) zich met de aanvraag verenigen. De werkgever dient dit bij de melding aan de districtsmanager van het UWV Werkbedrijf door te geven (art 6a WMC).

Heeft de werkgever de werknemersvereniging alleen ingelicht maar nog geen overleg gepleegd, dan neemt het UWV Werkbedrijf een wachttijd van een maand in acht. Deze wachttijd duurt langer, als na het verstrijken van die maand de betrokken werknemersvereniging nog niet is uitgenodigd voor overleg of wanneer de ondernemingsraad nog geen advies heeft uitgebracht. In dergelijke gevallen duurt de wachttijd tot de tijd dat voorgaande wel heeft plaatsgevonden (art 6 WMC). De wachttijd van een maand begint pas te lopen wanneer de mededeling aan de belanghebbende werknemersvereniging heeft plaatsgevonden.

Afwijken van de maand wachttijd is mogelijk, als anders de continuïteit van de organisatie in gevaar komt, waardoor er ook ontslag dreigt van andere medewerkers. In dat geval vraagt de werkgever aan de districtsmanager of deze van de wachttijd wil afwijken, wat hij motiveert door de financiële positie van zijn organisatie duidelijk te maken (art 6-3 WMC).

Binnen de wachttijd kan het UWV Werkbedrijf (laten) onderzoeken of de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten voorkomen kan worden. Hiervan wordt een rapport opgemaakt dat bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid terechtkomt (art 1:3 OB). Zijn er mogelijkheden om met overheidssteun tot een oplossing te komen, dan zal dit doorgaans reeds voor de melding aan het UWV Werkbedrijf samen met de werknemersverenigingen uitgezocht zijn.

Het UWV Werkbedrijf dat overgaat tot het in behandeling nemen van de individuele ontslagaanvragen, volgt daarbij de procedure zoals in hoofdstuk 3.4. wordt uitgewerkt (3.4.3.3.). Hoofdstuk 3.4.5.3. gaat nader in op de vraag, wie er voor ontslag in aanmerking komt (3.4.5.3.).

Niet melden van collectief ontslag en hiertoe toch overgaan

Een werkgever die geen melding aan de werknemersvereniging en het UWV Werkbedrijf heeft gedaan, wordt geacht het voornemen tot collectief ontslag te hebben gehad, wanneer hij tot collectief ontslag is overgegaan. Dat doet zich voor, als hij binnen 3 maanden stappen onderneemt om de arbeidsovereenkomst van 20 of meer medewerkers te beëindigen om bedrijfseconomische redenen. In dat geval worden de verzoeken om ontslagvergunningen slechts in behandeling genomen nadat aan bovenstaande meldingen en dergelijke is voldaan, met een wachttijd van twee maanden (art 7 WMC).

Betrokkenheid van meerdere UWV's.

Het verzoek om een vergunning moet ingediend worden bij de districtsmanager van het UWV Werkbedrijf binnen wiens werkgebied de medewerker werkzaam is. Bestaat er het voornemen om 20 of meer medewerkers te ontslaan binnen een werkgebied van een UWV, dan is er sprake van een collectief ontslag, als dit gebeurt om bedrijfseconomische redenen. Naast de vergunningen die bij dit UWV Werkbedrijf worden aangevraagd, is het mogelijk dat er ook vergunningen worden aangevraagd bij andere UWV's. Dat doet zich voor als van de groep medewerkers die voor ontslag in aanmerking komt er medewerkers binnen het werkgebied van een ander UWV Werkbedrijf vallen. Voorgaande brengt met zich mee dat er dan meerdere UWV's verzoeken krijgen voor vergunningen en mogelijk dat er bij meerdere UWV's een melding van collectief ontslag moet plaatsvinden. Het UWV Werkbedrijf dat hoort bij het gebied waar de werkgever zijn hoofdvestiging heeft, zal dan doorgaans coördinerend optreden (art 1:2-4 OB). Het is ook mogelijk dat een centrale organisatie van de coördinatie op zich neemt. De functionaris die coördineert is de contactpersoon van de werkgever, met wie de te volgen procedure besproken kan worden. Bij de hierna te behandelen vraag - wie er voor ontslag in aanmerking komt - wordt er een beoordeling gemaakt per vestiging.

