Tweet


Beleidsregels werktijdverkorting (BWV)


Andere wetteksten

Richtlijnen:

De Minister van Sociale Zaken maakt bekend dat bij de toepassing van artikel 8. derde lid van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 door of vanwege hem de volgende richtlijnen in acht zullen worden genomen. Van deze richtlijnen kan worden afgeweken. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Beleidsregel 1

1. Een ontheffing als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 wordt op verzoek van een werkgever verleend ten aanzien van bij de beschikking tot ontheffing aan te wijzen werknemers of groepen van werk nemers in diens onderneming, indien:

a. de bedrijvigheid in de onderneming waarvoor de ontheffing wordt verzocht tot een abnormaal laag niveau is verminderd,

b. de oorzaken welke tot de vermindering van de bedrijvigheid hebben geleid niet tot het normale bedrijfsrisico behoren, en

c. de vermindering van de bedrijvigheid van tijdelijke aard is.

2. Een ontheffing wordt slechts voor een bepaalde tijd verleend.

Beleidsregel 2

Geen ontheffing wordt verleend, indien:

a. de werkgever de gevolgen van de verminderde bedrijvigheid niet in redelijke mate voor eigen rekening heeft genomen, en

b. het personeelsbestand van de onderneming niet op de voor de betrokken onderneming redelijkerwijze te verwachten behoefte is afgestemd of de personeelskosten van de betrokken onderneming onvoldoende zijn gematigd.

Beleidsregel 3

Geen ontheffing wordt verleend voor zover de vermindering van de bedrijvigheid in de onderneming wordt veroorzaakt door dan wel samenhangt met een werkstaking in die onderneming of in een andere onderneming, tenzij redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de werkstaking door het verlenen van de ontheffing zal worden beïnvloed.

Toelichting

Algemeen

De richtlijnen werktijdverkorting zijn ingetrokken, waarvoor in de plaats de beleidsregels zijn gekomen. Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. De beleidsregels (ontheffing verbod van) werktijdverkorting zijn een bekendmaking van het beleid van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid terzake. Deze beleidsregels komen overeen met de richtlijnen verbod van werktijdverkorting, met dien verstande dat de vierde richtlijn en de eerste richtlijn vanwege hun directe samenhang bij elkaar zijn gevoegd. Wel geldt dat vanaf 1 mei 1998 de Arbeidsinspectie aanvragen om ontheffing van het verbod van werktijdverkorting op een aantal onderdelen een nieuwe beleidsuitgangspunten zal toetsen. In de toelichting per beleidsregel wordt op dit beleid nader ingegaan. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die toepassing van elke afzonderlijke beleidsregel, of onderdeel daarvan, achterwege laten. Deze (algemene) beleidsregels laten onverlet dat de Minister bijzondere beleidsregels vast kan stellen aan de hand waarvan bij sommige zich voordoende aangelegenheden moet worden beslist op verzoek om ontheffing. Deze bijzondere beleidsregels worden gepubliceerd in de Staatscourant.

Beleidsregel 1

1. lid 1.A. Bij de beoordeling van de vraag of de verminderde bedrijvigheid als abnormaal kan worden aangemerkt, wordt niet alleen gelet op het niveau van de bedrijvigheid in de functies of in de onderdelen van het bedrijf waarop het verzoek om ontheffing betrekking heeft, maar ook op dat in de onderneming als geheel. Als regel kan worden gesteld, dat er tijdens de periode waarop het verzoek om ontheffing betrekking heeft, sprake moet zijn van een vermindering van de bedrijvigheid van ten minste 20 %. Daarbij is de periode van het moeten dragen van een eigen risico inbegrepen. Voor de berekening van de abnormaal verminderde bedrijvigheid wordt in de praktijk een vergelijking gemaakt met de bedrijvigheid met relevante referentieperioden in de drie voorafgaande jaren.