3.4.5.3. Behandeling van de ontslagverzoeken

Na de wachttijd worden de individuele verzoeken om een vergunning in behandeling genomen. In hoofdstuk 3.4. wordt nader ingegaan op de procedure voor individuele ontslagaanvragen voor arbeidsovereenkomsten. Voor informatie over de motivering van het ontslag, de duur van de procedure, voorwaarden verbonden aan de vergunning, verklaring-van-geen-bezwaar wordt er verwezen naar hoofdstuk 3.4.3.3. (3.4.3.3.). In de procedure die daar wordt behandeld gaat het collectieve ontslag over bij het in behandeling nemen van de individuele verzoeken. Hieronder staat de vraag centraal voor welke medewerkers er een ontslagvergunning wordt aangevraagd.

Wie komt er voor ontslag in aanmerking?

Ter beantwoording van de vraag wie er voor ontslag voorgedragen wordt, moet er eerst onderscheid gemaakt worden naar medewerkers met uitwisselbare functies. De uitwisselbare functies worden per vestiging vastgesteld, waarbij niet alleen gelet wordt op het vestigingsonderdeel waar arbeidsplaatsen komen te vervallen. Bij de vraag of functies uitwisselbaar zijn wordt gelet op de werkzaamheden, de arbeidsvoorwaarden en andere omstandigheden die bij het vervullen van de functie horen. Bij de keuze uit deze uitwisselbare groep medewerkers is het aantal dienstjaren en leeftijdsgroep bepalend. Binnen de functies die uitwisselbaar zijn, wordt er gekeken wie er voor ontslag in aanmerking komt. De methode die gebruikt wordt is afspiegeling.

Het afspiegelingsbeginsel

Dit beginsel dat sinds 1 maart 2006 wordt toegepast, dient er voor te zorgen dat de ontslagen worden verspreid over de leeftijdsgroepen. Het doel is dat er een evenwichtige en verspreide leeftijdsopbouw resteert na de ontslagronde. Dat betekent dat er ontslagen vallen in de leeftijdsgroepen van jong tot oud. Per uitwisselbare functiegroep worden een evenredig aantal mensen per leeftijdsgroep voorgesteld voor ontslag. De bedoeling is dat de afspiegeling van de opbouw voor en na het ontslag verhoudingsgewijs gelijk blijft. De werknemer binnen die leeftijdsgroep met het kortste dienstverband zal in aanmerking komen voor ontslag (art 4:2-1 OB). Dat is vaak de medewerker die als laatste een arbeidsovereenkomst met de werkgever is aangegaan. Het afpiegelingsbeginsel dient te voorkomen dat voornamelijk jongeren (en vrouwen) ontslagen worden. Dat gebeurd door iedere uitwisselbare groep in te delen per leeftijdsgroep van 15-24 jaar, 25-34 jaar, 35-44 jaar, 45-55 jaar en 55 jaar of ouder. De verdeling van de ontslagen over de leeftijdsgroepen dient zo plaats te vinden dat de leeftijdsopbouw binnen de categorie uitwisselbare functies voor en na de inkrimping in verhouding zoveel mogelijk gelijk is.

De verschillende stappen die worden getoetst:

A. Het UWV Werkbedrijf toetst eerst of er bedrijfseconomische redenen zijn die tot ontslag aanleiding geven. Dat kunnen de volgende gronden zijn:
- Slechte financiele situatie, dan wordt er gevraagd naar de cijfers van laatste drie jaren (balans, de winst- en verliesrekening met toelichting en een liquiditeitsbegroting)
– Werkvermindering, dan wordt er schriftelijke bevestiging gevraagd van de opzegging door de opdrachtnemer en/of een opgave van de orderportefeuille en prognose daarbinnen, met een toelichting op de relatie minder werk en vervallen functies
– Organisatorische of technologische veranderingen, daartoe dient de redenen daarachter toegelicht te worden met organogrammen van voor en na de wijziging.
- Beëindiging deel bedrijfsactiviteiten, in dat geval wordt er gevraagd naar beschrijving dat behoud activiteiten niet mogelijk is, mede gelet op herplaatsinginspanningen en mogelijkheid tot overgang van onderneming. Volgt er ondanks een overname een ontslagverzoek dan is een verklaring van overnemende partij vereist waarin deze de ontslagaanvraag motiveert.
- Bedrijfsverhuizing, daartoe wordt gekeken naar de motivatie van de verhuizing en toelichting van het aanbod aan medewerkers om mee te verhuizen en reactie daarop.
B. Na de toetsing van de bedrijfseconomische redenen, worden er groepen gemaakt met uitwisselbare functies, dat wil zeggen functies die naar aard, inhoud, omstandigheden, niveau en beloning wederkerig, vergelijkbaar en gelijkwaardig zijn. Dit wordt beoordeeld per bedrijfsvestiging, dat is elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband. Afspiegeling speelt alleen als een deel van de medewerkers in een uitwisselbare functie worden ontslagen. Dus niet bij het verval van een functie die slechts door een enkele medewerker wordt vervuld en ook niet als iedereen die een functie vervult wordt ontslagen.
C. Binnen een groep die vallen onder een uitwisselbare functie, wordt er gekeken hoeveel ontslagen daar dienen te vallen. Voordat dit plaatsvind dienen eerst de tewerkstelling van uitzendkrachten en tijdelijke krachten te worden beëindigd.
D. Binnen die groep wordt het afspiegelingsbeginsel toegepast.
- Voor het bepalen van de ontslagvolgorde wordt de totale groep onderverdeeld in groepen naar leeftijd in 10 jaar (15-24, 25-34, 35-44, 45-54, 55-64). Bij dat aantal medewerkers per groep tellen ook medewerkers mee van wie het dienstverband op andere wijze gaat eindigen, oftewel ook de medewerkers met contract voor bepaalde tijd dat eindigt, die met pensioen gaan en die op andere gronden of wijze worden ontslagen tellen mee. Een fulltimer en parttimer tellen allebei als 1 mee binnen de groep.
- Het aantal mensen in iedere groep, wordt in een percentage van het totaal uitgedrukt (Aantal mensen per groep wordt gedeeld door het totaal en vermenigvuldigd met 100 = percentage per groep). Zo ontstaat een procentuele verdeling.
- Het uitgerekende percentage per groep, wordt vermenigvuldigd met het aantal mensen dat ontslagen wordt.
- De uitkomst daarvan wordt afgerond naar hele getallen (hele ontslagen). De uitkomst hiervan is het aantal mensen dat per groep ontslagen wordt
- De ontslagen die per groep dienen te vervallen worden per groep verlaagd, met de mensen die op andere wijze uit die groep uit dienst gaan (einde rechtswege, ontbinding contract, pensionering).
- Door de afrondingen en dergelijke kan het voorkomen dat er te veel of juist te weinig mensen worden ontslagen. Dienen er meer medewerkers ontslagen te worden, kies dan de ontslagen over de groep met het hoogst afgeronde percentage. Dienen er minder mensen onslagen te worden, kies er dan voor om degene in de groep met het hoogste percentage niet te ontslaan. Bij gelijke percentages, dient er voor gekozen te worden de ontslagen naar redelijkheid toe te passen, in beginsel van alle resterende (binnen de gelijke groepen) degene die het kortst in dienst is (zijn).
E. Voor dat deze mensen worden voorgedragen wordt getoetst of ontslagen voorkomen kunnen worden door herplaatsing.