1. lid 1.B. Voor het antwoord op de vraag wat als normaal dan wel abnormaal bedrijfsrisico moet worden beschouwd, kan onmogelijk een limitatieve opsomming worden gegeven

Tot het normale bedrijfsrisico worden in elk geval wel gerekend:

- fluctuaties in de bedrijvigheid als gevolg van gebruikelijke seizoensinvloeden

- aanloopproblemen van startende ondernemingen

- de invloed van mode op de bedrijvigheid

- valutaschommelingen

- herstelwerkzaamheden die te voorzien zijn

- concurrentie in al haar verschijningsvormen; bijvoorbeeld van de zogenoemde lageloonlanden

- wijziging van het verkoopbeleid van een onderneming

- het niet-inspelen van de onderneming op een gewijzigde marktsituatie

- het bewust aanvaarden van een niet onaanzienlijk risico van verminderde bedrijvigheid

- accijnsverhogingen en quoteringsmaatregelen, waarbij het gaat om overheidsmaatregelen die tot doel hebben de omvang van de totale bedrijvigheid in een bedrijfstak te verminderen, zoals de melk- en visquotering

- het veranderende gedrag van de overheid bijvoorbeeld in de uitgavensfeer die redelijkerwijs te voorzien is.

Economische oorzaken van verminderde bedrijvigheid worden doorgaans tot het normale bedrijfsrisico gerekend. Macro-economische conjunctuur bewegingen, zoals het inzakken van markten, lokaal, sectoraal of anderszins, het wegvallen van orders en dergelijke vormen, gezien het vorenstaande, in beginsel geen aanleiding om ontheffing te verlenen. Toch kan er in voorkomende gevallen sprake zijn van een opeenstapeling van dergelijke “economische oorzaken”, met andere woorden; een opeenstapeling van oorzaken die ieder afzonderlijk tot het normale bedrijfsrisico behoren. Wanneer zich een dergelijke uitzonderlijke situatie van opeenstapeling van “economische oorzaken” van verminderde bedrijvigheid voordoet, kan dit er toe leiden dat een ontheffing wordt verleend (alleen een conjuncturele inzinking is bijvoorbeeld geen voldoende grond voor een ontheffing).

1. lid 1.C. De eis dat de verminderde bedrijvigheid naar het zich laat aanzien van tijdelijke aard is, hangt samen met het feit dat de ontheffing is bestemd ter overbrugging van een betrekkelijk korte periode van verminderde bedrijvigheid. Bij een ontheffing van het verbod van een werktijdverkorting wordt uitgegaan van een periode van 6 maanden (4 perioden van 6 weken. De tijdelijkheid is afhankelijk van diverse factoren, zoals de oorzaken, het toekomstperspectief, het produkt en het produtieproces.

Wanneer moet worden aangenomen dat de verminderde bedrijvigheid van langere duur zal zijn, wordt in beginsel geen ontheffing verleend. In bijzondere gevallen kan de periode van 6 maanden verlengd worden tot ongeveer 12 maanden (8 perioden van 6 weken)

Er kunnen zich echter situaties voordoen, waarbij herstel van de bedrijvigheid tot het oude niveau uitblijft als gevolg van meer structurele, niet tijdelijke, problemen die de grenzen van de individuele onderneming overstijgen. In dat geval zal, mede aan de hand van analyses en rapportages van relevante branche-organisatie of derden, worden beoordeeld wat het karakter en de reikwijdte zijn van de problemen waarmee ondernemingen in die branche te maken hebben. Afhankelijk daarvan kan de ontheffingsmogelijkheid wordt gebruikt om in het kader van een structuurplan van de betreffende sector, in samenhang met aanpassing van het personeelsbestand, de capaciteit in die sector aan te passen aan de economische situatie. Wel blijft daarbij onverkort gelden, dat van een spoedig herstel van de bedrijvigheid in die sector en in de betreffende ondernemingen tot een stabiel niveau sprake moet zijn.

1 lid 2. De tweede lid hangt nauw samen met het eerste lid, onderdeel c. Bij een ontheffing van het verbod van werktijd verkorting moet (zoals blijkt uit de toelichting bij het eerste lid van deze beleidsregel) in beginsel uitgegaan worden van één tot maximaal 4 perioden van 6 weken, waarvan slechts in bijzondere gevallen wordt afgeweken.