Afwijking van het afspiegelingsbeginsel

In de volgende omstandigheden moet of kan er van bovenstaande afgeweken worden:
I. Wanneer de medewerker die voor ontslag in aanmerking komt een zwakke arbeidsmarktpositie heeft. De medewerker heeft dan weinig kans om ander werk te vinden in vergelijking met een andere medewerker die voor ontslag in aanmerking komt (art 4:2-5 OB).
II. De werkgever kan een bepaalde medewerker die voor ontslag in aanmerking komt niet missen. Dan zal hij aan moeten tonen dat deze medewerker dusdanige kennis of kunde heeft dat zijn ontslag voor de organisatie te bezwaarlijk zou zijn. Dat zal zich niet snel voordoen als het gaat om een medewerker die een uitwisselbare (vergelijkbare) of dezelfde functie bekleed. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de potentiële opvolger van de bestuurder van een onderneming (art 4:2-4 OB).
III. Arbeidsgehandicapte medewerkers dienen bij de werkgever in dienst te blijven, wanneer herplaatsing in een aangepaste of een andere passende functie mogelijk is (art 4:4 OB). Daarvoor zal nodig zijn dat de werkgever aangeeft welke arbeid er in de organisatie wordt verricht, alsmede wat voor werk daarbij passend is en of plaatsing van deze medewerker tot de mogelijkheden behoort. De vraag wie er arbeidsgehandicapt is wordt behandeld in hoofdstuk 2.2.1. (2.2.1.).
IV. Onder omstandigheden kan het bezwaarlijk zijn gedetacheerde medewerkers te ontslaan, waarna een ander die langer in dienst is dat zelfde werk bij de derde moet overnemen. Het gaat hier om medewerkers die door een niet professionele uitlener op grond van hun functie uitgeleend worden en feitelijk onder het toezicht en leiding van een derde werken. Dit uitlenen dient dan wel uitdrukkelijk overeengekomen te zijn, zonder dat hun werkgever (uitlener) een uitzendorganisatie is waarvoor Bijlage B van het ontslagbesluit is geschreven (OB). In beginsel moet een dergelijke medewerker die op grond van de diensttijd voor ontslag in aanmerking komt, ook ontslagen worden. Daarbij kan evenwel een uitzondering gemaakt worden als dat ontslag te bezwaarlijk is (redelijkerwijze niet geëffectueerd kan worden). Daarbij wordt gelet op de inhoud van de functie en duur van de opdracht (in verhouding tot de diensttijd), de mate waarin persoonlijke kwaliteiten een rol spelen, benodigde inwerkperiode en de schade bij vervanging, de regeling van vervanging bij ziekte, etc. (art 4:2-3 OB).
V. Wanneer het gaat om uitzendkrachten (Bijlage B Ontslagbesluit (OB))
VI. Ingeval medewerkers projectmatig werkzaam zijn voor een schoonmaakbedrijf (Bijlage A Ontslagbesluit (OB)).
VII.Tijdelijke verruiming van het afspiegelingsbeginsel. Deze wijziging heeft effect tot 1 september 2011; daarna zal het ontslagbesluit weer gewijzigd worden. De verruiming die vanaf 1 augustus 2009 geldt, is toegepast in artikel 4:2 lid 4 OB. Deze verruiming houdt in dat het voor de werkgever makkelijker wordt gemaakt om het ‘onmisbaarheidscriterium’ toe te passen. Mocht er een werknemer zijn die volgens het afspiegelingsbeginsel ontslagen dient te worden, maar onmisbaar is binnen het bedrijf tijdens en na economisch mindere tijden. Dan is het mogelijk om de daarop volgende in rij te voor te stellen voor ontslag in plaats van die werknemer. Mocht er in dezelfde leeftijdsgroep geen andere werknemer meer zijn, dan moet worden vastgesteld in welke andere leeftijdsgroep de eerstvolgende voor ontslag voor te dragen werknemer zit. Dienaangaande mag er maximaal 10%, met een minimum van 1 werknemer voor ontslag in de leeftijdsgroep 15 tot 25 en van 55 jaar en ouder voor ontslag in aanmerking komen. Hiermee wordt voorkomen dat de werkgever bovenmatig veel werknemers in deze groepen ontslaat. Het feit blijft dat de werkgever een bestendig beleid voert waaruit blijkt dat die desbetreffende werknemer onmisbaar is.

Andere afwijkingen

Voor het afwijken van de volgorde kan de werkgever geen andere redenen aandragen. Ziekte en disfunctioneren zijn bijvoorbeeld geen redenen om het afspiegelingsbeginsel niet in acht te nemen. Deze redenen kunnen wel op zich een grond zijn om een vergunning te krijgen, dus los van de bedrijfseconomische grond.

Bij uitzondering doet de situatie zicht voor, dat een medewerker die op grond van zijn dienstjaren niet voor ontslag in aanmerking komt, geen bezwaar heeft tegen het ontslag. In dat geval kan er een verzoek ingediend worden bij het UWV Werkbedrijf om van de volgorde af te wijken, wat niet zonder meer wordt toegewezen. De werkgever zal bij dit verzoek een verklaring van geen bezwaar moeten overhandigen, waarin de medewerker ook aangeeft dat hij ermee bekend is dat hij zonder die verklaring niet voor ontslag wordt voorgedragen gezien de lengte van zijn dienstverband. Nadere informatie over de verklaring-van-geen-bezwaar staat in hoofdstuk 3.4.3.3.A. bij de verkorte procedure (3.4.3.3.A.).

Richtlijnen bij de berekening van de diensttijd

De diensttijd is in bepaalde omstandigheden langer dan de tijd dat de medewerker daadwerkelijk bij de werkgever in dienst is. Bepaalde onderbrekingen dienen soms meegeteld te worden, hetgeen ook kan gelden voor diensttijd bij een vorige werkgever.

Meetellen onderbrekingen bij het vaststellen van de diensttijd
A.
Een onderbreking in het dienstverband wordt verwaarloosd als die onderbreking korter is dan 3 maanden, waardoor de tijd van de onderbreking dus meetelt. Zit er evenwel meer dan 3 maanden tussen twee arbeidsovereenkomsten, dan wordt er vanuit gegaan dat partijen opnieuw een arbeidsverhouding zijn aangegaan. Bij onderbrekingen van meer dan 3 maanden, wordt de diensttijd berekend vanaf die onderbreking.
B. Heeft een kantonrechter het arbeidscontract hersteld, dan wordt de onderbreking en de contracten die aan het herstel voorafgingen meegeteld als ware er geen onderbreking.

Meetellen diensttijd bij een "vorige" werkgever
A.
De diensttijd bij een vorige werkgever wordt meegerekend als de huidige werkgever de onderneming van de vorige werkgever heeft overgenomen, waardoor de medewerker van rechtswege in dienst is gekomen. Hoofdstuk 2.8. gaat nader in op overgang van de onderneming en meetellen van de diensttijd bij de overdrager (2.8.).
B. De diensttijd bij een vorige werkgever telt ook mee als de huidige werkgever redelijkerwijze is te zien als de opvolger van de vorige werkgever, ten aanzien van het werk dat de medewerker verricht. Vergelijk ook hoofdstuk 3.2.1.4. (3.2.1.4.).
- Het komt geregeld voor dat een werkgever een medewerker in dienst neemt die voorheen hetzelfde werk voor hem deed, maar dan als uitzendkracht of gedetacheerde kracht. Degene werd dus eerst ingeleend bij een uitzendbureau of detacheringbureau. De diensttijd als uitzendkracht telt dus mee, tenminste als de uitzendkracht (nagenoeg) hetzelfde werk blijft doen, ook al werd hij toen ingeleend via het uitzendbureau (vorige werkgever) en trad hij pas later direct in dienst bij zijn huidige werkgever (voorheen inlener).
- Dat de huidige werkgever redelijkerwijze is te zien als een opvolger, kan zich ook in andere omstandigheden voordoen. Denk bijvoorbeeld aan medewerkers die (nagenoeg) hetzelfde werk blijven doen, die evenwel van werkgever veranderen doordat er met hun binnen een concern wordt geschoven (alleen de formele werkgever verandert doordat een andere BV uit het concern als werkgever gaat optreden).

Afhandeling van de (individuele) ontslagaanvragen

Om de volgorde te kunnen toetsen is het nodig dat het UWV Werkbedrijf beschikt over de nodige gegevens, waaronder een overzicht van alle medewerkers (tevens uitzendkrachten en gedetacheerden) binnen een (deel van) de onderneming. Daarbij wordt naast de namen, de leeftijd en functie, ook de aanvang van de arbeidsverhouding vermeldt, alsmede de nationaliteit. Dit laatste omdat de aanvraag dusdanig kan zijn dat allochtone medewerkers oververtegenwoordigd zijn op de lijst waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. Dit is op zich geen reden om de verzoeken af te wijzen, maar wel een reden voor het UWV Werkbedrijf om de aanvragen extra kritisch te bekijken (art 7:1 OB). Om er toe bij te dragen dat werkgevers volledige aanvragen indienen, is er een checklist bij het UWV Werkbedrijf beschikbaar. Deze wordt op verzoek toegestuurd door het UWV Werkbedrijf samen met een folder over de ontslagprocedure (3.4.3.3.A.).

3.4. 3.4.6. Inhoud 3.4.5.
   
   Arbeidsrechter.nl
 
Informatie zoeken
Trefwoorden | Zoekmachine | Inhoudsopgave
  Specialisten raadplegen  
Email | Telefoon | Bemiddeling
  Opleidingen arbeidsrecht  
Informatie | Leergang | Specialist
Door gebruik te maken van deze website of andere diensten van ArbeidsConsultancy gaat u akkoord
met de algemene voorwaarden, inclusief de uitsluiting van de aansprakelijkheid voor (type)fouten.
 
 
       
Auteursrecht voorbehouden           2010