2. sub a. Dit onderdeel van de beleidsregels wordt wel aangeduid als “eigenrisico” en heeft tot doel een deel van de kosten van de verminderde bedrijvigheid ten laste van de werkgever te brengen. Daarbij speelt de overweging dat een ondernemer een zodanig beleid moet voeren, dat hij in staat is de gevolgen van de verminderde bedrijvigheid in redelijke mate op te vangen. Dit kan ondermeer gebeuren in die vorm dat de ontheffing eerst wordt verleend, nadat de werkgever bij de aanvang van de verminderde bedrijvigheid de kosten van de leegloop, berekend over de hele onderneming c.q. het totale personeelsbestand, gedurende enige tijd zelf volledig heeft opgevangen.

Het “eigenrisico” gaat spelen vanaf het moment waarop het verzoek om ontheffing is ingediend, met andere woorden; er wordt een wachttijd ingevoerd. In de duur van het te eisen “eigenrisico” wordt een staffeling aangebracht naar de mate van leegloop. Bij een leegloop van 100% is de wachttijd 2 weken, bij een leegloop van gemiddeld 50 % geldt een wachttijd van 6 weken. Van deze staffeling in wachttijden kan in geval van calamiteiten worden afgeweken.

2. sub b. Geen ontheffing wordt er verleent als het personeelsbestand niet op de redelijkerwijs te verwachten behoefte is afgestemd. Dit onderdeel van deze beleidsregel beoogt de ondernemer te verplichten die personeelsbezetting te realiseren die hij op wat langere termijn, bij de redelijkerwijs te verwachten bedrijvigheid, nodig zal hebben.

Geen ontheffing wordt er verleent als de personeelskosten niet in enige mate zijn gematigd. De gedachte achter deze beleidsregel is, dat het in de rede ligt om, naast een bijdrage aan herstel van de bedrijvigheid door de werkgever in de vorm van een eigen risico), ook van werknemers een bijdrage te vragen. Personeelskosten worden in hoge mate bepaald door de loonkosten. De bijdrage van werknemers kunnen bestaan uit een matiging in de primaire lonen. De te vragen bijdrage van werknemers kan echter ook op andere wijze, als in de sfeer van secondaire arbeidsvoorwaarden, worden gerealiseerd. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld de inzet van ADV- of vakantiedagen en vergoedingen. Het door de korter werkende werknemers interen op de WW-rechten kan niet worden opgevat als een bijdrage van werknemers van deze beleidsregel.

3. Uitgangspunt van deze beleidsregel is dat de overheid zich ervan dient te onthouden door haar ontheffingsbeleid een staking ten gunste van een der partijen te beïnvloeden. Dit geldt zowel in gevallen, dat de staking of daarmee samenhangende omstandigheden zich voordoen in de onderneming waarvoor ontheffing wordt gevraagd als in gevallen waarin zich dit voordoet in een andere onderneming. Tot een met een staking samenhangende omstandigheden worden gerekend, werkverhindering van werkwillige werknemers door stakers van dezelfde of van een andere onderneming. Alleen als beïnvloeding redelijkerwijs niet te verwachten is en aan de overige criteria wordt voldaan, kan een ontheffing worden verleend.

De vermindering van bedrijvigheid in de zin van deze beleidsregel kan het gevolg zijn van zowel een algemene staking als selectieve staking, prikacties en dergelijke. Ook bij een staking in het buitenland kan van beïnvloeding door het verlenen van een ontheffing sprake zijn. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een multinationale onderneming.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.P.W. Melkert.

Deze wettekst wordt u aangeboden door artec neval. De wetsartikelen van de wetten worden aangepast aan de wetswijzigingen, zoals de overheid (de minister) dat in het Staatsblad laat publiceren. Een wet is derhalve in ontwikkeling. Een wetswijziging kan er toe leiden dat slechts een enkel lid (bepaling) van een artikel of meerdere leden (bepalingen) van een wetsartikel worden aangepast, alsook dat meerdere artikelen (wetsartikelen) veranderen.